Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Historische musea moeten concurrentie met kunstmusea aangaan

Home

MATHIJS SMIT

Een donkere, trillende schuilkelder waarin je kunt meemaken hoe het was tijdens een bombardement op Londen in de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse historische musea zouden een voorbeeld moeten nemen aan de drastische vernieuwing die hun Engelse collegas hebben doorgevoerd. Mathijs Smit, historicus en rondleider in een aantal Amsterdamse musea, over de enorme belangstelling voor megatentoonstellingen als die van Vermeer en de veel magerder interesse voor andersoortige musea.

De wortels van deze museale trend liggen in New York. Het legendarische succes van de Picasso-tentoonstelling in het Metropolitan Museum in 1980 zette museumdirecties over de hele wereld aan om ook dergelijke mammoet-tentoonstellingen te organiseren. In Europa bereikte de trend dit jaar een nieuw hoogtepunt met tentoonstellingen van het werk van Cézanne, Degas en William Morris in Londen, Jean-Baptiste Corot en Cézanne in Parijs, Goya in Madrid, Alberto Giacometi in Edinburgh en natuurlijk Vermeer in het Mauritshuis in Den Haag.

Uniek

Allemaal unieke tentoonstellingen, die stuk voor stuk honderdduizenden bezoekers trokken. In principe valt er weinig op dergelijke exposities aan te merken. Ze lijken een enorme belangstelling van zowel het publiek, de media als de sponsors te garanderen, dus is het geen wonder dat de museumdirecties er brood in blijven zien. Of het bezoek van deze mega-manifestaties het begrip en het genot van het tentoongestelde werk vergroot, is nog maar de vraag, maar dat is een afweging die iedere bezoeker voor zichzelf moet maken. Zolang de bezoekers blijven komen, zullen dergelijke exposities blijven bestaan. En daar is niets op tegen.

Aan de andere kant lijken de kunst-hypes te leiden tot een zekere culturele vervlakking. De overvloedige belangstelling van het publiek en de media gaat hoe dan ook ten koste van andersoortige musea. Met de regelmaat van de klok waarschuwen museumbonzen als Jan Vaessen, directeur van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, dan ook tegen de verwaarlozing van de historische en volkenkundige musea. Deze verwaarlozing heeft zich zelfs doorgezet in het eigen beleid van enkele regionale musea, die zich steeds sterker met hun kunstverzamelingen profileren, ten koste van hun cultuurhistorische collecties, zoals de Raad voor Cultuur eerder dit jaar in haar advies aan staatssecretaris Nuis constateerde.

Laagdrempelig

Sommigen verklaren de voorkeur voor kunstmusea vanuit hun laagdrempeligheid. Zo beweerde een museumconsulente vorig jaar in het Historisch Nieuwsblad dat kunst gemakkelijker door de media te vangen is dan geschiedenis. Want “aan kunst kun je je vergapen”. Dat is een onzinnig argument. Je mond kan net zo ver open vallen van een historisch voorwerp, als van een schilderij of sculptuur. Ook het argument dat een kunstwerk 'mooier' is dan een cultuurhistorisch object lijkt niet meer op te gaan, sinds er toiletpotten worden tentoongesteld en er met stront geschilderd wordt.

Wat is dan wel de reden van de verwaarlozing van de cultuurhistorische musea? Het is mijn stellige overtuiging dat dit niet komt door een gebrek aan aandacht bij het publiek voor dergelijke onderwerpen, maar door het ontbreken van stimulans om deze belangstelling om te zetten in een daadwerkelijk museumbezoek. Het verwijt aan de media deze stimulans niet te bieden, is gedeeltelijk terecht, maar ook enigszins hypocriet. Waarover zou de media moeten berichten, als er maar nauwelijks iets interessants gebeurd? Dat hebben de kunstmusea met hun mega-exposities veel beter begrepen dan hun historische tegenhangers.

Kortom: cultuurhistorische musea moeten meer energie steken in de concurrentie met kunstmusea. Dat kan door aansprekende onderwerpen, enthousiaste en onderlegde rondleiders, goede marketing en de organisatie van once-in-a-lifetime tentoonstellingen. Maar dat alleen is niet genoeg. Meer dan alles is het noodzakelijk dat, in plaats van het vergroten van aankoopbudgetten en bouw van nieuwe depots, historische musea hun geld steken in een drastische vernieuwing van hun 'prehistorische' presentaties.

Loopgraaf

In Engeland is men al ver met het 'updaten' van de tentoonstellingen. Het Imperial War Museum biedt de Blitz-experience: een donkere, trillende schuilkelder waarin je kan meemaken hoe het was tijdens een bombardement op Londen. Ook is er een loopgraaf uit de eerste wereldoorlog nagebouwd, waarin iets van de verschrikking wordt overgebracht. Je hoort de soldaten praten, en de bulderende kanonnen in de verte. Zelf de stank is nagebootst. Het National Maritime Museum heeft onlangs een fascinerende interactieve galerij geopend, waarin je onder meer met computersimulaties kanonnen kunt afvuren op schepen, en kunt proberen met een grote olietanker de haven uit te varen, zonder in aanvaring te komen met andere schepen. Een woordvoerder van het Londense Natuurhistorisch Museum, dat vorige maand haar Earth Galleries introduceerde, liet voor de BBC camera's weten dat het museum zich zeer wel bewust is van de concurrentie van de televisie, pretparken, computerspelletjes, bioscopen etc.: “Als wij de bezoekers niet geven wat ze willen, gaan ze ergens anders heen”.

Weggestopt

In Nederland lijkt er van een dergelijk bewustzijn maar nauwelijks sprake te zijn. De presentaties in onze cultuurhistorische musea blijven dan ook ver achter bij hun Engelse collega's. In enkele opstellingen zie je voorzichtig touch-screen computers verschijnen. Maar daar blijft het meestal wel bij. Bovendien worden de mogelijkheden daarvan in veel gevallen onvoldoende benut, ofwel door een ongeïnspireerde programma-samenstelling, ofwel doordat de installaties geen deel uitmaken van de expositie, maar in een hoekje zijn weggestopt.

Veel wordt in Nederland verwacht van de zogenaamde 'levende geschiedenis'. Verklede figuren te laten vertellen over de opstelling is een creatieve en redelijk effectieve manier van presenteren. Maar het is ook tekenend voor de instelling van de museumdirecties, die voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. De 'levende historische figuren' zijn meestal vrijwilligers. Men is nog niet bereid (of in staat) serieus te investeren in een daadwerkelijke vernieuwing van de presentatie.

Stilte

Een ander element dat het creëren van nieuwe opstellingen in de weg staat, is de vrees dat musea zullen veranderen in speelplaatsen, waarin er geen plaats meer is voor stilte, ontroering en contemplatie. Wie musea ziet als twintigste- eeuwse substituten voor kerken, wil dat graag zo houden. Maar een dergelijke omschrijving zou ook een waarschuwing kunnen zijn. Als de Nederlandse musea er niet in slagen met hun tijd mee te gaan, en hun opstellingen aantrekkelijker te maken, zal de komende generatie er haar belangstelling voor verliezen. Onlangs waarschuwde de schrijver Arnon Grunberg zijn collegas in NRC Handelsblad: “Wanneer een romanschrijver, of degene die daarvoor wenst door te gaan, beweert: lezen is een intellectuele activiteit en de betovering, de vervoering en de tranen laat ik over aan Walt Disney, MGM en Joop van den Ende, dan zullen toekomstige generaties hem in het vagevuur vragen, 'waar was jij toen wij betoverd wilden worden, er was alleen MGM, Joop van den Ende en Walt Disney, wij hadden geen andere keus'.”

Een vergelijkbare waarschuwing kan gericht worden aan onze musea.

Deel dit artikel