Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het wild zwijn kan oprukken

Home

Cokky van Limpt

Op steeds meer plaatsen in oostelijk Nederland, waar ze officieel niet mogen komen, worden wilde zwijnen gezien. Voor lukraak afschieten is geen draagvlak. De Zoogdiervereniging presenteert vandaag de ’Kansenkaart Wilde Zwijnen in Nederland’.

Terwijl alle ogen gericht zijn op de toekomst van de edelherten, heckrunderen en konikpaarden in de Oostvaardersplassen, is in de luwte van de publieke opinie het wild zwijn bezig aan een gestage opmars. Officieel mogen in Nederland alleen wilde zwijnen voorkomen op de Veluwe en in het Zuid-Limburgse natuurgebied de Meinweg. Maar de ondernemende evers houden zich aan regels noch grenzen en scharrelen buiten deze gebieden vrolijk voort, op zoek naar lekkere hapjes in de bossen en op de akkers van Gelderland, Limburg, Overijssel, Noord-Brabant en Utrecht.

Volgens de nota Jacht- en wildbeheer uit de jaren tachtig zou elk zwijn buiten de Veluwe en de Meinweg – in deze zogenoemde nulstandgebieden – moeten worden doodgeschoten. „Dat gebeurt ten eerste niet”, zegt Geert Groot Bruinderink, „en bovendien is de maatschappelijke weerstand tegen het uitroeien van grote zoogdieren de laatste decennia toegenomen.”

Grofwildkenner Groot Bruinderink, werkzaam bij het Wageningse onderzoeksinstituut Alterra en bij de Zoogdiervereniging, pleit daarom voor een herijking van het faunabeheer. „Daarbij moet een nieuwe afweging worden gemaakt tussen de belangen van alle betrokkenen: boeren, jagers, terreinbeheerders, weggebruikers, natuurbeschermingsverenigingen en dierenwelzijnsgroepen.”

Op verzoek van de Zoogdiervereniging schreef hij een boek over onder meer de geschiedenis, ecologie en het beheer van wilde zwijnen, dat bij het maken van die afweging behulpzaam kan zijn. Een tweede voorzet geeft de Zoogdiervereniging samen met Ark Natuurontwikkeling. Op een symposium in Apeldoorn presenteren zij vandaag naast het boek van Groot Bruinderink de ’Kansenkaart Wilde Zwijnen in Nederland’. Daarop geven deskundigen aan, welke gebieden in Nederland geschikt zijn voor wilde zwijnen en waar ze toegelaten zouden kunnen worden, rekening houdend met factoren als aanwezigheid van landbouw en de eisen die het wild zwijn stelt aan zijn leefgebied, zoals de omvang ervan.

Gezien de aanwezigheid van wilde zwijnen buiten de toegestane gebieden, wordt het nulstandbeleid onhoudbaar, vindt de Zoogdiervereniging, en bovendien ongewenst, ’omdat wilde zwijnen van oudsher gewoon in Nederland thuishoren’. Met de kansenkaart willen de organisaties de discussie rond wilde zwijnen openbreken.

De provincie Limburg lijkt al gevoelig te zijn voor een nieuwe benadering van de aanwezigheid van het wild zwijn, want ze heeft Alterra verzocht om mee te denken over nieuwe leefgebieden voor het dier. De provincie wil meer ruimte bieden aan wilde zwijnen, zonder te veel overlast. „Het zou slim zijn”, vindt Groot Bruinderink, „als alle provincies, zeker aan de oostgrens van ons land, een dergelijke afweging zouden maken.”

Het wild zwijn is in de negentiende eeuw Europabreed door overbejaging zo goed als uitgeroeid geweest. Groot Bruinderink: „Het werd gezien als een schadelijk beest. Zwijnen eten niet alleen de Nederlandse tarwe, aardappels, knollen en bieten, maar lusten ook de Zuid-Europese druiven en olijven!”

In Nederland introduceerde prins Hendrik begin twintigste eeuw weer zwijnen op de Veluwe, afkomstig uit onder andere Tsjechië en Mecklenburg. De Duitse echtgenoot van koningin Wilhelmina wilde graag ook in Nederland de zwijnenjacht beoefenen. Om het jagen zelf, maar vast ook vanwege het smakelijke stukje vlees. Hoe lekker een everzwijn kan zijn, wisten zelfs Asterix en Obelix niet als eersten. Die kennis stamt al van 11.000 jaar geleden, toen mensen wilde zwijnen gingen houden voor het vlees – de voorlopers van het huisvarken.

Doordat er regelmatig zwijnen ontsnapten uit Kroondomein Het Loo, was er rond 1937 weer sprake van een zwijnenstand op de Veluwe, meer dan een eeuw nadat het laatste zwijn daar was afgeschoten. Na de Tweede Wereldoorlog trokken vanuit Duitsland en België ook op andere plaatsen weer wilde zwijnen Nederland binnen.

In de twintigste eeuw hebben in Nederland perioden waarin het wild zwijn bejaagd mocht worden of juist meer beschermd werd, elkaar afgewisseld. De laatste jaren is het wild zwijn in heel Europa redelijk goed beschermd, als soort om op te jagen of vanwege natuurbelang. Volgens de Nederlandse Flora- en Faunawet is het een beschermde inheemse diersoort.

„Alleen voor het beheer van de populatie kun je van die bescherming ontheffing krijgen”, zegt Groot Bruinderink. „Wanneer er bepaalde belangen in het spel zijn, zoals schade aan de landbouw of de verkeersveiligheid; op de Veluwe vinden jaarlijks tussen de honderd en zevenhonderd aanrijdingen met wilde zwijnen plaats. Ook het dierenwelzijn kan een grond zijn voor bejagen. Dreigend lijden onder voedselgebrek bijvoorbeeld kan voorkomen worden door vroegtijdig veel zwijnen af te schieten.”

De laatste decennia is de zwijnenstand in heel Europa gigantisch toegenomen, zegt de wildkenner. „Er wordt gesproken over vier miljoen zwijnen in het voorjaar, wanneer de biggen nog niet geboren zijn. Hoeveel er in Nederland zijn, weten we niet precies. Wel zijn van alle Europese landen onze schattingen het betrouwbaarst. Voor de Veluwe geldt een gemiddelde voorjaarstelling van tweeduizend zwijnen, voor de Meinweg van honderd. De nulstandgebieden zijn daarin dus niet meegerekend. Deze aantallen moet je nadat de biggen zijn geboren met minimaal honderd tot tweehonderd procent verhogen.”

De groei van de Europese zwijnenpopulatie staat volgens Groot Bruinderink niet op zichzelf. „Veel hoefdiersoorten breiden zich uit – niet alleen het zwijn maar ook het edelhert, damhert, sikahert, ree en de eland – en die trekken weer roofdieren aan als wolf, beer en lynx. In Sleeswijk Holstein zijn al wolven, en wie weet duikt in de toekomst de lynx in Limburg op.”

Deze toename van grote zoogdieren heeft volgens hem verschillende oorzaken. „Ten eerste laat de jacht het afweten. De faunabeheerders onderschatten de aantallen en schieten er dus structureel te weinig af. Ook speelt de klimaatverandering een rol. Zachtere winters geven minder sterfte door koude of voedselgebrek. Als derde oorzaak zie ik de ontvolking van het platteland in grote delen van Europa. Al die verlaten akkers, cultuurgronden, fruitboomgaarden zijn een paradijs voor deze dieren.”

Een belangrijk verschil met andere hoefdieren, ook voor het beheer van de populatie, is de snelle voortplanting bij wilde zwijnen. Tegenover een jaarlijkse verdubbeling of verdrievoudiging van het aantal, staat bijvoorbeeld een aanwas van niet meer dan dertig procent bij de edelherten. Groot Bruinderink: „Wilde zwijnen fokken als muizen en konijnen, soms wel twee worpen per jaar. Behalve in strenge winters als er weinig voedsel is. Dan worden in het voortplantingsseizoen – november en december – minder zeugen berig of stellen jonge zeugen hun puberteit uit, omdat ze daarvoor geen energie hebben. Voor de biggen die wel geboren worden, is er te weinig zog, met sterfte als gevolg. Ook veel jaarlingen halen het dan niet.”

Onder zulke omstandigheden dunt de populatie wilde zwijnen uit, maar de laatste winters, de vorige uitgezonderd, is er zoveel voedsel te vinden dat sterfte weinig voorkomt. Het controleren van de aantallen wilde zwijnen in Nederland kan volgens Groot Bruinderink dan ook niet zonder afschot. De Duitse aanpak zou hierbij een voorbeeld kunnen zijn, vindt hij. „Daar zeggen de jagers: als je honderd zwijnen wilt schieten, schiet dan tachtig biggen. Dan kunnen die zich niet voortplanten.”

Alle andere beheersmaatregelen, die zijn gericht op het voorkomen van schade en ongelukken, zijn maatwerk, zegt hij. „Bijvoorbeeld het plaatsen van zwijnenrasters langs snelwegen en agrarische gebieden. Die zijn er al op de Veluwe. Maar ook op de provinciale wegen zou je iets moeten doen, want daar worden de meeste zwijnen doodgereden.” Bij notoire ’moord’-wegen denkt hij bijvoorbeeld aan een snelheidsbeperking van tachtig naar zestig kilometer en het aanbrengen van bochten en drempels. „Alhoewel de mensen in zo’n leefgebied daar weer tegen protesteren, zoals de transportbranche.”

Wildspiegels werken niet, zegt hij. Maar met een infrarood detectiesysteem worden in het Duitse Reichswald goede ervaringen opgedaan. Ook op de Veluwe, op de Ughelse Berg is met succes zo’n systeem gezet. Als een dier door de infraroodstraal loopt, gaat er een licht knipperen dat het verkeer waarschuwt: pas op, hier loopt wild. Deze systemen zijn nu echter nog redelijk duur.

De angst bij boeren voor het – wederzijds – overdragen van ziektes als de varkenspest, kan gezien de genetische verwantschap tussen wilde varkens en huisvarkens reëel zijn, zegt Groot Bruinderink. Vooral in gebieden met veel varkensfokkerijen, zoals Noord-Brabant. „Bij het eventueel aanwijzen van nieuwe leefgebieden voor wilde zwijnen moet daarmee beslist rekening worden gehouden.”

Gezien al die verschillende partijen, belangen en de huidige verspreiding en aantallen wilde zwijnen in de buitengebieden, is nieuw beleid hard nodig, meent hij. „Het wordt in Nederland tijd voor een Platform Wilde Zwijnen.”

Lees verder na de advertentie
Wilde zwijnen aan de rand van het bos bij Vierhouten. In de volksmond worden zulke tamme dieren ook wel 'VVV-zwijntjes' genoemd. (FOTO ERIK VAN 'T WOUD, ANP)
Een bord waarschuwt voor wilde zwijnen. (FOTO ROB VOSS, ANP)

Deel dit artikel