Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het verborgen verhaal van de Joden in Zuid-Marokko

Home

Cokky van Limpt

Van de 80.000 Joden die in 1947 in het zuiden van Marokko woonden, is nog maar een handjevol over. De tentoonstelling ’Marokko’ in het Joods Historisch Museum vertelt het mooie en dramatische verhaal van vreedzame samenleving met de Berbers, de massale emigratie naar Israël en de leegte die de Joden achterlieten in het Atlasgebergte en de Sahara.

Vanaf de komst van de eerste Joden naar Zuid-Marokko, waarschijnlijk in de derde of de vierde eeuw, maar volgens een legende kan het ook zes eeuwen eerder zijn geweest, leefden Joden en Berbers in dit gebied vreedzaam naast elkaar. Tot de massale emigratiegolf naar Israël, in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, daarin verandering bracht. Hun sporen zijn nog niet uitgewist, maar na hun vertrek lieten de Joden een grote leegte achter in het Atlasgebergte en de Sahara. Sommige Berbers wachten nog steeds op hun terugkomst, en bewaren de sleutels van hun synagogen.

Met foto’s, films en teksten vertelt de tentoonstelling ’Marokko’, in het Joods Historisch Museum (JHM) in Amsterdam, het weinig bekende verhaal van de Joden in het zuiden van Marokko. Hoofdbestanddeel van de expositie zijn de foto’s van de Marokkaans-Joodse amateurfotograaf Elias Harrus (1919-2008) en de Nederlandse fotograaf Pauline Prior.

Harrus legde het dagelijks leven vast van de Zuid-Marokkaanse Joden, in de periode vlak voor hun massale uittocht naar Israël. Hij fotografeerde rabbijnen, het joodse religieuze onderwijs, de joodse feesten, vrouwen en hun huishoudelijke bezigheden, ontmoetingen met Berbers, op de markt of onderweg op een ezel. De landschappen, de kleding, de bezigheden: het zijn haast bijbelse taferelen. De foto’s geven een goed beeld hoe sterk de beide culturen, de Joodse en Berberse, met elkaar verweven waren.

In opdracht van het JHM reisde Prior vorig jaar af naar Marokko, om vast te leggen wat daar vijftig jaar later is overgebleven van de eeuwenlange aanwezigheid van Joden. Stille getuigen zijn er nog te over: begraafplaatsen, tombes van heiligen, synagogen, voormalige Joodse schooltjes van de Alliance Israélite Universelle, maar levende vertegenwoordigers van de Joodse cultuur zijn er nauwelijks meer. In heel Marokko leven vandaag de dag nog 3500 Joden (zie inzet).

Prior fotografeerde behalve resten van het Joodse erfgoed in het zuiden, tevens de Joodse gemeenschap in Casablanca, waar meer dan tweederde van de 3500 Marokkaanse Joden nu woont. Ook legde zij zowel in Marokko als in Israël een hilloela vast. Dat is een typisch Marokkaans-Joodse viering van de sterfdag van rabbijnen die wonderen konden verrichten en na hun dood als heiligen worden vereerd. Oók door de, islamitische, Berbers.

Volgens conservatrice Julie Marthe Cohen, die de tentoonstelling heeft samengesteld, hadden en hebben de moslims vaak meer vertrouwen in Joodse dan in hun eigen heiligen. Een van de foto’s van Prior toont een graf waarvoor wat kleren in het zand liggen. Cohen: „Moslimvrouwen gaan, voordat ze gaan trouwen, nog steeds naar graven van Joodse heiligen. Daar besprenkelen ze zichzelf met water en laten ze kleding achter.”

Veel Marokkanen kennen hun eigen geschiedenis niet, constateert Cohen. „Ze hebben er geen flauw benul van dat Marokkanen en Joden zo lang als broeders en zusters hebben samengeleefd.”

Hoe zag die verdwenen samenleving er dan eigenlijk uit?

Wanneer in de zevende eeuw de Arabieren Marokko veroveren en de Berberbevolking islamiseren, wonen de Joden verspreid over het land. Voor de islam zijn Joden dhimmi’s, inferieure mensen. Daarom krijgen ze ook beperkingen opgelegd. In de grote steden in het noorden zijn de Joden voor hun veiligheid afhankelijk van de sultan, maar in het Atlasgebergte en de Sahara is er nagenoeg geen controle van de regering. Hier in het zuiden worden de Joden, tegen betaling van extra belasting, beschermd door de Berbers, een verantwoordelijkheid die zij hoog opnemen en die binnen elke stam van vader op zoon wordt doorgegeven.

In de dorpen wonen de Joden bij elkaar in de mellah, de Joodse wijk. Ze hebben zelfbestuur en mogen hun godsdienst vrij belijden. Te midden van de rivaliserende Berberstammen nemen de Joden een neutrale plaats in. Ze doorkruisen de verschillende streken en trekken met handelswaar van soek naar soek, dé ontmoetingsplaats van Berbers en Joden bij uitstek. Bovendien specialiseren Joden zich in ambachten die voor moslims verboden zijn, zoals leerlooien, en leveren zo de Berbers belangrijke diensten. Dankzij deze wederzijdse afhankelijkheid leven Joden en Berbers doorgaans in pais en vree samen: ze delen dezelfde gebruiken, dragen dezelfde kleding, spreken dezelfde taal en vereren, zoals gezegd, soms dezelfde heiligen.

In de loop van de negentiende eeuw verandert de traditionele samenleving voor Joden en moslims. Door de groeiende inmenging van Europa in Marokko worden de gemeenschappen langzamerhand uit elkaar gedreven.

Nieuwe handelscentra en producten ondermijnden bestaande, soms eeuwenoude handelsroutes en verstoren het evenwicht in de economische verhouding tussen moslims en Joden.

Ook de Frans-Joodse Alliance Israélite Universelle, opgericht in 1860, draagt haar steentje bij aan de verwijdering. Cohen: „De Alliance, in het leven geroepen door westerse Joden, die zich vanuit liefdadigheid bekommerden om het lot van de ’arme en gedepriveerde’ Joden in het – achtergebleven – islamitische Middellandse Zeegebied, zette ook in Marokko vak- en landbouwscholen op, ter verheffing en emancipatie van hun volksgenoten. Door dit betere, op Franse leest geschoeide, onderwijs krijgen de Joden op den duur ook betere economische kansen dan moslims. Elias Harrus werkte voor de Alliance en kwam vanuit die hoedanigheid in het zuiden van Marokko terecht, waar hij de plaatselijke bevolking begon te fotograferen. De unieke foto’s, die het uitgangspunt zijn geweest voor deze tentoonstelling.”

In 1912 wordt Marokko een Frans protectoraat. Vanaf de jaren dertig onderwerpen de Fransen ook het zuiden van Marokko. Zij ondermijnen het gezag van de Berbers en daarmee de uitgebalanceerde verhouding tussen Berbers en Joden.

Maar de grootste klap in de verhoudingen, tevens het begin van de uittocht van Joden uit het zuiden van Marokko, valt na de stichting van de staat Israël. De moslims in Marokko voelen zich solidair met de Arabische landen en bekijken de Joden met steeds meer argwaan. Ook de Marokkaanse onafhankelijkheidsstrijd boezemt veel Joden angst voor de toekomst in.

De Jewish Agency stuurt vanaf eind jaren veertig veertig afgezanten naar het zuiden van Marokko, om de Joden daar voor te bereiden op hun vertrek naar Israël. Cohen wordt triest van dit verhaal, dat zij niet anders kan zien dan als je reinste misleiding. „De missionarissen van de Agency schetsten de argeloze Marokkaanse Joden een rooskleurig beeld van het beloofde en beloftevolle land waar ze heen gingen. Zij wisten niet wat hun te wachten stond, en dat was weinig goeds.

„Veel Marokkaanse Joden gingen letterlijk kapot aan hun nieuwe leven in de harde Israëlische samenleving. Ze werden buitengewoon slecht behandeld en hun cultuur werd onderdrukt. Later hebben zij zich weer opgewerkt en in de jaren tachtig zie je hun eigen, Marokkaanse cultuur weer opleven.

„De Alliance wilde dat de Joden in Marokko zouden blijven en dankzij goed onderwijs en goede zorg een beter leven zouden krijgen. De beweging was antizionistisch, maar de overredingskracht van de missionarissen van de Agency won het.”

De foto’s van Harrus en Prior zijn mooi en indringend, maar Cohen is vooral blij met het ’belangrijke verhaal, mooi en dramatisch tegelijk’, dat ermee kan worden verteld.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)
Koopman Azeroual, rijk geworden in de karavaanhandel, leed verlies toen deze tot stilstand kwam. Boudenib, 1960. (FOTO ELIAS HARRUS)
Islamitisch jongetje op een oude schoolbank. Taroudant, 2008. (FOTO PAULINE PRIOR)
Leraar en leerlingen van de traditionele religieuze school. Beni Sbih, Tagounit, mei 1958. (FOTO ELIAS HARRUS)

Deel dit artikel