Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het Rijks was de koning te rooms

Home

Paul van der Steen

Het nieuws van deze week heeft zijn voorgangers in de geschiedenis. De twist over het Nationaal Historisch Museum lijkt op de ruzie over het Rijksmuseum, eind 19e eeuw.

Echt feest wilde het niet worden bij de opening van het Rijksmuseum in Amsterdam in 1885. ’De inwijding der gebouwen hadde verdiend te wezen een groote Nederlandsche plechtigheid’, schreef de schrijver Max Rooses in De Gids. ’Zoo is het niet gebeurd; maar het valt ons gemakkelijk de ambtelijke koelheid bij het feest van dien éénen dag te vergeten, wanneer wij denken aan het feest, dat het vaderland en de wereld eeuwen lang in dit gebouw zullen vieren.’

Koning Willem III schitterde door afwezigheid. Hij weigerde de opening te verrichten, zoals hij eerder geen trek had in het leggen van de eerste steen. Hij zou verklaard hebben nooit van zijn leven een voet in ’dat klooster’ te zullen zetten. Daarmee verwoordde hij de gevoelens van velen uit de protestantse hoek die vonden dat er met belastinggeld niets minder dan een neogotische kunstkathedraal was neergezet. In hun ogen was het een couppoging van paapse krachten.

Zoals het Nationaal Historisch Museum (Bij het Openluchtmuseum of bij de Rijnbrug in Arnhem? Ãœberhaupt in Arnhem of toch in Den Haag? Ontwerp van architect Francine Houben of niet? Wel of geen canon?) anno 2009 de gemoederen verhit, spleet in de negentiende eeuw de totstandkoming van een Rijksmuseum de politiek en kunstwereld.

Het idee dat Nederland zijn eigen nationale galerie moest krijgen, had brede steun. Sinds 1813 verbleven de nationale kunstschatten op verschillende plekken en ze verhuisden nogal eens. De opdrachtverlening verliep echter tumultueus. Was er in 1863 nog sprake van een open prijsvraag waaraan iedere architect kon meedoen, in 1875 mondde ze uit in een besloten onderonsje voor drie geselecteerde kandidaten. Dat met de katholiek Victor de Stuers als belangrijkste ambtenaar op kunstgebied juist de bouwmeester Pierre Cuypers als winnaar uit de bus kwam, wekte de schijn van rooms gekonkel.

De keuze voor Amsterdam leverde minder debat op. Vestiging daar – aan de Stadhouderskade was een mooi perceel beschikbaar – lag voor de hand. De in het Trippenhuis ondergebrachte rijkscollectie en de verzameling van de hoofdstad zelf vormden het fundament. Nog een punt van zorg: de kosten. Na voltooiing bleek het kunstpantheon drie keer zo duur dan gepland. Met twee miljoen gulden was het het duurste gebouw van Nederland. Geldsmijterij, oordeelden velen.

Bij de eerste plannen voor het nu voorgestane Nationaal Historisch Museum gold de geschiedeniscanon als uitgangspunt. De directie van het nieuwe instituut komt daarop terug: ’De canon is een onderwijsmethode, geen uitgangspunt voor een museum’.

Ook bij het Rijksmuseum redetwistten deskundigen over wat de bezoekers te zien moesten krijgen. De viering van Nederlands Gouden Eeuw met meesters als Rembrandt van Rijn en Frans Hals (Vermeer moest nog herontdekt worden) was boven elke twijfel verheven. De mate van aandacht voor de Middeleeuwen als fundament voor die bloeitijd stond wel ter discussie. Wie daar uitgebreid bij wilde stilstaan en ook nog eens rooms-katholiek was, laadde al snel de verdenking op zich dat hij de kerk van Rome in gunstige zin wilde uitlichten.

Nog steeds krijgt het Rijksmuseum niet alle handen op elkaar. Toch is er enige herwaardering voor het werk van Cuypers. Bij de restauratie die nu gaande is, wordt de hand van de architect weer zichtbaar gemaakt. De Franse schrijver Paul Verlaine (1844-1896) verwoordde het Rijksmuseum-gevoel misschien het beste. Hij noemde het het enige monument van betekenis in de hoofdstad. „Het is niet mooi, niet lelijk, maar het is ontegenzeggelijk groots.” Zo’n reactie moet het Nationaal Historisch Museum nog maar zien te ontlokken.

Deel dit artikel