Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het verhaal van Andinet, een van de vele duizenden

Home

Marijn Kruk

© afp

Andinet is één van de vluchtelingen die vanuit Libië de oversteek wilde maken naar het Europese continent. Twee jaar geleden besloot Trouw-correspondent Marijn Kruk hem te volgen om zijn verhaal te kunnen vertellen. Andinet wist wat de gevaren waren, maar hij was vastbesloten: "Libië is als de hel. Zelfs al zou de kans vijftig procent zijn dat ik verdrink, dan nog wil ik de oversteek wagen." Morgen leest u in Trouw hoe het hem verder verging.

Op het eerste oog is er niets wat het plotselinge vertrek uit Abu Salim rechtvaardigt. De klandizie in het restaurantje, waar we even eerder een broodje met gefrituurde aubergine aten oogt gemoedelijk. Op de onverharde straat spelen kinderen tussen het zwerfvuil. Een groepje hangjongeren leunt verveeld tegen een muurtje.

Maar de 23-jarige Andinet, afkomstig uit de Hoorn van Afrika, heeft een feilloze intuïtie voor gevaar. "Schiet op", zegt hij terwijl hij een voorbijrijdende taxi wenkt. "We moeten wegwezen, het wordt te gevaarlijk hier." Zonder deze intuïtie zou Andinet zich nooit lang hebben weten staande te houden in deze wijk, één van de armste en gevaarlijkste buurten van de Libische hoofdstad Tripoli.

Hij leidt rond langs enkele van de talrijke panden waar Eritreërs, Ethiopiërs en Somaliërs zich schuilhouden tot het moment dat ze de oversteek naar Europa kunnen wagen. Allemaal verblijven ze illegaal in Libië, net als Andinet zelf.

Ik maakte kennis met Bereket Beletse, een Ethiopische jongen van 21 jaar die zwaar met zijn been trekt nadat buurtkinderen hem met een revolver in zijn heup schoten. Voor de grap. Een andere jongen toonde me zijn mismaakte vingers. Het gevolg van een steekpartij toen hij op straat werd beroofd van zijn eerder die dag verdiende loon.

"Er was iets onheilspellends in de blikken van die jongens bij dat muurtje", zegt Andenet wanneer we even later in de taxi wegstuiven. Een vriend smste hem dat er een bende in aantocht was. Hij zucht. "Too many guns here, man."

Voor Andinet is het de werkelijkheid van alledag. Ook in Europa voelen illegalen zich vaak opgejaagd en onveilig. Maar in Libië zijn ze vogelvrij. Ze staan helemaal onderaan de sociale pikorde en er is niemand die ze beschermt. De politie? Andinet lacht bitter. "We mogen blij zijn als die ons niet ook berooft".

'Jesus Save Me' tatoeëerde hij op zijn linkeronderarm voordat hij vanuit de Soedanese hoofdstad Khartoem de overtocht door de woestijn aanving. Die smeekbede zou slechts ten dele worden verhoord. Halverwege de reis werd zijn jongere broertje door de mensensmokkelaars dusdanig toegetakeld dat hij enkele dagen later overleed.

Eenmaal in Tripoli werd zijn gezicht aan flarden gesneden door gedrogeerde Libische jongeren die hem beroofden van het geld waarmee hij zijn oversteek naar Europa wilde bekostigen. Maar zijn hoop om naar Europa te geraken heeft Andinet nog steeds niet laten varen. Sterker nog : het is het enige dat hem overeind houdt. "Libië is als de hel." zegt hij. "Zelfs al zou de kans vijftig procent zijn dat ik verdrink, dan nog wil ik de oversteek wagen".

Lees verder na de advertentie
Andinet legde duizenden kilometers af voordat hij in Tripoli aankwam. Zijn broer overleefde de tocht niet en stierf in de woestijn. © Marijn Kruk

Waarom die oversteek wagen?

Het kantoor van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, gesitueerd in een residentiële buitenwijk van Tripoli. Hier leerde ik Andinet kennen toen hij zich daar in gezelschap van een paar vrienden meldde in de ontvangstruimte. Zijn vale kleren staken schril af bij de poenerige SUV's die in de buurt geparkeerd stonden.

Na het zien van de tragische beelden van honderden in zee ronddobberende lijken nabij het Italiaanse eiland Lampedusa, afgelopen najaar, vroeg ik me af hoe het immigranten aan de overzijde van de Middellandse Zee verging. Dat veel Afrikanen oorlog, ziekte en armoede proberen te ontvluchten en in Europa een beter bestaan hopen op te bouwen wist ik. Maar al veel minder over het vaak duizenden kilometers lange traject dat ze hiervoor afleggen. En vrijwel niets over hun leefomstandigheden in Libië, voor velen de laatste halte voor de Grote Oversteek.

Andinet hoopt bij de UNHRC een vluchtelingenstatus los te peuteren. Of onderdak, of desnoods alleen medische zorg. De organisatie wil wel, maar blijkt in werkelijkheid weinig tot niets voor buitenlandse vluchtelingen in Libië te kunnen doen. Problemen met de autoriteiten, zegt medewerker Emanuela Paoletti. "We wachten nu al maanden op officiële erkenning door de regering, maar die blijft uit. De regering vreest dat wanneer wij hier hulp gaan bieden, dat als een magneet zal werken op gelukszoekers uit de rest van Afrika.

Paoletti schat in dat zestig procent van de vluchtelingen die momenteel in Libië verblijft politieke motieven heeft. Ze vluchten voor oorlog en/of repressie. De rest zoekt een uitweg voor honger en armoede. "Vluchtelingen uit Syrië hebben het hier ook niet gemakkelijk, maar ze hebben nog het geluk dat ze Arabier zijn; Afrikanen, die hebben het in Libië pas echt zwaar te verduren." Het probleem, zo zegt Paoletti, is diepgeworteld racisme. "Dat zit in Libië zo diep dat het wel geïnstitutionaliseerd lijkt."

Alvorens ik met Andinet op pad ging, proefde ik daar al iets van in de gevangenis die ik bezocht op dertig kilometer ten oosten van de hoofdstad. Een ommuurd complex in een stoffige vlakte. Onderweg moest de taxichauffeur drie keer stoppen om de weg te vragen. Het is een van de tientallen faciliteiten waar illegalen in Libië in detentie worden gehouden. Ruim 400 illegalen wachten er op uitzetting. Een 'modelgevangenis', zegt de directeur, een ex-rebel van in de vijftig, tijdens een rondleiding. Trots wijst hij op de brandschone openluchtkeukens.

Uit een van de barakken gebiedt hij zestien jongemannen naar buiten, allen afkomstig uit Gambia. Schuchter stellen ze zich op langs de onverharde weg die over het gevangenisterrein slingert. "Hoe worden jullie hier behandeld?", bast de directeur. De jongens, sommigen op slippers, de meesten blootsvoets, mompelen iets onverstaanbaars. "Uitstekend toch?" De jongens knikken gedwee, terwijl ze met een schuin oog naar de gewapende bewakers kijken. Een zure zweetlucht slaat van hun bestofte lichamen af.

Ze behandelen ons als beesten", fluistert een jongeman die Idrissa zegt te heten, op een onbewaakt moment in perfect Engels. "Ze slaan ons met stokken en dwingen ons van de vloer te eten. De bewakers zeggen het ons ook : 'jullie zijn dieren'. We zitten met zijn zestienen in een cel. Er liggen zes matrassen. Alle Afrikanen huilen in Libië, doe iets voor ons, ik smeek je."

Na afloop van de rondleiding serveert de directeur muntthee en dadels in zijn kantoor. "Je hebt met eigen ogen kunnen zien hoe goed de gevangenen het hier hebben", zegt hij, zichtbaar ingenomen. "Het is hier een modelgevangenis", herhaalt hij. Wellicht, maar model voor wat?

We zitten met zijn zestienen in een cel. Er liggen zes matrassen. Alle Afrikanen huilen in Libië, doe iets voor ons, ik smeek je.

Idrissa, gevangene

Anti-Afrikaans segment

Andinet wist tot dusver uit de gevangenis te blijven. Maar het scheelde een haar. "Op een dag werd ik samen met een vriend van straat geplukt door de politie. Ik wist me los te worstelen, maar die vriend zit nog steeds vast." Nooit om je heen kijken is zijn devies. Altijd recht op je doel af, alsof je hier al jaren woont.

De lege dierentuin van Tripoli doet sinds afgelopen zomer eveneens dienst als gevangenis voor illegalen. Deze te bezoeken blijkt op korte termijn niet mogelijk, maar een verslaggever van de Engelstalige onlinekrant Libya Herald wist erin door te dringen en zag tientallen zwarte Afrikanen, opgehokt in kooien waar voorheen apen, leeuwen en roofvogels zaten.

"De dierentuin, hoe verzinnen ze het!", roept de bedrijfsleider van de cafetaria van een sjiek hotel in Tripoli uit wanneer hij bijbehorende foto's ziet. En vervolgens, met een malicieus lachje : "Maar zeg nou zelf, horen ze daar niet gewoon thuis?"

Vanaf 2003, toen de sancties tegen het regime van Kadafi werden opgeheven, begon ook de Libische olie weer rijkelijk te stromen. Gelijktijdig verwelkomde 'De Gids van Revolutie', vele honderdduizenden, veelal Afrikaanse gastarbeiders. Ze werden aan het werk gezet in de bouw of knapten klusjes op waar de Libiërs zelf hun neus voor ophaalden. Gemakkelijk hadden ze het er niet. In rapporten van de Verenigde Naties werd Libië de afgelopen tien jaar consequent aangesproken op het racisme waaraan gastarbeiders onderhevig waren.

In 2011, tijdens de opstand tegen Kadafi, raakten veel van hen klem in het conflict. Ze konden niet naar huis, werden er door de rebellen van beschuldigd huurlingen te zijn en verdwenen in illegale gevangenissen. Als het echt tegen zat werden ze zonder enige vorm van proces gelyncht. Peter Bouckaert, onderzoeker bij mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch maakte gewag van een "diep in de Libische samenleving geworteld racisme en anti-Afrikaans sentiment".

Na ineenstorting van het regime werden de 30.000 inwoners van het kuststadje Tawergha uit hun huizen gejaagd. Dit waren overwegend zwarte Libiërs, nakomelingen van slaven die op de kust werden achtergelaten omdat ze te zwak waren om verder te reizen. De stad stond bekend als pro-Kadafi en bendes uit Tawergha zouden in het naburige en opstandige Misrata hebben geplunderd en verkracht. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat ook racisme een rol speelde bij de ontruiming van de stad. "Wee de slavendeportatiebrigade" viel er destijds op de muren van de in brand gestoken huizen te lezen.

Nog altijd zijn de bewoners niet weergekeerd. Net als Andinet en zijn lotgenoten uit de Hoorn kwijnen ze weg in achterbuurten van Tripoli of illegale kampementen. Waar komt het anti-Afrika sentiment vandaan? Sommigen wijzen op het slavernijverleden om de onder Arabieren wijdverbreide minachting voor zwarte Afrikanen te verklaren. Anderen verklaren de xenofobie uit het gesloten karakter van de Libische samenleving - gebukt als zij ging onder Kadafi's dictatuur. Weer anderen zien het als wraakneming voor de miljarden waarmee Kadafi, begeesterd door zijn ideaal van Afrikaanse eenheid, de Afrikaanse landen besprenkelde terwijl hij zijn eigen volk ondertussen liet verkommeren.

Een verslaggever van de Engelstalige onlinekrant Libya Herald zag tientallen zwarte Afrikanen, opgehokt in kooien waar voorheen apen, leeuwen en roofvogels zaten.

Woning in Abu Salim waar mensen uit de Hoorn van Afrika en Bangladesh wonen. © Marijn Kruk

Odyssee

"Natuurlijk kende ik de verhalen over Libië", zegt Andinet in het koffiebarretje nabij het busstation in het centrum Van Tripoli waar hij een baantje als schoonmaker heeft weten te bemachtigen. "Waar ikzelf vandaan kom is het leven ook geen pretje, maar dit, dit had ik niet verwacht." Hij recht zijn schouders en lacht, een vreemde onnatuurlijke lach. "De eerste maanden dat ik hier was voelde ik me opgejaagd en wilde ik alleen maar huilen. Maar dat ik niet meer, nu lach ik erom. Ik ben niet langer bang voor de dood." Opnieuw die vertrokken grijns.

Andinet ontvluchtte op 18-jarige leeftijd de dienstplicht in het despotisch geregeerde Eritrea. Althans, dat zegt hij. Veel illegalen in Libië die zeggen dat ze afkomstig zijn uit Eritrea, komen in werkelijkheid uit Ethiopië. Ook dat is geen al te prettig land, maar nog lang niet zo problematisch als Eritrea. Wie, eenmaal in Europa, kans wil maken op asiel gooit zijn paspoort weg en houdt bij hoog en laag vol dat hij uit Eritrea komt. De meeste van Andinets vrienden op Facebook blijken afkomstig uit Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië - ik besluit hem er niet verder over door te zagen.

Voor hij naar Libië kwam verbleef hij enkele jaren in Khartoem, waar hij allerhande baantjes had, in de bouw voornamelijk. Maar Soedan was niet zijn einddoel, net zomin als Libië dat is. Dat is Europa, Engeland in het bijzonder. Een heel duidelijke voorstelling heeft hij er niet van. Hij hoopt er een opleiding te kunnen volgen, een leven dat de moeite waard is om te leven eigenlijk vooral. "God lijkt de Hoorn van Afrika wel vergeten", debiteert hij een veel gehoord gezegde. "We leven er niet, we vegeteren."

Nadat hij afdoende geld bijeen had gespaard en Nikeyas, zijn broertje, zich bij hem had gevoegd, staken ze vorig jaar juni de Sahara over. Met zo'n dertig anderen in een truck, bestuurd door mensensmokkelaars. In Tsjaad ging het mis. "Nikeyas was kritisch op de manier waarop de smokkelaars ons behandelden, als vee", zegt Andinet. "Toen we 's avonds bij een nederzetting halt hielden, sleurden ze hem uit de truck en namen hem mee naar een gebouwtje. Ze sloegen hem, ik hoorde hem schreeuwen, maar ik kon niets doen. De volgende dag reed de truck verder. Nikeyas bleek er slecht aan toe. Na vijf dagen in laadbak van de schommelende truck overleed hij. Hij werd achtergelaten in de woestijn."

Andinet staart met lege ogen voor zich uit wanneer hij over deze episode van zijn Odyssee verhaalt.

De Libische grens oversteken bleek geen enkel probleem. Deze is in handen van Toboe, een aan de Toeareg verwant nomadenvolk dat zich op de Tsjadisch-Libische grens beweegt. Ze leven goeddeels van de transsaharische smokkel en strijken een bedrag op voor iedere truck illegalen die passeert.

De eerste grote Libische stad waar ze halt hielden was Sebha, een voormalige garnizoensstad van Kadafi, in het diepe zuiden van het land. Van daaruit ging het verder naar Tripoli. Hier moesten Andinet en zijn medereizigers het zelf uitzoeken. Huisvesting en een overtocht naar Europa regel je ter plaatse, heel anders dan voor de revolutie, toen de reis nog all inclusive was. De smokkelnetwerken zijn sindsdien verlegd.

God lijkt de Hoorn van Afrika wel vergeten. We leven er niet, we vegeteren.

Andenet, vluchteling

Lucratieve business

Zo blijkt wel in Zuwara, een stadje nabij de Tunesische grens. Gemakkelijk bereikbaar. Een taxibusje brengt je er vanuit Tripoli in twee uur heen. Voorheen was Zuwara dé plaats waar Afrikaanse immigranten koers zetten richting Italië. Maar in de haven liggen de houten sloepen die voorheen voor de mensensmokkel werden ingezet er werkloos bij.

Vóór de opstand tegen Kadafi uitbrak, was mensensmokkel hier big business", bevestigt Abdulsalam, de kapitein van een van de blauwe vissersboten langs de kade. Achter hem knoopt een vijftal mannen zwijgend hun netten, Egyptische gastarbeiders. "Afrikanen brengen enge ziektes met zich mee", vervolgt hij. "Cholera en AIDS". "Zelf zou ik ze liever ook niet in Libië zien, maar hou ze maar eens tegen, de grenzen zijn simpelweg te uitgestrekt!" Volgens Abdulsalam is het allemaal de schuld van Kadafi. "Toen die de Afrikaanse eenheid uitriep, was héél Afrika hier plotseling welkom."

Voor Kadafi bleken de Afrikaanse immigranten ook een handig instrument om druk op Europa te zetten. Op gezette tijden liet hij immigranten door. "Ik zag hier 's nachts de boten vetrekken", zegt de havenmeester in zijn armetierige kantoortje op de kop van de pier. Een tiental meter verderop staan drie patrouilleboten van de Libische kustwacht weg te rotten op de kade. "Het was officieus beleid, niet alleen wisten de getrouwen rondom Kadafi ervan, ze verdienden er zelfs aan!"

In 2010 sloot Kadafi een lucratieve deal met toenmalig premier Silvio Berlusconi, waarin hij beloofde de immigranten tegen te houden. In ruil daarvoor betaalde Italië vijf miljard euro - officieel een herstelbetaling voor de geleden schade tijdens de kolonisatie. Eerder had Kadafi gedreigd dat hij Europa 'zwart' zou doen kleuren.

Bij een checkpoint aan de rand van Zuwara tref ik Nuri, een vijftiger met een grijze stoppelbaard en een zachte oogopslag. Tegenwoordig is hij brigadecommandant, maar ooit was hij mensensmokkelaar. "Ik was erbij toen zich hier ruim tien jaar geleden de eerste Afrikaanse immigranten meldden", zegt hij, gezeten op een vale matras in de geïmproviseerde wachtpost langs de woestijnweg.

"We zetten ze over in snelle Zodiacs, 600 dollar per passagier. Al snel groeide het uit tot een ware industrie, waar veel mensen aan verdienden." De boten werden voller, de prijzen stegen. Immigranten werden nu steeds vaker op eigen houtje de zee op gestuurd. "Dat beviel me niet, want de zee is erg verraderlijk. Steeds meer boten verongelukten, ik was er toen al mee gestopt."

Volgens Nuri zette Kadafi na de Navo-aanval van 2011 de sluizen wijd open. "Hij wilde Europa met immigranten overspoelen". Sinds Kadafi's val gebeurt er weinig meer in Zuwara. De illegalenboten die er gaan, vertrekken nu meer westwaarts, in de omgeving van Tripoli.

De schemering valt in. Taxibusjes terug naar de hoofdstad gaan minder frequent. Bij het checkpoint houdt Nuri een personenauto aan met twee jongens die onderweg blijken naar Tripoli international airport. Hij gebiedt hen om me mee te nemen en af te zetten in het centrum. Vervolgens moeten ze hem bellen om te zeggen dat alles goed is. Ze knikken gedwee.

Dagloners wachten in Tripoli langs de weg in de hoop opgepikt te worden voor een klus. © Marijn Kruk

Wanneer vertrekt de boot?

Volgens Andinet is er geen peil op te trekken waar en wanneer de boten precies vertrekken. "Veel meer dan afwachten kun je niet", zegt hij een dag later in Tripoli. "De locatie wordt pas op het allerlaatste moment bekend gemaakt." Dan moet er ook betaald worden: 800 dollar voor een kleine sloep ; 1.600 voor een grotere (en dus relatief veilige) boot. Het probleem van Andinet is dat hij dat geld niet langer heeft, sinds die dag - hij was nog maar net in Tripoli - dat hij werd beroofd.

"Drie Libische jongeren, zwaar aan de drugs. Ik liep op straat en ze reden me klem." Voor hij er erg in had lag hij op de grond, zijn gezicht hevig bloedend, zijn geld en mobiele telefoon gestolen. In het ziekenhuis lapten ze hem op, maar toen hij langsging bij het politiebureau om aangifte te doen, besefte hij pas hoe zwak hij in werkelijkheid stond.

"Toen ze ontdekten dat ik geen verblijfsvergunning had, legden ze een pistool op tafel", zegt hij laconiek. "Het was een manier van zeggen dat ik me maar beter snel uit de voeten kon maken." Hij trok er een les uit: om in Libië te overleven moet je ijzersterk en roekeloos zijn. Steeds op je hoede zijn en niet vrezen voor de dood.

Op een zondagochtend tref ik Andinet voor de kerk, de enige die Tripoli telt. Hij komt hier wekelijks, vertelt hij. "Hier bid ik tot mijn Heer", zegt hij plechtig. "Ik heb de hoop nog niet verloren." De kerk blijkt tot de nok toe gevuld. Het merendeel van de bezoekers, enkele honderden, is Aziatisch en vrouw : verpleegsters, afkomstig uit de Filippijnen. Ook zijn er veel Vietnamezen, een handjevol Indiërs en een enkele goed geklede Afrikaanse diplomaat. Andinet speurt naar de Italiaanse vrouw met wie hij soms een praatje maakt. Ze blijkt voor een lang weekend naar Rome.

De vredigheid van de kerk contrasteert scherp met de omgeving die we zodadelijk zullen bezoeken: Abu Salim. Toen ik er tijdens de val van Tripoli rondliep, eind augustus 2011, zag ik ze al in groepjes bijeen staan : jonge mannen met bloeddoorlopen ogen en lange rijen littekens op hun armen, moedwillige inkervingen om aan te geven tot welke bende ze behoorden.

Bij gebrek aan trainingsfaciliteiten elders in het land trainde de verboden Libische Islamitische Gevechtsgroep aspirant-leden in de wijk. De als terroristisch aangemerkte groepering werd in 1995 opgericht. Ze beoogde Kadafi ten val te brengen en een islamitische staat in Libië te stichten. Jonge rekruten werden Abu Salim ingestuurd slechts bewapend met een mes. De opdracht? Er levend weer uit tevoorschijn zien te komen.

Pas na enkele keren kloppen zwaait de metalen deur open. Drie jonge mannen, van Aziatische afkomst, blikken wantrouwend de straat in. Wanneer ze Andinet herkennen is de spanning als bij toverslag verdwenen. In Abu Salim bevinden zich tal van huizen waar immigranten verblijven - al dan niet illegaal. Anders dan elders in Tripoli zijn de woningen er betaalbaar. Zo'n honderd man leven hier in een huis dat is gebouwd voor één Libische familie.

Op de modderige binnenplaats toont een jongen in een sarong het verband dat een steekwond in zijn hartstreek bedekt. Hij heet Mohoen en is afkomstig uit Bangladesh. Twee weken eerder, toen hij onderweg naar huis was, liep hij tegen een paar Libische jongens aan. "Ze hadden messen, stroomstootwapens en eisten geld, voor ik er erg in had lag ik bloedend op de grond". Twintig dinar (zo'n 12 euro) leverde dat de overvallers op.

"Wanneer we nu maar in groepjes bij elkaar blijven gaat het nog wel", zegt Mohoen, "maar eigenlijk zijn we nergens veilig, zelfs niet hier in huis." Hij wijst op de twee meter hoge schutting die de binnenplaats van de weg scheidt. "Soms klimmen ze er over heen en pakken ze wat ze pakken kunnen. Wat kunnen we er tegen doen? Wapens hebben we niet en de politie doet niets voor ons".

Onderweg naar het volgende huis passeren we groepjes jonge mannen die zwijgend langs de weg staan. Sommigen houden verfrollers, WC-ontstoppers of ander gereedschap in hun hand. "Ze hopen opgepikt te worden voor een klus", zegt Andinet. Voordat hij een baantje in het koffiehuis vond, stond hijzelf ook zo op straat. "Meestal krijg je 15 à 20 dinar per dag. Soms ook helemaal niets, dan zegt de opdrachtgever : 'en nu ophoepelen'. Dan heb je een dag voor niets gewerkt."

Het tweede huis dat we bezoeken oogt opgeruimder. Aan over de binnenplaats gespannen waslijnen wapperen brandschone lakens. Hier verblijven zo'n zestig mensen, allemaal afkomstig uit de Hoorn en allemaal illegaal. Onder hen de jongen met de kapotgeschoten heup, maar ook een achttal vrouwen en zelfs een moeder met kinderen.

"We zorgen ervoor dat we steeds bij elkaar blijven", zegt Tsegezegab Amare, een nerveus ogende jonge vrouw. Ook zij had zich Libië anders voorgesteld. "Ze zien ons niet als mensen, ze hebben geen enkele ontwikkeling, kennen geen medemenselijkheid." Een andere vrouw is zwanger, maar kan niet naar het ziekenhuis voor tests omdat ze geen paspoort heeft.

Ze zien ons niet als mensen, ze hebben geen enkele ontwikkeling, kennen geen me­de­men­se­lijk­heid.

Tsegezegab Amare, vluchtelinge

Mohoen uit Bangladesh toont de verwondingen die hij opliep toen hij werd beroofd door een paar Libische jongens met messen. 'Eigenlijk zijn we nergens veilig.' © Marijn Kruk

Niet kijken! Doorlopen

Tijdens onze laatste dag samen neem ik Andinet mee naar een van de fonkelnieuwe koffiebars in het hart van de medina. Hij is nog zwijgzamer dan anders. Het gesprek komt op zijn overleden broer. "Hij was alles voor me, hij was mijn betere ik. Hij had een hoogstaande moraal en durfde zich uit te spreken". Tranen stromen plotseling over zijn wangen. Niemand op het terras lijkt er notitie van te nemen. "Ik had hem nooit in de steek mogen laten, ik had bij hem moeten blijven in de woestijn, had daar ook moeten sterven. Wat is mijn leven hier nog waard?"

Later lopen we door de nauwe straatjes van de medina richting het voormalige Groene Plein. Bij de uitgang liggen op een geïmproviseerde tafel tientallen handwapens uitgestald, merendeels revolvers. "Ze worden ter plaatste getest", zegt Andinet, die zijn laconieke toon inmiddels heeft hervonden. En inderdaad : even later klinken enkele droge knallen.

Een straat verderop staat een politieauto geparkeerd. Er zitten vier agenten in, uit het geopende raam stijgt een indringende hasjlucht op. "Niet kijken!", sist Andinet, die zijn pas versnelt. "Gewoon doorlopen, doe alsof je niets gezien hebt."

Wilt u de reacties op dit artikel lezen? Registreer u hier voor een proefperiode van twee maanden.

Het plaatsen van reacties is voorbehouden aan de betalende abonnees van Trouw. Kijk hier voor een overzicht van onze abonnementen.

Het bekijken en plaatsen van reacties is voorbehouden aan onze betalende abonnees. Kijk hier voor een overzicht van onze abonnementen.

Als betalend abonnee kunt u een reactie plaatsen op dit artikel. Deze is alleen zichtbaar voor andere (proef)abonnees.

Om uw reactie te kunnen plaatsen, hebben we uw naam nodig. Ga naar Mijn profiel


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie
We zitten met zijn zestienen in een cel. Er liggen zes matrassen. Alle Afrikanen huilen in Libië, doe iets voor ons, ik smeek je.

Idrissa, gevangene

Een verslaggever van de Engelstalige onlinekrant Libya Herald zag tientallen zwarte Afrikanen, opgehokt in kooien waar voorheen apen, leeuwen en roofvogels zaten.

God lijkt de Hoorn van Afrika wel vergeten. We leven er niet, we vegeteren.

Andenet, vluchteling

Ze zien ons niet als mensen, ze hebben geen enkele ontwikkeling, kennen geen me­de­men­se­lijk­heid.

Tsegezegab Amare, vluchtelinge