Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hij heeft zijn tijd gehad

Home

Matthias Smalbrugge

Matthias Smalbrugge wil geen flauwe afrekening, en al evenmin een eindeloze klaagzang. Maar dat het protestantse geloofsgoed aan grondige revisie toe is, staat voor hem vast. Helemaal in 2009, het jaar van Calvijn.

Uitentreuren hebben we in dit nog zo jonge Calvijnjaar al moeten horen dat het helemaal niet erg is om calvinistisch te zijn. Volgens premier Balkenende moeten we er zelfs trots op zijn. Want ook al hebben Calvijn en het calvinisme een slechte naam, in feite gaat het om een modern man met nog steeds actuele denkbeelden. Calvijn was een rationele denker, horen we, die argumenten zocht om zijn gelijk te halen en die democratisch wilde besturen. Wat willen wij nog meer? En wie nog twijfelt aan de positieve waarde van het calvinisme kan zijn C-factor testen. Zelfs als je alle geloof hebt afgezworen, zelfs als je katholiek bent tot in je laatste vezels – dan nog ben je ten diepste een calvinist. Zo gaat dat in Nederland. Geloof kun je achter je laten, Calvijn niet.

Toch zijn er zeer goede redenen om deze reformator niet als tijdgenoot te willen zien. Vooral niet. Natuurlijk, je kunt aardige elementen uit zijn gedachtegoed halen en daarmee je voordeel doen. Maar au fond is Calvijns erfenis zeker niet onbeladen. ’s Mans bijdrage was lang niet zo positief als menigeen suggereert.

Of het nu gaat om het democratische gehalte van de samenleving, de rol van de rede in maatschappij en geloof, de omgang met bezit – het is tijd dat we Calvijn achter ons laten. En dat geldt bij uitstek voor zijn mens- en godsbeeld.

Let wel, ik beoog geen zoveelste afrekening met het traditionele geloofsgoed. Niet de flauwe kritiek van Maarten ’t Hart, niet de zoveelste klaagzang van gefrustreerde babyboomers, noch de vraatzucht van de theologische rupsjes-nooit-genoeg. Integendeel.

Het gaat mij erom dat de protestantse traditie de eigen blinde vlekken in kaart zou moeten brengen. Deze blinde vlekken hebben waarschijnlijk evenveel bijgedragen aan de kerkverlating als de secularisatie. Om het scherp te stellen: een geloofstraditie die meent een mensbeeld te kunnen handhaven dat in essentie haaks staat op dat van de samenleving, zal snel verschrompelen tot een irrelevante factor.

Nee, dit is geen pleidooi om geheel op te gaan in alles wat de samenleving biedt. Wel is het een betoog om mensen niet van zichzelf te laten vervreemden als zij de gang van het geloof gaan. Want dat is wat nu gebeurt. Loop een protestantse kerk binnen en je hoort spreken over de mens op een wijze waarin geen buitenstaander zich zal herkennen. Met dank aan Calvijn.

Ooit kon je nog zeggen dat het evangelie kritisch hoorde te kijken naar de samenleving, dat er een afstand diende te zijn tussen het Woord Gods en de woorden van mensen, dat wereldgelijkvormigheid geen pas gaf. Die tijd is voorbij. Het is nu ofwel overleven door aansluiting te zoeken, ofwel verdwijnen. Wil je het eerste, dan zul je je moeten ontdoen van de erfenis van Calvijn en voor een ander protestantisme moeten kiezen.

Ik neem mijn uitgangspunt in Frankrijk, om precies te zijn in de jaren 1528-1530. Koning is dan François I. Een humanist, liefhebber van kunst en letteren. Hij is de man die Leonardo Da Vinci naar Frankrijk haalde, de Mona Lisa onder zijn arm, en hem liet beginnen aan de bouw van Chambord. Tevens is hij de man die het belang onderkent van een centraal gezag en daar de eerste grote aanzetten toe geeft. Henri IV en Louis XVI zullen daar later dankbaar op voortbouwen.

In die paar bijzondere jaren van de vroege zestiende eeuw verblijven er drie mannen in Parijs die elk op eigen wijze hun stempel zullen drukken op de Europese cultuur en het gezicht ervan duurzaam zullen bepalen: François Rabelais, Ignatius van Loyola en Johannes Calvijn.

De grote schrijver, arts en franciscaan Rabelais was wellicht niet zonder sympathie voor het beginnend protestantisme, maar koos uiteindelijk een volstrekt andere richting. Hij werd de man die op weergaloze wijze onsterfelijke figuren schiep als de reuzen Pantagruel en Gargantua. Giganten die altijd honger hadden en wier begeerte vooral de onlesbare dorst van de Renaissance weerspiegelt naar kennis en cultuur.

Rabelais was een scherpzinnig observator van zijn tijd, die de bestaande kaders wist te doorbreken. Hij haalde zich de toorn van de Sorbonne op de hals, maar kon toch doorschrijven dankzij het plezier dat de koning aan zijn boeken beleefde.

Rabelais vertegenwoordigt een traditie waarin kennis, schoonheid, kunst en macht centraal staan. Voor die invalshoek zal Frankrijk kiezen. Frankrijk prefereert een cultuur waarin geloof niet de ruggegraat is. Daarom zal dit het eerste land zijn waarin uiteindelijk de rol van de religie gemarginaliseerd zal worden, waar het atheïsme zijn eerste stappen zal zetten, en waar de rechten van de mens geformuleerd zullen worden.

Met de keuze voor Rabelais neemt Frankrijk afstand van de twee andere hoofdrolspelers van dat moment, Ignatius en Calvijn. Zij worden terzijde geschoven als de extremen.

Ignatius, stichter van de orde der jezuïeten, is de strenge asceet. Hij is de man die zich met hart en ziel inzet voor de Contrareformatie. Bewust werkt hij, na de eerste successen van de Reformatie, aan de comeback van de rooms-katholieke kerk. Hij smeedt een priestercorps dat op briljante wijze de strijd met de hervormers kan aanbinden. Het bestaat uit mannen die elk debat aankunnen, die op elk niveau kunnen meepraten, die niet vies zijn van macht en die weten dat religie en macht elkaar soms nodig hebben. Het is deze traditie die in Zuid-Europa vaste voet aan de grond zal krijgen, maar op Frankrijk en op de noordelijke protestantse landen geen greep krijgt.

Zeker, in Frankrijk zullen de jezuïeten grote successen boeken in de strijd tegen Port Royal, de katholieke stroming uit het midden van de zeventiende eeuw die een haast protestantse strengheid en geloofsbeleving kent. Maar zij zullen ook onder druk van de Franse koning in 1773 worden opgeheven. De nazaten van Ignatius vertegenwoordigen de traditie waarin geloof en staat op nauwe wijze met elkaar verbonden zullen zijn. Waarin de winst van de Contrareformatie ook in politieke zin zal worden binnengehaald.

In de Nederlanden krijgt juist de calvinistische stroming vaste voet aan de grond. Volgens deze traditie moet de mens zich als zondig schepsel in het zweet werken. Toch moet hij steeds horen dat hem dit allemaal niet zal baten. Dat al het gesloof wel ter ere is van God, maar dat die er uiteindelijk toch geen boodschap aan heeft. Hij heeft al bepaald wat en wie hij wil, en de menselijke inspanningen zijn voor hem irrelevant.

Daarom werden calvinisten harde werkers en succesvolle zakenlieden, die toch niet durfden te genieten van de winst en de rijkdom. Ze bezitten veel, maar vooral een groot schuldgevoel. Het was dit geloof dat zich uiteindelijk uitbreidde naar de nieuwe wereld. Ook Barack Obama is lid van een kerk die stamt uit de calvinistische traditie.

Het mensbeeld van Calvijn is, zoals gezegd, niet erg optimistisch. Zie de beroemde karakterisering van de mens als „onbekwaam tot enig goeds en geneigd tot alle kwaad”, die zo prominent figureert in de calvinistische Heidelberger Catechismus. Waar haalde Calvijn dit sombere beeld vandaan?

Zelf dacht hij zich vooral op kerkvader Augustinus te kunnen beroepen. Ten onrechte. Augustinus keek met veel meer subtiliteit, compassie en diepgang naar de mens. Kern was voor Augustinus de kwestie waar het kwaad nu eigenlijk vandaan komt. Hoe komt het dat een mens dingen doet die hij eigenlijk niet wil? Dat is weliswaar een citaat van Paulus (Romeinen 7:15), maar het is ook een cliché uit de Oudheid. Ovidius schreef in zijn ’Metamorfosen’ al dat hij het betere zag en ermee instemde, maar gevolg gaf aan het slechtere.

Zowel in het christelijk geloof als in de niet-christelijke cultuur is het kwaad een duister, ongepeild, vermoeden. Zit het gewoon in onze natuur en kleeft daarom de banaliteit van het kwaad ons allemaal aan?

Die vraag is ook voor ons, mensen van na de Tweede Wereldoorlog, onvermijdelijk. Zie het werk van Hannah Arendt, van Rüdiger Safranski, van Susan Neiman. Of zie de vorig jaar verschenen geruchtmakende roman ’De welwillenden’ van Jonathan Littell.

Deze vraag heeft Augustinus zijn hele leven vergezeld. Jarenlang meent hij dat het kwaad inherent is aan de menselijke natuur. Dat het wezen van de mens als het ware uit een goed en een kwaad deel bestaat. Later neemt Augustinus afstand van die opvatting. Nog steeds ervaart hij de mens als een verdeeld wezen, maar zijn begrip van de tragiek van de mens neemt toe. Hij situeert het kwaad niet langer in de menselijke natuur, maar in een onvermogen van de wil om op sommige momenten anders te doen dan hij doet.

Sterker nog, hij beseft dat je begrip moeten hebben voor een dubbele ontoereikendheid. Enerzijds is het onmogelijk de mens te rechtvaardigen en het kwaad uit hem weg te schrijven, anderzijds is het evenmin mogelijk God te rechtvaardigen. Wat God doet heet recht, maar wij begrijpen de grond van dat recht niet. Er is een driehoekig verband dat loopt tussen het kwaad, de mens en God. Maar je kunt er geen gesloten systeem, geen theodicee van maken.

Dat nu kenmerkt Augustinus’ grootheid: dat hij het kwaad niet heeft willen bagatelliseren, en evenmin heeft willen situeren in het wezen van de mens. De mens moet weten dat zijn bestaan rust in het goede, dat zijn leven hem gegund is als goede gave, niet als iets waarbij je je steeds moet afvragen of je wel verdient wat en wie je bent, omdat je uiteindelijk het kwaad in je wezen draagt. Kwaad waarin je steeds weer verdrinkt, dat je steeds achterhaalt.

Volgens Augustinus maakt het kwaad geen deel uit van de gegeven werkelijkheid. Het bestaat niet objectief en het lag niet van den beginne af aan in de werkelijkheid besloten. Het kwaad ontstaat als gebrek.

Dit subtiele onderscheid – de mens is niet van nature slecht, maar handelt vanuit een gebrek dat zichtbaar wordt in de ontoereikendheid van de wil – ging verloren bij Calvijn. Bij hem wordt de mens nu juist wel een van nature verdorven wezen. Je kunt het lezen in zijn ’Catechismus’ en in zijn ’Institutie’.

Natuurlijk, Calvijn blijft zeggen dat de mens volmaakt is geschapen en dat de zondeval de oorzaak is van alle kwaad. Toch wordt het kwaad definitief deel van het menselijk wezen. Een diepere laag is er niet. Zoals Calvijn zegt: „Een mens is zoals hij is niet slechts door de gebreken van zijn gewoonten, maar vooral door de verdorvenheid van zijn natuur.”

Het gaat dus niet meer om een mens in wie de tragiek van het tekortschieten zichtbaar wordt, maar om een mens die het kwaad binnen in zich draagt. Waarbij het eigenlijk niet eens meer zo belangrijk is dat die natuur blijkbaar door de zondeval wezenlijk kan veranderen.

Calvijn is het keerpunt. Eeuwenlang heeft hij heeft de protestantse kijk op het kwaad bepaald. Sinds Calvijn geldt de menselijke natuur als volstrekt verdorven. Het is om die reden dat we er hier nog steeds niet in slagen moderne denkbeelden te integreren in de theologie. Wij zitten met een theologie die het debat met de cultuur ten diepste niet aankan.

Als Hannah Arendt schrijft over het proces tegen Eichmann en aan dat verslag de ondertitel geeft ’A Report on the Banality of Evil’, dan is zij zich volkomen bewust van het feit dat zij stelling neemt in het oude debat over de oorsprong van het kwaad. Niet toevallig had ze al over Augustinus gepubliceerd (’Love and St. Augustine’). Uiteindelijk is het kwaad volgens haar banaal. Let wel, daarmee banaliseert zij geenszins de omvang en diepte die dat kwaad heeft gehad. Wel wil ze duidelijk maken dat we geen sluitende verklaring voor het kwaad kunnen geven als we het situeren in het wezen van de mens.

Het calvinistisch protestantisme kan daarin niet meegaan. Of het nu gaat om een traditionelere theoloog als Bram van de Beek of om een vrijzinnig geleerde als Eginhardt Meijering – beiden omarmen de stelling van de zondige menselijke natuur.

Zouden we toch iets van Frankrijk kunnen leren? Van de traditie van Rabelais, tegen wie Calvijn fel tekeerging?

In Frankrijk betoogde de protestantse wijsgeer Paul Ricoeur (1913-2005) dat het er bij het vraagstuk van het kwaad juist om gaat te zoeken naar het goede wezen van de mens. Er bestaat dus een protestantisme dat Calvijn voorbij is. Een protestantisme dat afscheid neemt van de wezenlijke slechtheid van de mens.

Als we Ricoeurs lijn zouden volgen, dan zou dat ons eindelijk aansluiting geven bij de hedendaagse spiritualiteit. Over die moderne geloofswegen wordt van kerkelijke zijde dikwijls wat schamper gesproken. Daar zou alleen maar positivisme worden gepredikt. Maar dat is niet de kern. Die schuilt in het feit dat als geloof, hoop en liefde tot het schone behoren, het tijd wordt die krachten tot het goede van de mens te bestempelen.

Inderdaad, dat goede kan perverteren. De zondeval kan ieder moment weer de kop opsteken. Elke hoop kan verworden tot blind idealisme en stomme ideologie. Liefde kan veranderen in slaafse afhankelijkheid. Maar de mens leeft wezenlijk vanuit het goede.

Pas als je dat beseft, kun je het kwaad in hem bestrijden, omdat hij niet wordt teruggebracht tot een wezen dat au fond geen andere mogelijkheid heeft. Dan is de mens niet langer op God aangewezen om gered te worden, maar kan hij God liefhebben om niets. Hij is niet langer een afhankelijk wezen dat altijd terugvalt in zijn zwakte en dat God nodig heeft om uit de drek getrokken te worden. God wil niet nodig zijn. Anders is geloof geen geloof, maar een belang.

Dietrich Bonhoeffer wilde al dat geloof ging over de kracht van de mens, niet over zijn zwakte. Over zijn glorie, niet over zijn feilen.

Hoog tijd derhalve om Calvijn definitief vaarwel te zeggen. Anders blijft de kloof met de hedendaagse cultuur onoverbrugbaar. En we hoeven waarachtig niet te hopen dat enige marketingtruc het protestantisme nog uit de brand helpt. Ook het katholicisme – zie de laatste capriolen van het Vaticaan in de kwestie rond bisschop Williamson – kan niet meer terug naar de tijden van weleer.

De extremen, Ignatius en Calvijn, hebben echt hun langste tijd gehad. Het gaat om een geestelijk reveil. Mét Rabelais, zónder Ignatius, zónder Calvijn. 2009 is daar een mooi jaar voor.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie