Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe Laurent, een vermiste Fransman, twintig jaar na zijn dood teruggevonden werd in Amsterdam

Home

Sybilla Claus

Laurent Delelis stierf in 1996 een Amsterdamse gracht. Zijn identiteit werd twintig jaar later achterhaald, door het Amsterdamse coldcase-team. © TRBEELD

Het coldcase-team van de politie Amsterdam verenigt dankzij betere opsporingstechnieken onbekende doden met hun familie. Dat biedt nabestaanden rust. Neem de Franse Laurent Delelis, die twintig jaar vermist was.

1996, Amsterdam

Lees verder na de advertentie

De Houtmankade is niet zomaar een Amsterdamse gracht. Over een breedte van veertig meter klotst het water vanaf het Noordzeekanaal via het IJ hier de stad in. Op de brug is een controlepost van Waternet. Als het water te hoog komt, gaat de sluis dicht.

Over de volgende brug glijden vrijwel permanent treinen vanaf het Centraal Station naar Sloterdijk. Midden in de nacht gaat de hefspoorbrug open voor schepen met masten die Amsterdam doorkruisen naar Zuid-Holland.

De man is volledig gekleed maar heeft niets op zak, behalve een Amerikaans dubbeltje.

Ter hoogte van nummer 103 ziet een Friese binnenvaartschipper om half negen ’s ochtends op 18 september 1996 een lichaam drijven. In een stad met zoveel water duiken de nodige doden op in een gracht of kanaal. Criminelen dumpen een lichaam of delen daarvan. Er zijn toeristen die beneveld in de gracht plassen en onbedoeld te water raken. Ook vermisten komen met regelmaat in het water weer tevoorschijn. Is er dan sprake van een ongeluk, moord of zelfdoding? Aan de politie om dat uit te zoeken.

Die woensdagochtend komen rechercheurs snel hun geüniformeerde collega’s te hulp. Het wordt een frisse dag, zo’n vijftien graden met een windje. Medewerkers van de brandweer halen om 8.55 uur het lichaam met een speciaal zeildoek naar boven. Een uitvaartbedrijf brengt het in een gesloten bak - een waterlijk kan behoorlijk stinken - naar het mortuarium van het VU-ziekenhuis. De schouwarts begint om 10.15 uur en concludeert in zijn rapport: ‘…onbekende man die een week of langer in het water heeft gelegen met onduidelijke doodsoorzaak’. De man is volledig gekleed maar heeft niets op zak, behalve een Amerikaans dubbeltje. Een haperend geluksmuntje? Of is hij Amerikaan?

Opties

In overleg met de officier van justitie komt er een sectie. Zijn gebit is ‘niet gesaneerd’ en in slechte staat. Later blijkt uit toxicologisch onderzoek dat zijn bloed resten heroïne, cannabis en genoeg kalmeringsmiddelen bevatte om hem heel suf te maken. De man is verdronken.

Rechercheurs doen navraag bij een krakersbolwerk aan het IJ. De Zeeheldenbuurt is in die tijd een vervallen wijk vol krakers en buitenlanders. Zomer 1996 is het net officieel afgelopen met het getippel door verslaafde vrouwen achter het verderopgelegen Centraal Station. Maar de nieuwe ‘afwerkplek’ in het havengebied vinden zij te ver, dus blijven de nodige verslaafden hangen bij het station. Is de man soms gestruikeld en in het water gevallen? Zijn gulp was dicht, dus hij was in ieder geval geen wildplasser. Is hij in het IJ geduwd? Bij een robbertje vechten met maten om geld of heroïne? Of, optie drie: is hij moedwillig gesprongen?

De officier geeft op 24 september het stoffelijk overschot vrij. Sinds 1992 gaan onbekende doden naar begraafplaats Sint Barbara, die verscholen ligt in het Amsterdamse Westerpark. De man krijgt van de gemeente een uitvaart en een graf op diepte drie, bovenin. Officiële sterfdag: 18 september 1996.

De dode heeft twee opvallende kenmerken. Op zijn rechterschouder prijkt een tatoeage van een haas die een joint rookt. In zijn linker wenkbrauw zit een piercing. De recherche vraagt informatie in piercing- en tattooshops. De man staat niet op de Nederlandse lijst van vermiste personen. Zijn foto en vingerafdrukken gaan naar andere politiebureaus, Interpol en de VS. Op 26 september volgt een bericht naar de media. Dat levert tien tips op, die loos blijken.

Wij zijn geen sociale gevallen. Wij werken allemaal. Onze kinderen ook.

Sylvie Delelis

De liberale reputatie van de hoofdstad trekt al eeuwen vrijbuiters. Lang niet iedereen weet er een succes van te maken. In de jaren tachtig heeft Amsterdam wel vijftig drugsdoden per jaar, vooral buitenlanders, omdat de heroïne zo zuiver is. Als het geen misdrijf is, wordt zo’n ‘zaak’ in een paar dagen gesloten. De recherche sluit op 8 oktober het proces-verbaal.

Noord-Frankrijk: bij de Ch’tis

De afgelopen jaren heeft de coldcase-afdeling van de politie Amsterdam 32 onbekende doden een identiteit kunnen geven. De dode man in de gracht bleek een Fransman - Laurent Delelis - die twintig jaar was vermist. Trouw reist naar zijn geboortestreek om zijn leven te reconstrueren. Wat voor iemand was hij?

In het dorpje Don, vlak over de Belgische grens bij Lille, wonen zo’n twaalfhonderd mensen. Dit is het departement Hoog-Frankrijk, ver weg van de Parijse elite. Verguisd als gebied van de Ch’tis: volgens de vooroordelen achterlijke, arme en humorloze binnenvetters die zo plat praten als hun omgeving is. Het weer zou er erbarmelijk zijn, reden te meer dat ‘iedereen aan de drank gaat’. De komedie ‘Bij de Ch’tis’ brak in 2008 alle Franse bioscooprecords.

Don is een typisch Ch’ti-dorp. “Tussen het station en ons huis kwam papa vier cafés tegen”, vertelt Sylvie Valenduc (56) thuis bij haar zus Doris Delelis (49) in het nabijgelegen Santes (5000 inwoners). De zussen van Laurent Delelis, die kwam bovendrijven in het water aan de Houtmankade, halen herinneringen op aan hun jeugd en peinzen over jaartallen. Dat blijkt na dertig jaar niet makkelijk.

Weduwe Doris woont met haar drie dochters in een nieuwe rijtjeswoning in de Rue du Général De Gaulle, aan het eind van het dorp. Vader Claude Delelis kwam de meeste avonden na zijn werk in een slagerij in Santes lam thuis in Don aangezwabberd. Moeder Marguerite zorgde feitelijk in haar eentje voor het gezin. Zij kocht de boodschappen van haar salaris als medewerkster in de enige dorpswinkel.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Het huis waar de familie Delelis opgroeide in het Noord-Franse Don. © TRBEELD

De kerk in Don heet simpelweg ‘Huis van God’. Er is de Donse jeu-de-boulesclub, en voilà, om de hoek is het ouderlijk huis van het gezin Delelis. “Toen mijn ouders het kochten was er geen water en geen binnentoilet”, zegt Doris.

Ja, de Ch’tis zelf hebben ook om de film kunnen lachen. Maar reagerend op de klassevooroordelen over hoge werkloosheid, stelt Sylvie trots: “Wij zijn geen sociale gevallen. Wij werken allemaal. Onze kinderen ook.” Sylvie is thuishulp, Doris werkt bij een traiteur, broer Eric bij een drukker. Broer Didier trad in het slagersspoor van zijn vader en werkt in een vleesfabriek.

Waar de Ch’ti-ge­meen­schap vroeger homogeen was, komen er in hun tienertijd nieuwe ‘rijken’ naar het dorp

Zeker, hun jeugd in de jaren zeventig en tachtig was arm. “We hadden geen fiets, geen brommer, geen zakgeld. We gingen niet uit. Onze vriendinnetjes kwamen uit datzelfde arme milieu. Alle vaders waren zo”, lacht Sylvie. Nu klinkt het lollig, dat was het niet. Onderhuids was er constant schaamte.

Of vader sloeg? Ze hebben er geen herinneringen aan. Kwaadaardig kon hij wel zijn. De oudste zoons protesteerden en zodoende kreeg de jongste het makkelijker. Moeder was degene die soms een klap uitdeelde. “Logisch als je in je eentje vijf kinderen opvoedt.” Die vijfde, de jongste, is moeders lievelingetje, haar chouchou Laurent.

De zussen beschrijven hem als een rustige, vriendelijke jongen. Vaak vinden ze ‘chouchou’ ’s ochtends in het ouderlijk bed, waar hij ’s nachts is ingeklommen. Laurent glimlacht makkelijk, maar is een binnenvetter, net als de hele familie. Hij is een volger, iemand die erbij wil horen.

Aanvankelijk haalt Laurent gemiddelde resultaten op school. “Zoals wij allemaal. Niet goed, niet slecht”, zegt Sylvie laconiek. Op de middelbare school - begin jaren tachtig - begint hij met spijbelen. De rapporten van het lyceum zeggen genoeg: hij doet voor veel vakken zijn huiswerk niet. ‘Hou op met die nonchalante houding’, schrijft een docent in 1990. Hij is dan achttien jaar. Zijn moeder ziet het met lede ogen aan. Wel haalt Laurent het vakdiploma mechanisch frezer.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Doris (rechts) en Sylvie Delelis, de overlevende zussen van Laurent, bekijken het politiedossier © TRBEELD

Flets geworden kleurenfoto’s komen op tafel. Laurent in zwart pak met vlinderstrik bij zijn communie, bij het zaklopen, met hond Yuki. Heel gewone gezinsfoto’s.

Waar de Ch’ti-gemeenschap vroeger homogeen was, komen er in hun tienertijd nieuwe ‘rijken’ naar het dorp. De zussen menen zeker te weten dat hun broertje via de zoon van de burgemeester met drugs is begonnen. “Die had geld.” Doris is nu nog altijd verbaasd, want hoe kom je in een gat als Don aan drugs? “Bizar.”

Doris heeft deze week vakantie. Af en toe staat een van de zussen op om haar jas aan te trekken: tijd om achter de glazen schuifpui in de achtertuin een zelfgedraaid sigaretje op te steken. Dan vertelt de ander verder. De oudste, Sylvie, neemt het voortouw. Zij was Laurents peettante.

In de schoolbankjes zitten is niet Laurent zijn sterke kant, maar hij is handig met techniek.

Sylvie trouwt op haar negentiende en focust in een ander dorp op haar eigen gezin. Ze vertelt over de tijd dat ze tijdelijk weer in Santes woont: “Mijn moeder had mijn voordeursleutel. Laurent pakte die ’s nachts en brak bij me in. Dan nam hij een briefje van honderd franc. Later vond ik het wisselgeld.”

Duinkerken: een mooie matroos

In de schoolbankjes zitten is niet zijn sterke kant, maar hij is handig met techniek. Hij werkt van 1991 tot 1993 bij de marine in Duinkerken. De havenstad die ooit door Nederlanders is aangevallen, bekoort hem. Het tuig in de masten dat rammelt in de haven, het klassieke stadhuis, de oude uitkijktorens. Aan de Kade van de Citadel is nog steeds het marinehoofdkwartier. Voor de deur dobberen een oude driemaster en het vuurrode lichtschip Sandietté dat aan een zware ketting bij een zandbank in Het Kanaal lag.

Tijdens de rit in haar Renault Clio naar haar moeder schiet zus Doris een anekdote te binnen: “We gingen op de nationale feestdag 14 juli kijken naar matroos Laurent die in het defilé meeliep in Duinkerken.” Het blauwe uniform met elegante kraag stond hem goed. Daaronder een blauwwit gestreept shirt. Op zijn hoofd de witte baret met rode pompon. “Echt mooi hoor”, zegt Doris, terwijl de ruitenwissers heen en weer glijden.

Laurent, de parfumdief

Waarom Laurent stopt bij de marine weet niemand. Vragen stellen ze niet bij de familie Delelis. Zo blijft ook onbesproken dat het zesde kindje, Philippe, in zijn badje verdronk toen hij anderhalf was. “Mamie was heel bescheiden. Eer was belangrijk voor haar. Wij omarmden elkaar nooit. We zeiden evenmin ‘ik hou van je’.”

Na de marine doemt een donker gat op voor Laurent. Hij trekt weer bij zijn ouders in. Niemand heeft in de peiling wanneer Laurent precies overstapt op harddrugs. Maar zijn vader weet dat hij verslaafd is. De man die zelf alcoholist is, komt niet verder dan dreigen: “Je gaat er nog aan sterven.” Nooit spreekt hij met zijn echtgenote over het drugsgebruik van hun zoon.

Laurent is 21 jaar, het is 1993. Hoe verder? Het jaar daarop bezorgt Sylvie’s man hem een baantje op zijn eigen werk: het logistieke centrum van cosmeticagigant Elizabeth Arden in Seclin. Op het bedrijventerrein wijst een beveiliger van vliegtuigbouwer Dassault naar de oude werkplek van Laurent. Het bedrijf is vertrokken.

In zijn eerste functie aan de receptie gaat het goed. Maar als hij doorschuift naar de expeditie is de verleiding te groot. Verslaving leidt tot geldnood. Laurent steelt zoveel parfum dat het opvalt. Binnen twee maanden staat hij op straat, zijn zwager met het schaamrood op de kaken achterlatend. Vanaf dat moment in 1994 weigert zijn vader met Laurent te praten.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Bij moeder Marguerite (links) in Annezin, die na het overlijden van haar man en van haar zus is gaan samenwonen met haar zwager. © Sander de Wilde

De vlucht naar Lyon

Dan verkast Laurent naar Lyon. De zussen denken dat hij zo met de verslaving wil breken. Maar een geografische vlucht is zelden succesvol. Zeker niet als je zevenhonderd kilometer verderop gaat samenwonen met een drugsmaat uit je dorp. Hun studio is in het centrum, vlakbij het punt waar de groene Rhône samenvloeit met de Saône. Laurent werkt een jaar in de vrachtwagenfabriek van Renault. Tegen zijn chef zegt hij dat hij wil stoppen met drugs maar dat ‘de dealers aan de fabriekspoort komen om het gratis aan te bieden’.

Ik wilde niet dat iedereen wist dat Laurent gebruikte.

Marguerite Delelis

Als hij te vaak niet komt opdagen, vliegt hij de laan uit. Daarna heeft hij tijdelijke baantjes en lapt moeder af en toe voor de huur. Tweemaal betaalt ze een ontwenningskuur.

Begin 1995 haalt Laurent in het noorden nog een diploma voor vorkheftruckchauffeur. Toch gaat het onomkeerbaar bergaf. Bij een bezoek in Don is het mamie die Laurent en zijn maten betrapt als zij heroïne spuiten in de slaapkamer. “Hij was thuis om op zijn inwonende oma te passen”, vertelt moeder Marguerite Delelis (81) thuis in Annezin, op zo’n drie kwartier rijden van Doris. Woedend jaagt ze de mannen naar buiten. Ze is geschokt. Maar over wat ze zag, zwijgt ze als het graf.

Marguerite Delelis herinnert zich dat de gemeente Don een voorlichtingsbijeenkomst voor ouders over drugs organiseert. Maar in het dorp kent iedereen iedereen. Haar eergevoel verlamt haar. Voor geen goud wil zij daar gezien worden! “Ik wilde niet dat iedereen wist dat Laurent gebruikte.” Dochter Doris schiet haar te hulp: “We speelden allemaal struisvogel, de kop diep in het zand.”

Mamie Delelis woont alweer achttien jaar samen met haar ex-zwager. Zo wit en leeg als het huis van Doris is, zo vol en gekleurd is het hier. Overal beeldjes, bloemen, foto’s in lijstjes, een deurpaneel van roze fluweel. Tonton (oompje) Claude Couvreur doet zijn best om verstaanbaar Frans te spreken. Maar zijn patois, het lokale Ch’ti-dialect is te sterk. Doris moet tolken.

1996, vermist

Juli 1996 komt het tot een escalatie in huize Delelis. Vader ligt op sterven, slokdarmkanker. Alle drank, alle pakjes sigaretten doen hem nu de das om. Op verzoek komt Laurent naar huis. Hij schokt iedereen door niet naar het ziekenhuis te gaan, maar direct zijn oude drugsmaten op te zoeken.

Broer Eric is de enige die hem ooit confronteert. Hij zet Laurent tegen de muur: “Je blijft hier tot na de begrafenis. Voor mamie.” Zus Doris beseft pas dan hoe serieus het probleem is. Sylvie vangt Laurent boven op: “We huilden allebei, lang en veel. Hij was zo ongelukkig. Stoppen met heroïne lukte niet. Hij wist zich geen raad.” Ze belooft dat het gezin alles zal doen om hem te helpen. “Maar nu gaat het om papa.”

Laurent blijft na de uitvaart nog twee weken bij zijn moeder. Meestal is hij de hort op. Een familie-interventie komt er niet. Het verdriet, de onmacht is te groot, de stilte te diep. Dan vertrekt hij weer naar Lyon, alleen.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Het familiegraf van de familie Delelis, waarin Laurent na zijn identificatie werd bijgezet. © TRBEELD

Begin september krijgt moeder Delelis een zorgwekkende brief van een dokter. ‘Laurent is depressief en lichamelijk in heel slechte staat. Hij wil weg uit Lyon’, schrijft de arts. Een week later komt er bericht van de Franse spoorwegen. In Parijs is zijn portefeuille met identiteitspapieren gevonden. Het voorspelt weinig goeds.

De familie staat voor een serie nieuwe raadsels. Wil Laurent hen niet meer zien?

Moeder Delelis krijgt regelmatig boetes voor zwartrijden in het openbaar vervoer van Laurent thuisgestuurd. Zo weet ze allang dat hij naar Parijs, Brussel of Amsterdam gaat om drugs te scoren. De bezorgde weduwe probeert nu van alles om hem op te sporen. Met haar dochters gaat ze een weekend naar Lyon. De huisbaas wil huurgeld. De gemeubileerde studio ligt er verlaten bij en ze nemen de weinige spulletjes van Laurent mee. Ze belt naar de rechtbank in Lille, of hij daar soms gevangen zit. Ze belt naar de vereniging van vermisten. Ze gaat naar de gendarmerie. Ze belt het Franse consulaat in Nederland. Ze belt de Franse Telecom om erachter te komen naar wie hij belde in het buitenland.

De familie staat voor een serie nieuwe raadsels. Wil Laurent hen niet meer zien? Is hij bij een sekte gegaan? Ergens ver weg een nieuw leven begonnen?

2011, Amsterdam: onbekend maar niet vergeten

Op begraafplaats Sint Barbara, in het Westerpark, graven medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut in de zomer drie dagen onbekende doden op, zes à zeven per dag. Een nieuwe wet stelt dat van alle onbekende doden DNA moet worden afgenomen. Rechercheurs Carina van Leeuwen en Willem Doorn van het coldcase-team van de politie Amsterdam hebben zich ingezet voor extra budget om ook tientallen oudere onbekenden te exhumeren. De pvc-zakken waarin elk lijk ligt, hebben voorkomen dat het weefsel is vergaan. De experts treffen daarom vooral beige smurrie aan.

Op 9 juni wordt de man met de tatoeage van de hasj rokende haas op- én herbegraven. Hij komt achterin te liggen, bij de nieuwe afdeling onbekende overledenen uit alle windstreken. Het kleine zwarte bordje vermeldt slechts zijn geslacht en de datum van overlijden: 18 september 1996.

2016, Zoetermeer: een match in de databank

Eind 2015 stuurt het coldcase-team vingerafdrukken van veertig onbekenden naar de landelijke politie-eenheid in Zoetermeer. Dactyloscoop Liesbeth Rensen haalt ze door de nationale Havank-database en stuurt ze de wereld over. Elf Europese landen hebben sinds 2005 afgesproken informatie uit databanken met vingerafdrukken en DNA uit te wisselen.

Groot is de vreugde in Zoetermeer en bij het team in Amsterdam als in februari de politie van Lyon reageert. Er is een match gevonden. Dit is waar de rechercheurs het voor doen. Eén onbekende dode minder. De man met de haas-tatoeage heeft op 3 september 1996 in Lyon een auto gestolen. Hij was een 25-jarige Fransman. Zijn naam: Laurent Delelis.

2016, Noord Frankrijk: Laurent komt thuis

Na twintig jaar bellen gendarmes aan bij het bont ingerichte rijtjeshuis van moeder Delelis. Tonton belt de kinderen, daartoe is mamie niet in staat.

Moeder Delelis wil Laurent niet in Amsterdam laten, geen sprake van. En zo komt het dat Doris op maandagochtend 11 april in haar oude Clio met broer Didier (53) naar Amsterdam rijdt. Voor de laatste keer erop uit om haar kleine broertje te zoeken.

Dankzij een vergunning mag de urn de volgende morgen al mee terug naar Frankrijk

Ze zijn als prinsen ontvangen, is de herinnering. De kleine rechercheur Van Leeuwen en haar grote collega Doorn nemen het stel mee naar Sint Barbara. Doris: “Ik dacht dat iedereen bij elkaar was gegooid, maar het is daar heel mooi.” Daarna gaat het naar de Houtmankade waar Laurent een leven geleden kwam bovendrijven.

De rechercheurs geven via een collega die Frans spreekt uitleg over ‘het ongeluk’, zoals de familie het noemt. In Uitvaartcentrum Zuid ligt Laurent opgebaard. Het is inmiddels zijn derde kist. Na al die verhalen over de grote stad valt Amsterdam de Ch’tis reuze mee. ’s Avonds maken zus en broer een rondvaart door de grachten. De politie roemen zij: ‘Excellent’.

Tekst loopt door onder de afbeelding

© TRBEELD

Dankzij een vergunning mag de urn de volgende morgen al mee terug naar Frankrijk. “We moesten een paar uur langer wachten om de as te laten afkoelen”, zegt Doris. De rekening van 2500 euro komt als een klap na. In Don wordt het familiegraf aan de voorkant geopend, de urn bijgezet.

“Dit is het mooiste werk dat er is”, zegt rechercheur Van Leeuwen in 2018.

2018, Noord-Frankrijk: de Ch’tis gaan praten

Op het roze marmer van het familiegraf in Don is de naam van Marguerite al gegraveerd. Onder haar man en boven Laurent.

Tonton wil Marguerite beschermen door elk gesprek over Laurent af te kappen. Moeder heeft na een zwaar huwelijk nu de gezellige vent die ze verdient. Maar het is wéér een partner met wie ze niet kan praten over dat grote gat in haar hart. Destijds vroeg ze zich in gedachten vaak af: “Wat kan ik doen voor Laurent?” Later hield ze zich op de been met deze gedachte: “Als hij zelfmoord had gepleegd, had iemand hem gevonden”.

Ook nu zegt ze weinig, maar de tranen rollen over haar wangen. Doris en Tonton zitten naast haar. Niemand pakt haar hand. Dan flapt ze eruit dat ze prozac gebruikt. Hebben de antidepressiva ook de Ch’tis bereikt? “Ik ben nu op een heel kleine dosis.”

Vader en zoon blijken uiteindelijk binnen zes weken gestorven, allebei aan hun verslaving.

Al die twintig jaar dacht Marguerite: waar is Laurent, wat doet Laurent? Ze huilt weer geluidloos en verontschuldigt zich: “Zo is mijn karakter. Ik kan geen emoties tonen. Het was zó moeilijk toen de gendarmes na twintig jaar aanbelden.”

Vader en zoon blijken uiteindelijk binnen zes weken gestorven, allebei aan hun verslaving. Triest, concludeert Sylvie. “Laurent blijft mijn broer”, besluit zij. De zussen beseften hoe het verhaal zou aflopen. “Toen ik het hoorde, had ik al gerouwd”, zegt Doris. “Ik kon mij twintig jaar op Laurents dood voorbereiden.”

Toch was het nieuws uit Amsterdam voor iedereen een grote opluchting. “Nu weten we tenminste iets omtrent zijn dood en kunnen we naar zijn graf”, zegt Doris. Moeder Marguerite had het liever eerder geweten. “Overal op straat zocht ik Laurent, als een mix van zijn oudere broers.”

Op de eettafel legt Doris een stapel oude documenten van Laurent. Ineens duikt hier, driehonderd kilometer verder, een bijzonder voorwerp op uit Amsterdam: het bordje dat jarenlang op het graf van Laurent stond. Het bordje met de tekst ‘Onbekende Overledene’, 18 september 1996. Een bordje zoals er nu nog dertig staan op Sint Barbara.

Het is formidabel dat Laurent gevonden is, meent Tonton in het bloemenhuis. Er is rust. Tegenwoordig praten ze een tikkeltje meer met elkaar. Het heeft ons goed gedaan om het verhaal te vertellen, concludeert Doris. Wil Mamie misschien nog wat toevoegen? Haar lip bibbert: “Hij was geen slechte jongen.”

Lees ook: Onbekende doden worden steeds vaker geïdentificeerd, soms nog na decennia

Eén huidcel is nu genoeg om een DNA-profiel te genereren. Dankzij die verbeterde techniek kan ook van hen die decennia geleden het leven lieten de identiteit achterhaald worden. 

Deel dit artikel

De man is volledig gekleed maar heeft niets op zak, behalve een Amerikaans dubbeltje.

Wij zijn geen sociale gevallen. Wij werken allemaal. Onze kinderen ook.

Sylvie Delelis

Waar de Ch’ti-ge­meen­schap vroeger homogeen was, komen er in hun tienertijd nieuwe ‘rijken’ naar het dorp

In de schoolbankjes zitten is niet Laurent zijn sterke kant, maar hij is handig met techniek.

Ik wilde niet dat iedereen wist dat Laurent gebruikte.

Marguerite Delelis

De familie staat voor een serie nieuwe raadsels. Wil Laurent hen niet meer zien?

Dankzij een vergunning mag de urn de volgende morgen al mee terug naar Frankrijk

Vader en zoon blijken uiteindelijk binnen zes weken gestorven, allebei aan hun verslaving.