Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het pakpapier van het commentaar

home

Jan Kuijk

De historicus Peter Bak verdedigde gisteren zijn proefschrift over de geschiedenis van Trouw, in het bijzonder hoofdredacteur Bruins Slot. Hij vergat, wellicht gehinderd door een gebrekkig archivering, dat Trouw een belangrijke rol heeft gespeeld in de cultuur-historische ontwikkeling. En dat Bruins Slot helemaal niet zo'n begenadigd en bezielend leider was.

In de inleiding tot zijn gisteren aan de Vrije Universiteit verdedigde proefschrift over Trouw Een 'meneer' van een krant, Trouw en Bruins Slot 1943-1968 legt Peter Bak verantwoording af van zijn aanpak en werkwijze en hij roept daarbij de schrijver/dichter Anton van Duinkerken aan als getuige. Diens ideaal van de persgeschiedenis was ,,geen opsomming van en karakterisering van ieder, die korte of langere tijd aan een krant medewerkte of er een rubriek verzorgde, geen onderzoek naar de activiteit en offervaardigheid van directeurs, expediteurs en advertentiewervers'', maar ,,de interpretatie van een idee''. Op die manier zou een onderzoeker kunnen doordringen tot 'de binnenkant' van een krant.

Baks proefschrift is in zijn eigen woorden ,,dus niet de neerslag van een systematische en - voor zover dat mogelijk is - 'objectieve' communicatiewetenschappelijke 'inhoudsanalyse', maar een door de 'subjectiviteit' van de schrijver gekleurde studie naar Trouw als verzetskrant en dagblad''.

Een mondvol, maar dat woordje 'dus' in het citaat begrijp ik niet (waarom zou een systematisch onderzoek niet kunnen leiden naar 'de binnenkant van een krant'?). Misschien zou ik daarvoor diep moeten afdalen in de wereld van verdriet, die eveneens in deze verantwoording te vinden is. De historicus Bak vertrouwt ons namelijk ook toe hoe slecht hij het aanvankelijk had getroffen bij de sectie communicatiewetenschappen van de Vrije Universiteit waar 'overwegend kwantitatieve onderzoeksmethoden' worden gehanteerd en waar hij aanvankelijk als onderzoeker was gestald. Gelukkig voor hem dat hij tenslotte toch heil heeft kunnen vinden bij het documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme aan de VU, waar in elk geval echte historici het bewind voeren.

Ik heb ook begrip voor de materiële moeilijkheden, waarmee Bak bij zijn onderzoek werd geconfronteerd, want er zijn nauwelijks bronnen voor de geschiedschrijving van de krant bewaard gebleven. Het redactie-archief van Trouw is bij de vele verhuizingen die de krant in de na-oorlogse jaren moest ondergaan, waarschijnlijk in een onbewaakt ogenblik bij de vuilnisman in bewaring gegeven en mijn ervaring in de journalistiek heeft mij geleerd dat maar weinig collega's worden geplaagd door een goed geheugen of een grote zorgvuldigheid bij het bewaren van stukken aan de dag leggen.

Baks voornaamste bron, hij geeft dat zelf ook aan, zijn daarom de in 'leggers' bewaard gebleven kranten van het legale en illegale Trouw geweest. Maar 'op krantenleggers is het hard zitten', verzuchtte ooit de pershistoricus Joan Hemels en ik kan me daarom best voorstellen dat Bak zich niet alleen 'voldaan', maar ook 'opgelucht' heeft gevoeld toen hij in de zomer van dit jaar zijn werk afsloot.

Baks hantering van deze bron werkt vooral goed voor de periode dat 'Trouw' een illegaal bestaan had. Alle afleveringen uit die periode zijn netjes in een handzaam formaat herdrukt en leiden in die vorm op de onderste plank van de boekenkast in menig werkkamer een stil en teruggetrokken bestaan. Bovendien verdient dat illegale 'Trouw' natuurlijk nauwelijks de naam van 'krant' in de veelomvattende en gecompliceerde betekenis, die met het begrip 'dagblad' verbonden is. Het illegale 'Trouw' was vooral een regelmatig verschijnend tijdschrift, dat weliswaar binnen die beperking zo goed mogelijk de actualiteit probeerde te volgen, maar dan toch in de eerste plaats om daarmee de lezers in die moeilijke tijd een hart onder de riem te steken met vormende en principiële beschouwingen en een enkele blik in de gewenste toekomst. Het beeld dat Bak daarvan geeft (en hij heeft daarvoor ongeveer eenderde deel van zijn boek nodig) lijkt mij duidelijk en afdoende.

Na 5 mei 1945 wordt die weg moeilijker te begaan, want dan moet 'Trouw' met de maatstaf van het dagblad worden gemeten. Dat lukt Bak maar ten dele, maar dan moeten we ons herinneren dat hij in de al eerder geciteerde inleiding heeft gewaagd van ,,een door de 'subjectiviteit' van de schrijver gekleurde studie''. Wie zou, met deze wetenschap toegerust, verder nog wat durven opmerken? Ik waag het er toch maar op en pas dan gelijk tegenover eventuele bezwaarden het begrip 'subjectiviteit' ook op mijzelf toe.

Bak vertrouwt zijn lezer in de inmiddels uit-en-ter-na geciteerde inleiding ook toe, dat hij ,,in zekere zin de intellectuele biografie van Bruins Slot ter hand neemt''. Over dat begrip 'intellectuele biografie' zullen we niet stoeien, maar alleen constateren dat het in elk geval de beperking van dit boek aangeeft. Bruins Slots intellectuele ontwikkeling wordt vooral geschetst met behulp van de in commentaren neergelegde voorlichting en dan nog vooral op het gebied van de binnenlandse politiek. Dat 'Trouw' ook een belangrijke rol heeft gespeeld in de cultuur-historische ontwikkeling van Nederland en meer in het bijzonder het gereformeerde volksdeel in ons land, blijft onderbelicht.

Op dit punt moeten we het dan vooral hebben van de brede aandacht die Bak (terecht) besteedt aan de in 1963 gevoerde discussie over de toen (zeker in de grote stad) problematisch geworden zondagsviering. Maar nu wij toch subjectief bezig zijn: ik zelf had ook graag een op zichzelf misschien onbetekenend detail vermeld willen zien - hoe 'Trouw' in die dagen als de enige krant in Nederland Remco Camperts gedicht 'Niet te geloven' over de sfeer van de bevrijding in 1945 publiceerde met daarin de regel ,,Alles zoop en naaide''.

Wat meer vrijzinnig georiënteerde kranten hadden zich beperkt tot - mogelijk ironisch bedoelde - omschrijvingen van het geïncrimineerde woord als 'het hanteren van naald en garen' om aan te duiden waar de rel over ging, toen de Avro-televisie op grond van dit ene gedicht en deze ene regel een programma over Campert weigerde uit te zenden. Maar binnen de wat anarchistische sfeer op de avondredactie van Trouw (zorgvuldige lezing van het boek leert dat die sfeer op zichzelf geen nieuw verschijnsel was) leverde de vraag over het al-of-niet publiceren een discussie op die niet langer dan twee of drie minuten duurde. En volgens de secretaris van de hoofdredactie kwam na die opzienbarende publicatie van één regel (Trouw was plots nieuws en nadien durfde iedereen Campert te citeren) de volgende week slechts één reactie binnen. 'Voortaan niet meer doen!' adviseerde deze lezer.

Een bezwaar tegen Baks presentatie van Bruins Slots ontwikkelingsgang lijkt me verder dat dit een tamelijk verbrokkeld en, naar ik de indruk heb, ook vrij willekeurig beeld oplevert. Veel aandacht krijgt Trouws rol in de afhandeling van wat tussen 1945 en 1949 'de Indische kwestie' heette. ,,Gezag is gezag en rebel is rebel'' vormde de apodictische basis onder Bruins Slots oordeel en dat levert niet het mooiste hoofdstuk uit de geschiedenis van Trouw op.

Maar ik miste toch wel een nadere uitwerking van de rol die bijvoorbeeld de actiegroep 'Rijkseenheid' op Trouw heeft gehad, vooral als wij uit Baks relaas horen dat een doorgewinterde en niemand ontziende conservatief als prof. Gerretson/Geerten Gossaert in die tijd ook hoofdartikelen voor Trouw schreef. Je vraagt je dan bijvoorbeeld af wat de invloed was van oud-premier Gerbrandy, die minder dan Gerretson als een politieke outsider kon worden gezien, maar in die dagen niet minder een opruier was en ook nog een tijdje naast Bruins Slot in de AR-kamerfractie heeft gezeten.

En als we het geheel van de afwikkeling van de Indonesische kwestie (met het daaraan verwante probleem Nieuw-Guinea) bezien: waarom verwijst Bak niet naar Bruins Slots korte, maar juist daardoor indrukwekkende bekentenis bij het overlijden in 1966 van de Indonesische socialist en oud-premier Soetan Sjahrir: 'Trouw heeft het toen verkeerd gezien' (ik citeer uit het hoofd).

Baks vooral op Bruins Slot geconcentreerde aandacht laat helaas ook weinig zien van de niet altijd gelukkige bedrijfsvoering bij Trouw in die jaren. Bruins Slot was geen begenadigd en bezielend leider van een redactie-team. Daarvoor was hij te weinig vakman (ik had soms de indruk dat hij de krant vooral zag als het pakpapier voor de hoofdartikelen) en daarom verschuilde hij zich - verlegen en onzeker als hij was - het liefst in een kleine kring van vertrouwelingen. Maar ook de commerciële bedrijfsvoering had tot de jaren zestig, zo moeten we uit Baks summiere notities leren, meermalen het karakter van een 'de eindjes aan elkaar knopen'.

Tenslotte nog één opmerking over het door Bak ontworpen beeld van Bruins Slot. Voortdurend heb ik mij bij de lezing afgevraagd welke invloed de AR-leider Jan Schouten in en na de oorlog op Bruins Slot heeft gehad en wat het kennelijk magische geheim van Schouten was. Bruins Slot was immers van een heel andere karakterstructuur en levenservaring dan Schouten. Hij was dan wel 'goed' anti-revolutionair en gereformeerd, maar hij paste ook weer niet precies in het schema. Hij beriep zich graag op Anema en Diepenhorst (twee buitenbeentjes in de kuyperiaanse wereld) als zijn leraren aan de Vrije Universiteit en voor de oorlog was hij als burgemeester van Adorp in het verre Groningen, lid van de Groninger Gemeenschap - een vage praatgroep, die onder het niet uitgewerkte thema 'vernieuwing' het voornamelijk op het traditionele partijstelsel had voorzien.

Het sterke punt van het illegale Trouw is dat het zich met kracht tegen dit soms autoritaire gekoketteer heeft verzet, maar opmerkelijk is dan wel dat Trouw, als Schouten in het concentratiekamp Mauthausen is opgesloten, voor verandering pleit - een Christelijke Volkspartij, in welke CVP niet alleen de ARP en CHU, maar ook de veel meer linkse en anti-militaristische CDU zich moesten verenigen (de CDU is in 1946 opgegaan in de Partij van de Arbeid).

Het pleidooi wordt niet meer gehoord als Schouten uit gevangenschap terugkomt met de boodschap: 'ik ben niet veranderd'. Bruins Slot is dan ook weer helemaal in het gareel (het 'gezag is gezag en rebel is rebel' heeft hij waarschijnlijk ook van Schouten geleerd), maar zijn echte omkeer - ik zou zeggen: zijn terugkeer tot zijn eigen aard - voltrok zich pas toen Schouten voorgoed van het toneel verdwenen was.

Ondankbare hond die ik ben - ik verlang na de lezing van Baks proefschrift vooral naar een boek over Jan Schouten. Maar die wens zal wel nooit worden vervuld, want Schouten heeft, zo vrees ik, nog minder bronnen achtergelaten dan Peter Bak tot zijn schrik heeft moeten ervaren bij zijn onderzoek naar Trouw en Bruins Slot.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie