Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het zwijgen van Geerten Gossaert

Home

door Jaap Harskamp en Reinier Salverda

Van de dichter Geerten Gossaert, alias F.C.Gerretson, was tot nu toe alleen de beroemde bundel ’Experimenten’ bekend.

Jaap Harskamp en Reinier Salverda deden onlangs een opmerkelijke ontdekking: hij publiceerde nóg twee dichtbundels, onder een ander pseudoniem. Waarom hield Gerretson dit zelfs voor zijn naaste omgeving geheim?

Dit najaar verscheen in de serie Nederlandse Klassieken een nieuwe editie van Geerten Gossaerts beroemde bundel ’Experimenten’ (1911), bezorgd door Jaap de Gier. Kenmerkend voor Gossaerts gedichten zijn het grote verstechnische raffinement, de bijbelse en klassieke onderwerpen en de vaak archaïsche stijl. Met de ’bezielde retoriek’ van deze experimenten zocht Gossaert aansluiting bij niet alleen de dichterlijke traditie die van Gezelle via Bilderdijk en Vondel teruggaat tot de middelnederlandse poëzie, maar ook bij bewonderde buitenlandse voorbeelden als Swinburne en Baudelaire. De nadruk op de beheersing van de versvorm markeert tegelijk Gossaerts afstand tegenover de Tachtigers en hun extreem individualistische gevoelsexpressie, die hij zag als een ontaardingsverschijnsel, vooral in hun latere poëzie.

Binnen de literaire canon neemt ’Experimenten’ een bijzondere plaats in, misschien ook omdat het bij deze ene bundel is gebleven. In een interview zei Gossaert daarover in 1925 dat zijn dichten was als een wijnfles: wel een grote ziel, maar de fles was leeg. Hij was nu koopman, en had dus geen tijd meer voor een onmaatschappelijke activiteit als het maken van gedichten.

Geerten Gossaert was het pseudoniem van de historicus Frederik Carel Gerretson (1884-1958). In de jaren twintig werkte hij als directiesecretaris bij Shell, en vanaf 1925 was hij hoogleraar koloniale geschiedenis in Utrecht. Gerretson, afkomstig uit het protestantse Réveil, geestverwant van Colijn en levenslang politiek agitator van uiterst conservatief-nationalistische snit, was een complexe figuur. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij eerst vast in het Scheveningse Oranjehotel, werd toen adviseur van de Nederlandse Unie en later lid van de Kultuurkamer. Onmiddellijk vanaf september 1945 ontpopte hij zich als een van de felste gangmakers in de grote buitenparlementaire campagne tegen de onafhankelijkheid van Indonesië.

In zijn laatste levensjaren heeft Gerretson zelf verschillende keren verklaard dat hij naast ’Experimenten’ wel degelijk nog andere poëzie had geschreven. Zo maakt hij melding van zijn politieke poëzie, doorgaans ex tempore geschreven en dan vaak direct weggegeven en zo zoekgeraakt. Ook noemt hij ergens een gedicht dat hij had geschreven in Indië. Verder moeten er nog gedichten zijn die hijzelf rekent tot zijn beste werk en beschouwt als het ongepubliceerde complement van ’Experimenten’.

Met deze uitspraken is nooit iets gedaan. En zo staat het zwijgen van Gossaert tegenwoordig in alle handboeken voor de literatuurgeschiedenis vermeld als een vaststaand feit.

Mystificatie

Maar dit zwijgen is een mythe, een mystificatie, afkomstig van Gerretson zelf. Onlangs – tijdens onze naspeuringen voor een bloemlezing over het einde van Indië in de Nederlandse poëzie, die later dit jaar zal verschijnen – ontdekten wij twee complete dichtbundels, volkomen onbekend maar aantoonbaar van de hand van Gossaert.

Zij laten zien dat zijn dichterschap niet op jeugdige leeftijd is geëindigd. Integendeel, zowel eind jaren twintig als eind jaren veertig is hij als dichter buitengewoon actief geweest.

De eerste bundel die we vonden is ’Melati en rotan’ (1948) van J.F. Kunst. Deze duur uitgegeven bundel, met fraaie Indische illustraties van Johanna Roberti, gedrukt op Ossekop-papier van vooroorlogse kwaliteit en gebonden in een fraai blauw-met-gouden kaft, bevat ruim zestig gedichten, die alle te maken hebben met Nederlands-Indië. De bundel is opgezet als een samenhangende ’krans van rotan en melati’, vanaf het openingsgedicht tot en met het slot. De eerste twintig gedichten zijn van oudere datum – het Indische ’Nocturne’ is bijvoorbeeld al in 1931 op muziek gezet door Julius Röntgen – en bezingt vooral het vredige Indië van voor de oorlog. De latere gedichten reageren op de politieke actualiteit van direct na de oorlog, en wel de strijd om Indië. De krans als geheel is gewijd aan de ondergang van het Nederlands koloniaal imperium in Indië, ooit gesticht door Jan Pieterszoon Coen en nu verkwanseld door ’zelfverguizers’ als Van Mook en Schermerhorn.

Wij hebben gegronde redenen om aan te nemen dat J.F. Kunst een pseudoniem is en dat daarachter Gerretson/Gossaert schuilgaat.

De dichter als paria

Ten eerste bestaat de auteur J.F. Kunst niet. Bij het Letterkundig Museum in Den Haag is hij niet bekend. De bundel ’Melati en rotan’ staat niet in Brinkmans’ Catalogus. In literaire kringen, ook binnen de Indische letteren, is hij nagenoeg onbekend. In naslagwerken en handboeken komt hij niet voor. En als Kunst wel had bestaan, dan gaat het – zoals we hier beneden zullen zien – om een groot dichter, die zich evenwel nooit in het openbaar heeft gemanifesteerd.

Dit nu past precies bij de elitaire poëtica van Gerretson, die de dichter zag als een paria en een melaatse, die zich niet onthullen moest voor ’het gemeen’. Zijn eigen poëzie heeft hij dan ook altijd uitsluitend anoniem of onder pseudoniem naar buiten gebracht, na bemiddeling door een vriend en in zeer beperkte oplage.

Ten tweede bevat deze bundel een aantal opvallende poëticale, tekstuele en stilistische overeenkomsten met de gedichten van Gossaert in ’Experimenten’. Vooral de grote vormbeheersing en muzikaliteit, het veelvuldig gebruik van de alexandrijn, de archaïsche stijl, de bijbelse verwijzingen en het gebruik van Griekse, Latijnse en Franse titels doen sterk denken aan ’Experimenten’.

Een goed voorbeeld is het eerste gedicht ’Gloriosa superba (Soengsang)’. Het behoort tot het genre van de bloemengedichten, dat Gossaerts liefde had, niet het minst door zijn intense, levenslange bewondering voor het beroemde gedicht ’Ego Flos’ van Guido Gezelle. Gloriosa superba is de Latijnse naam van de tropische Prachtlelie of Soengsang zoals ze op Midden-Java heet. Tekenend voor de symbolistische inslag is de haast middeleeuwse eenvoud waarmee de dichter uitdrukking geeft aan de lyrische extase bij het zien van deze bloem, die met woorden nauwelijks te noemen is.

Is Gerretson dan in Indië geweest? De vraag is terzake, omdat sommige details in deze Indische gedichten alleen uit directe waarneming ter plaatse afkomstig kunnen zijn. Het al genoemde ’Nocturne’ bezingt een autorit door het land van Klakah, ten zuiden van Probolinggo op Oost-Java. En inderdaad is Gerretson daar geweest toen hij, als secretaris van Shell-directeur De Jonge, van juni tot en met oktober 1919 een grote rondreis maakte door Nederlands-Indië. Ook is hij te Buitenzorg in ’s Lands Plantentuin geweest, waar de gloriosa superba werd gekweekt.

Een ander goed voorbeeld is het gedicht ’De slag in de Javazee’ (waarvan hiernaast de tweede helft is afgedrukt). In deze ingehouden dodenklacht, die niet onderdoet voor het beste van Vondel en Bilderdijk, ’dreunt der golven somb’ren zang’. Het is een aangrijpend gedicht, dat met zijn droeve en statige gang de definitieve ondergang markeert van Neêrlands zeevarend wereldrijk. Hier, in 1942 in de Javazee, is Doormans vloot verdwenen, hier ligt Hollands Glorie in de diepte verzonken, hier gedenken wij de zielen van die Hollandse zeehelden en bevelen hen in Gods hoede aan. Zijn beelden haalt de dichter uit de legende van de Vliegende Hollander en uit Shakespeare’s ’Tempest’. En boven dit grafgedicht staat als poëtisch motto het grafschrift van de dichter Shelley – die zelf ook op zee gebleven is, ten onder gegaan met zijn jacht Ariel, in 1822 in de Middellandse Zee.

Naast het verstechnisch meesterschap is ook de politieke inhoud reden om deze bundel aan Gossaert toe te schrijven. ’Melati en rotan’ bevat een flink aantal gelegenheidsgedichten waarin scherp wordt gereageerd op de Indische politiek van de jaren 1946 en 1947 – of het nu was de ’schande’ van het akkoord van Linggadjati, het ’Sinist’re spel’ van luitenant-gouverneur-generaal Van Mook, of het schandaal van de kampen waar nog jaren na het einde van de oorlog Nederlanders werden vastgehouden door Indonesische nationalisten.

Van groot belang is hier het sonnet over de moord op de Nederlandse bestuursambtenaar Govert Monsees op Celebes in oktober 1946. Van dit gedicht loopt een directe lijn naar Gerretson, die vrijwel op hetzelfde moment in het Utrechts Indologenblad een stuk schreef over Monsees, die een leerling en dichtervriend van hem was. Ook andere ’strijdgedichten’ laten zich direct verbinden met de scherpe politieke commentaren die Gerretson toen aan de lopende band publiceerde in weekbladen als De Nieuwe Eeuw, Elseviers Weekblad en Nieuw Nederland.

Ongehoord felle toon

’Melati en rotan’ is in feite het politiek-poëtisch manifest van het Comité Handhaving Rijkseenheid, waarbij Gerretson actief betrokken was. Het voerde furieus campagne tegen Soekarno’s republiek en tegen de Nederlandse onderhandelaars die ons koloniaal bezit daarginds aan het verkwanselen waren. De teneur is hard: „Men pacteert niet met rebellen.” Dit is bijna woordelijk wat Gerretson al op 5 oktober 1945 geschreven had in De Nieuwe Eeuw. ’Melati en rotan’ getuigt van een enorme obsessie met Van Mook, tegen wie zeker tien van de zestig gedichten zijn gericht. Hij wordt daarin – zie het sonnet ’Lauweren’ – afgeschilderd als verblinde wegbereider van Soekarno’s repoeblik, en als verrader van de aan zijn zorg toevertrouwde volkeren in de archipel. In meerdere gedichten speelt hier een bijbels geïnspireerd Judas-thema, met Van Mook als ontrouwe dienstknecht die zich schuldig maakt aan verraad jegens alles wat de dichter heilig is: het Rijk, het Gezag en de Majesteit. Eigenlijk verdient Van Mook daarom net als Mussert de doodstraf. Deze ongehoord felle toon sluit direct, soms bijna woordelijk, aan bij wat Gerretson als Rijkseenheid-pamflettist tegen Van Mook geschreven heeft in zijn bundel ’Indië onder dictatuur’ (1947).

Zo staan in het jaar 1948 tegenover elkaar enerzijds deze grootse koloniale gedichtenkrans van de bevlogen reactionair Gossaert, en anderzijds het vlammende protest tegen de politionele acties van de antikoloniale Vijftiger Lucebert, in zijn ’Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’. De Indonesische kwestie drong door tot in het hart van de Nederlandse poëzie.

Subtiele mijmeringen

Op zoek naar ander werk van J.F. Kunst ontdekten wij nog een bundel, waarvan zover wij weten slechts één enkel exemplaar bestaat, dat wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. ’Langs den weg’ (1928) bevat 31 oorspronkelijke gedichten. In de twee openingssonnetten wordt met een mengeling van bewondering en kritiek de poëtische afstand bepaald tegenover Gorter en Kloos als leidende dichters van de vorige generatie. Daarnaast bevat de bundel nog een serie bijzondere vrouwenportretten, en een reeks sterk middeleeuws en katholiek aandoende gedichten over Maria en het Christuskind. Net als sommige gedichten in ’Experimenten’ lijken ze geïnspireerd door het Gruuthuse-handschrift (dat Gossaert in zijn Brusselse studiejaren had leren kennen). Het grootste deel van de bundel bestaat uit de afdeling ’Vertalingen’, met in totaal 41 gedichten, van Villon en Ronsard, van Heredia, Rimbaud, Verlaine en Moréas, van Stefan George, Shakespeare, Keats, Shelley, Rossetti en Poe.

Op het omslag staat de naam J.F. Kunst, en ook blijkt een viertal Indische gedichten uit ’Melati en rotan’ hier al te zijn opgenomen. Een van deze is het schitterende ’Avondstemming aan de Kust van Grissee’, een gedicht dat met zijn herhalingsvormen doet denken zowel aan de Maleise pantoen als aan de subtiele mijmeringen van de symbolist J.H. Leopold, een stadgenoot voor wiens poëzie Gossaert diepe bewondering had.

In het woordgebruik ligt een duidelijke link tussen de drie bundels. In ’Experimenten’ gebruikte Gossaert in 1911 tot tweemaal toe het archaïstische ’malve’ als kleuradjectief in de betekenis ’mauve’. Dit woord komt niet voor in deel M van het Woordenboek der Nederlandsche Taal uit 1913, en ook niet in Gezelle’s ’Loquela’ (1896). Pas in 1961 werd het voor het eerst opgenomen in Van Dale, waar het sindsdien figureert als woord uit de literaire taal, met als voorbeeldcitaat altijd dezelfde twee regels uit ’Experimenten’. Het gaat hier dus om een typisch Gossaert-woord, dat je bij andere Nederlandse dichters in de twintigste eeuw tevergeefs zult zoeken. En het is nu juist dit woord dat we ook vinden in ’Langs den weg’ en in ’Melati en rotan’. Het wordt er net als in ’Experimenten’ gebruikt ter aanduiding van een bepaalde lichtpaarse kleur van de hemel. Met ’malve’ beschikken we dus over een poëtische DNA-test, die de drie bundels rechtstreeks verbindt met de dichter Gossaert.

Het is de opeenstapeling van deze argumenten – poëticale, stilistische, politieke, lexicale, Indische, historische – die ons tot de conclusie brengt dat geen ander dichter dan Gossaert de auteur is van deze twee bundels. Handschriftelijke informatie ondersteunt die conclusie.

In het Nieuwe Gids-archief van de Koninklijke Bibliotheek blijken zich niet-geretourneerde typoscripten uit 1927 te bevinden van J.F. Kunst. Het zijn drie vertaalde gedichten – van Shelley, Verlaine en Rossetti – plus nog twee originelen, die alle een jaar later zijn opgenomen in ’Langs den weg’. De drie vertalingen zijn gesigneerd ’J.F. Kunst’, maar het handschrift van de aangebrachte correcties is onmiskenbaar dat van Gerretson/Gossaert.

Bovendien is in ons bezit een exemplaar van ’Melati en rotan’ met op het schutblad een opdracht en daaronder Gerretsons handtekening ’Carel’. Ook op dit niveau wijst de beschikbare informatie dus weer op Gossaert.

Bij gebrek aan een behoorlijke biografie kunnen we vooralsnog alleen gissen naar Gossaerts motieven voor deze mystificatie. In de heruitgave die we inmiddels voorbereiden, zullen we hier nader op ingaan. Maar de vragen dringen zich nu al op.

Nog gecompliceerder

Wilde Gossaert, bij wie tenslotte de hele vorm-of-vent-discussie begonnen is, hiermee duidelijk maken dat het enkel het gedicht is dat telt, en niet de dichter? Of zocht hij soms als dichter voor zichzelf de anonimiteit van een middeleeuws dichter als Jan Moritoen?

Was het hele spel bedoeld om er de onbevoegdheid van de literaire kritiek en de literatuurwetenschap mee aan te tonen? Maar waarom hebben dan zelfs zijn nauwste vrienden en medestanders er geen weet van gehad? Schaamde hij zich misschien, of kwam het hem politiek niet uit? Of kon het hem echt niets schelen, en moest een later geslacht zelf maar ontdekken dat ook in twintigste-eeuwse collecties literaire schatten liggen, even zeldzaam als het Gruuthuse-handschrift?

Hoe dit zij, onze ontdekking – ruim negentig onbekende gedichten boven op de zestig in ’Experimenten’ – maakt duidelijk dat Gossaerts dichterschap zich op wel zeer ongedachte wijze verder heeft ontwikkeld. Het is een enorme verrassing dat er na zijn baanbrekende eersteling nog twee andere dichtbundels in druk zijn overgeleverd. ’Langs den weg’, van duidelijk symbolistisch-religieuze signatuur en met eersteklas vertalingen uit het internationale dichterspantheon. En dan na de oorlog ’Melati en rotan’, met ruim zestig Indische gedichten gewijd aan de ondergang van het Nederlands imperium. We staan hier voor een rijk, bijbels-religieus gekleurd en nationaal-historisch geïnspireerd dichterschap, dat zich na de oorlog maximaal engageert in een bundel politieke poëzie waarmee op z’n felst gestreden is voor het behoud van Indië.

Door dit alles – en vooral ook door het literaire verhullingsspel dat nu pas, meer dan een halve eeuw later, is uitgekomen – wordt de positie van Gossaert binnen de canon van de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie nog gecompliceerder dan zij al was.

Jaap Harskamp is als conservator Nederlands-Vlaamse collecties verbonden aan de British Library te Londen.

Reinier Salverda is directeur van de Fryske Akademy te Leeuwarden en buitengewoon hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde aan het University College te Londen.

De heruitgave van de dichtbundels zal volgend jaar verschijnen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

Door een profiel aan te maken ga je akkoord met de gebruiksvoorwaarden en geef je aan het privacy statement en het cookiebeleid te hebben gelezen.

Deel dit artikel