Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het prutrijm van Johan Joos

Home

Erik Jan Harmens

Af en toe duikt zijn naam even op, maar grote uitgeverijen hebben Johan Joos nog niet ontdekt. Onbegrijpelijk, vindt Erik Jan Harmens.

Johan Joos (1957) is een levende legende, al dachten velen dat de man allang dood was. Ooit maakte de Vlaming deel uit van de Maximalen, een eind jaren tachtig opgerichte groep dichters. Ik herinner me een zeldzame groepsfoto van het gezelschap waarop iedereen (Pieter Boskma, Tom Lanoye, Joost Zwagerman en anderen) poseerde zoals je hoort te poseren bij het presenteren van een nieuwe literaire groepering, met Joos helemaal links in de hoek verlegen glimlachend, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor zijn aanwezigheid.

Johan Joos maakte in die jaren in beperkte kring indruk met luidruchtige poëzieperformances en leverde na een onopgemerkt debuut in 1981 twee eigenzinnige dichtbundels, beide gepubliceerd bij uitgeverij Bert Bakker: ’Steilte’ (1986) en ’Stil de grain jaune’ (1989). ’Steilte’ werd deels handgeschreven gepubliceerd, in volatiel hanenpoothandschrift met als basismateriaal houtskool.

De taal in beide bundels was nieuw, maar leverde naast wat bewondering en afkeuring toch vooral een harde stilte als reactie op. Wat moest de standaard poëzielezer nu met lyriek als: „ik ben maar een gekwelde kinkel / leunend tegen de muur van een fruitwinkel.” Of: „vergeef mij, Spinoza en Heidegger / maar ik hoor liever proza / van een wauwelende kasseilegger.” Wat moest de lezer met poëzie die meer leek op plaagstootjes dan op een serieus te nemen nieuw geluid?

De Maximalen stopten eind 1989 en daarmee leek ook het openbaar dichterschap van Joos ten einde. Er werd niets meer van ‘m vernomen. Soms viel onder poëzieliefhebbers zijn naam en werd hem het meest buitenissige curriculum vitae toegedicht. Hij zou geestesziek zijn, als kluizenaar leven, als keramiekbewerker werken of al op het kerkhof liggen.

In 1996 verscheen bij de kleine uitgeverij Voetnoot ineens een bundeltje, ’Chanson inutile’. Een boek waarin Joos over amoureuze gevoelens sprak die ’voorgoed verdwenen / als spieren aan lijkenscheenbenen’. Weer diezelfde prutrijm die juist door die onbeholpenheid aanstekelijk werkte. Maar de bundel bleef onopgemerkt.

Zoiets dreigt nu weer te gebeuren, nu niet minder dan dertien jaar later de volgende poëzie-uitgave van Joos het licht ziet, ditmaal bij een experimenteel kunstcollectief in Joos’ woonplaats Gent genaamd Croxhapox.

Deze uitgever is zó experimenteel dat ze geeneens paginanummers op de bladzijdes aanbrengt. En ze is zó underground dat u de bundel echt niet zult gaan aantreffen in uw lokale literatuurspeciaalzaak, want boekendistributie is voor mietjes. Maar de bundel is te bestellen op website www.poeziecentrum.be en bestelt u ‘m alstublieft, want ik ben er helemaal klaar mee dat een behoorlijk talent als Joos zo onopgemerkt blijft.

Joos’ poëzie bevat heus nog altijd veel knurftige rijm die soms slaagt (‘de twinkel in je motoriek / overtreft de spanning rond de eerste spoetnik’) en soms in het geheel niet (‘een poedel pist op mijn inboedel’). Normaal gesproken heeft een dichter daar een redacteur voor die ‘m wijst op flauwiteiten. Maar ik verwacht niet dat ze zich bij Croxhapox een erg strenge editor kunnen veroorloven en Joos staat ook te boek als een moeilijk benaderbaar mens, dus het redigeren zullen we als lezer zelf moeten doen.

En trekken we hier en daar onze eigen strepen, dan treffen we in ’Majuskel’, want zo heet deze bundel, ontzettend goede gedichten aan. Bruuske gedichten vol onbehouwen drift: „Je raakt me als een schedelboring.” Of deze heerlijk-naïeve exclamatie van liefde: „Ach, Cupido met je onschuldige kop vol babyvet / dit zijn geen pijlen meer maar harpoenen.” En soms regels zó goed dat je niet kunt geloven dat deze dichter geen onderdak heeft bij een respectabele uitgeverij, in tegenstelling tot zoveel minder getalenteerde vakbroeders: „Wat is leven meer dan neonlicht / weerkaatst in regendruppels / die een reiger van zijn bek schudt.” Niet normaal toch, hoe bondig en raak daar het stadsleven en het landleven worden gerelateerd, met een reiger die het licht van de stad letterlijk van zich af schudt, alsof hij nee zegt.

Of neem het titelloze openingsgedicht, hieronder afgedrukt, dat verderop in de bundel in handschrift is weergegeven en dan door het gekras nog wat indringender oogt dan als het op reguliere wijze is gezet. Lees dit getormenteerde j’accuse eens een aantal malen hardop voor. De taal is bruusk maar misschien minder bruusk dan je denkt, als je in een lekkende schedel een verbeelding ziet van een huilend mens. Als je in het vel van haar botten willen scheuren, een verbeelding ziet van begeerte.

Maar dan brrr: die lukraak in de mist gehakte bijl op het eind, die huiveringwekkend genoeg toch houvast vindt.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie