Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het tragische einde van minister-president Dirk de Geer

Home

MEINDERT VAN DER KAAIJ

Nooit is een Nederlandse minister-president zo verketterd als Dirk de Geer na de oorlog. Berustten de beschuldigingen op feiten? Trouw-redacteur Meindert van der Kaaij ontdekte dat daar veel op af te dingen valt.

Het gevoel dat zijn gezag definitief was verdwenen moet Dirk de Geer hebben gekregen toen op een winterse avond in 1944 drie gemaskerde mannen van het illegale blad Vrij Nederland in zijn woonkamer stonden. Onder bedreiging van een vuurwapen eisten zij van hem en zijn vrouw een 'gelduitkering voor de goede zaak' van 'mensen die aan de verkeerde kant stonden'.

Maar ook na de oorlog viel hem zelden een positieve behandeling ten deel. Trouw-journalist Jaap Hoek noemde hem eens een 'soort Rudolf Hess in miniformaat'. Het sociaal-democratische Kamerlid Van der Goes van Naters meende dat Nederland in 1939 de leiding in handen had gegeven van een 'kneus', iemand met een 'zeldzame imbeciliteit'. Hoe kon het zo ver komen met een man die voor het uitbreken van de oorlog zo hoog stond aangeschreven? Waren al die verwijten terecht? In 1947 werd hij strafrechtelijk veroordeeld, maar kreeg hij een eerlijk proces?

Dat tragische politieke leven van Dirk de Geer maakte me nieuwsgierig en ik besloot over hem een proefschrift te schrijven om op mijn vragen een antwoord te vinden. Wat opviel, was dat maar weinig mensen in mijn omgeving van hem hadden gehoord, terwijl hij niet alleen twintig jaar in de Tweede Kamer zat (voor de CHU), maar ook elf jaar minister was en twee kabinetten leidde. Al ver voor het einde van zijn carrière werd hij voor zijn verdiensten benoemd tot minister van staat.

Zo lijkt ook iedereen vergeten dat zijn politieke hoogtepunt lag in de zomer van 1939, toen de Tweede Kamer het vijfde kabinet van Colijn meteen na de regeringsverklaring naar huis stuurde. De partijen hadden geen vertrouwen in het 'kabinet-Wilhelmina'; zo genoemd omdat de koningin hier zo duidelijk haar wens had doorgedrukt om Colijn aan de macht te houden. Hoewel de koningin niets in De Geer zag, was het voor bijna alle fractievoorzitters duidelijk dat maar één man in staat was om de crisis in de Nederlandse politiek te bezweren.

De Geer vormde in een week tijd een kabinet en dat was nodig ook omdat de internationale spanningen tot een hoogtepunt waren opgelopen. De 69-jarige staatsman zag kans een lang gekoesterde wens in vervulling te laten gaan: voor het eerst zou de SDAP deelnemen aan de regering. Dat was trouwens de tweede reden dat Wilhelmina weinig sympathie koesterde voor het kabinet dat ze 'firma Dirk en Co' noemde. Omdat De Geer naar een zo breed mogelijk draagvlak streefde, wilde hij per se een minister van ARP-huize in zijn kabinet hebben. Dat werd Gerbrandy.

Hoewel na de oorlog mensen meenden dat De Geer II een ramp voor het land was, moesten zelfs de liberale kranten, die heel verdrietig waren over het vertrek van Colijn, na een paar maanden erkennen dat het kabinet boven verwachting presteerde. Vlak na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 liet De Geer de ministers in de vroege uren naar zijn huis komen en schreef op zijn werkkamer een proclamatie waarin iedereen zich kon vinden. Zelfs Wilhelmina vond die 'heel goed'.

De paniek brak uit toen later die ochtend het ene militaire rampbericht het andere opvolgde. Alle plannen die voor een eventuele inval waren gemaakt, konden de prullenbak in. Geruchten gingen dat Duitse militairen reeds door Den Haag liepen. De Geer trachtte wanhopig contact te leggen met het staatshoofd, maar zij hield zich onbereikbaar. Het kabinet nam zeer moeizaam het besluit om de regering naar Londen te verplaatsen en pas nadat het bericht was binnengekomen dat de koningin plotseling het land had verlaten.

Dat het staatshoofd en het kabinet uiteindelijk in dezelfde stad terecht kwamen was toeval. Het is de vraag of Wilhelmina, die volgens haar biograaf Fasseur een grote minachting koesterde voor de politiek in het algemeen en het kabinet-De Geer in het bijzonder, hiermee blij was. Daarop wijst een tweede poging om van De Geer af te komen. Zij stelde voor - Gerbrandy had haar op dit idee gebracht - om hem met wat ministers naar Nederlands-Indië te sturen. De Geer - en de rest van het kabinet, minus Gerbrandy - voelde niets voor deze nutteloze reis, maar Wilhelmina hield stug vol en liet doorschemeren voor deze kwestie te willen aftreden. De Geer werd gered door de gouverneur in Indië, die de komst van een regeringsdelegatie afkeurde.

De derde poging van Wilhelmina slaagde. De Geer had aan zijn kabinet toestemming gevraagd en gekregen voor een vakantiereis naar Zwitserland. De koningin vond dat een bespottelijk idee en greep dit aan om hem tot aftreden te dwingen. Het kabinet protesteerde, maar wederom dreigde Wilhelmina de uiterste consequentie te trekken. En weer legde De Geer zich hierbij neer, want een constitutionele crisis in de donkerste uren van het koninkrijk; dat wilde hij niet voor zijn verantwoording nemen. De Geer had een heilig ontzag voor het koninklijk instituut. Gerbrandy hield zich stil en nam als enige voor de daad van de koningin verantwoordelijkheid.

Vanuit Londen werd later de suggestie gewekt dat De Geer uit eigen beweging was opgestapt en de koningin in de steek had gelaten. Uit zijn laatste poging om de koningin op andere gedachten te brengen, bleek het tegendeel. Dat hij onwaardig werd bevonden om mee te werken aan 'de bevrijding van ons land en het herstel van Oranje' vernederde hem ten diepste. Hij wilde 'liever sterven dan 's lands dienst te verlaten', zo schreef hij aan zijn koningin.

Omdat hij in Londen verder niemand kende, wilde De Geer zich in Nederlands-Indië vestigen, waar enkele kinderen van hem woonden. Tijdens een overstap in Lissabon kreeg hij echter in de gaten dat hij, met hulp van Duitse autoriteiten, ook naar Nederland terugkon. Toen hij in februari 1941 weer voet op Nederlandse bodem zette, noemde Gerbrandy vanuit Londen De Geer een verrader die zijn koningin had laten vallen. Vervolgens schreef De Geer een brochure waarin hij een poging deed om dat beeld recht te zetten, maar waarin hij ook pleitte voor een synthese tussen democratie en nationaal-socialisme. Dit boekje wekte terecht grote verontwaardiging bij het verzet. Voor de terugkeer naar bezet gebied en de brochure werd De Geer in 1947 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat de rechtbank vond dat hij hiermee aan de Duitse bezetter hulp had verleend.

Al voor die strafzaak werd De Geer bedolven onder verwijten, maar in hoeverre waren die terecht? Zo werd gesuggereerd dat hij sympathie koesterde voor de NSB. Deze aantijging raakte hem diep. Voor de oorlog was De Geer een van de grootste bestrijders van die partij geweest. Mij bleek dat geen enkel gerucht over NSB-sympathieën gebaseerd was op feiten.

Een andere beschuldiging kwam van oud-minister van buitenlandse zaken Van Kleffens, die beweerde dat De Geer tijdens het kennismakingsgesprek met Churchill een 'allerakeligste indruk' had gemaakt. In het archief van de Britse premier vond ik een korte memo aan zijn ministers van buitenlandse zaken en defensie waaruit een heel ander beeld oprijst. Twee Nederlandse ministers hadden bij hem erop aangedrongen om een Nederlands leger te vormen en dat te voorzien van zoveel mogelijk materieel om de strijd tegen Duitsland voort te zetten. Churchill vond het 'very important' om hiermee aan de slag te gaan 'as quickly as possible'.

Waarom schilderde Van Kleffens een zo onjuist en negatief beeld van dat gesprek? Vermoedelijk wilde hij de aandacht van zijn eigen handelen afleiden. Zo steunde hij in de zomer van 1940 een gesprek dat KLM-directeur Plesman had met nazi-topman Göring over een mogelijke vrede. In het verslag van dit gesprek aan zijn Britse collega Lord Halifax droomde Van Kleffens al van een tunnel onder het Kanaal die de uitwisseling van goederen en personen tussen Groot-Brittannië en het continent mogelijk zou maken.

De Geer is vooral aangerekend dat hij als 'defaitist' - iemand die zich bij voorbaat neerlegde bij de overwinning van de nazi's - een voorstander was geweest van een eenzijdige vrede van Nederland met Hitler. Dit was volgens sommigen de reden voor Wilhelmina om hem tot aftreden te dwingen. Als bewijs voor die houding verschenen in het strafproces fragmenten van kabinetsnotulen waaruit met enige kwade wil zo'n voorstel gedestilleerd kan worden. Maar lezing van de notulen in zijn geheel leidt tot de conclusie dat niet De Geer dit wilde, maar zijn collega Van Rhijn. Dat De Geer het op een akkoordje wilde gooien met Hitler is een fabeltje.

Het verbaasde me dat het Openbaar Ministerie bij het strafproces over geheime staatsstukken beschikte waar enige jaren later zelfs de parlementaire enquêtecommissie geen toegang toe kreeg. Hoe kon dat? Na enig speurwerk bleek dat Gerbrandy de notulen zonder medeweten van zijn collega's had meegenomen naar huis en deze, na lang aandringen door ambtenaren van Algemene Zaken, pas teruggaf enige weken nadat De Geer door de Bijzondere Raad van Cassatie definitief was veroordeeld. Het Openbaar Ministerie kon maar van één man de fragmenten gekregen hebben.

Het bleek niet de enige betrokkenheid van Gerbrandy bij het proces. Zo verzocht hij na zijn aftreden de nieuwe regering tevergeefs om De Geer strafrechtelijk te vervolgen. Het proces kwam er toch dankzij openbaar aanklager Sikkel: de zwager van Gerbrandy, die door hem vlak voor het einde van de oorlog in die positie werd benoemd. Als reden voerde Sikkel de brochure aan die Gerbrandy over de jaren in Londen had geschreven en die volstond met beschuldigingen aan het adres van De Geer. President van het Bijzonder Gerechtshof was Van Hamel, een man met nauwe banden met zowel Wilhelmina als met Gerbrandy. Uit zijn agenda bleek niet alleen de warme vriendschap met laatstgenoemde, maar ook dat hij in de week voor het proces enkele keren contacten had gehad met advocaat-fiscaal Bakhoven. Van een onafhankelijke rechtspraak is geen sprake geweest.

Waarom spande Gerbrandy zich zo in voor de veroordeling van De Geer en riskeerde hij zelfs een straf voor het ontvreemden van staatsstukken en het doorspelen daarvan aan derden? Vermoedelijk redeneerde hij dat het makkelijker was om het ontslag van De Geer te verantwoorden wanneer zijn voorganger was veroordeeld. Daarin slaagde Gerbrandy goed. Over de betrokkenheid van Wilhelmina bij het ontslag van De Geer maakte niemand zich meer druk. De Geer werd, samen met Colijn, het symbool voor alles wat voor de oorlog fout was. Daar waar sociaal-democraten voor de oorlog De Geer prezen voor zijn moed om de SDAP in de regeringsmacht te laten delen, zo lieten zij na de oorlog geen spaan van hem heel.

De Geer kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf, die volgens het vonnis zeker onvoorwaardelijk zou zijn als hij niet 76 was geweest. Al zijn onderscheidingen werden hem afgenomen, ook die van minister van staat. Alleen met toestemming van de burgemeester mocht hij zijn woonplaats Soest verlaten. De Geer bekende dat hij op zijn loopbaan terugkeek als op een ruïne. De rest van zijn leven sleet hij als een paria en schreef hij wanhopige brochures om zijn naam te zuiveren.

De schrijver hoopt vandaag op dit onderwerp te promoveren aan de Universiteit Leiden. Meindert van der Kaaij: 'Een eenzaam staatsman. Dirk de Geer (1870-1960)'. Verloren, Hilversum, € 45.

Dirk de Geer
Dirk de Geer was zoon van een hervormde dominee en van adel. Als jongeman bleek hij zeer intelligent, maar had hij ook zijn tekortkomingen. Zo was hij moeilijk in de omgang, had hij weinig vrienden en deed hij het liefst alles alleen. Deze eigenschappen braken hem als politicus/bestuurder menig keer op.

Na zijn studie rechten werd De Geer journalist bij De Nederlander, een krap bij kas zittende krant die gelieerd was aan de CHU. Veertien jaar lang werkte hij in alle eenzaamheid op de redactie. Behalve van de gemeenteraad in Rotterdam, Provinciale Staten van Zuid-Holland werd hij voor de CHU ook lid van de Tweede Kamer (1907). Zijn eigengereidheid bleek al tijdens zijn maidenspeech toen hij zijn partijgenoten verbaasde met een pleidooi voor algemeen kiesrecht.

Ook daarna schrok De Geer niet terug voor afwijkende standpunten. Zo was hij als enige van de confessionele partijen voor legalisering van crematie en pleitte hij tot afschuw van CHU'ers voor het recht voor katholieken op een processie. De Geer vond het onverstandig om een grote partij als de SDAP zo lang bestuursverantwoordelijkheid te onthouden en bracht dat tot 1939 tevergeefs bij elke formatie bij koningin Wilhelmina naar voren.

Deel dit artikel