Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

x

Het motto in Marknesse was vroeger is voorbij

home

WILFRIED VAN DER BLES

Kamp B in de Nooroostpolder was in de oorlog een prachtig proeftuin. Pioniers kwamen samen en leerden elkaar en elaars denken kennen zonder de dwingende scheiding van de zuilen. Maar het duurde niet lang. Al snel na de capitulatie was alles weer bij het oude. Dit artikel is gebaseerd op het jubileumboek 'Marknesse 50 jaar' dat in juni 1992 verscheen. Auteurs: Wilfried van der Bles en Bibi H.F. Rijken.

Het dorp heet Marknesse, en ligt in de Noordoostpolder, ongeveer zes kilometer van de hoofdplaats Emmeloord. Het ideaal werd gedragen door de pioniers die in de oorlogsjaren vanuit 'kamp B', het latere Marknesse, het drooggevallen land in cultuur brachten.

Als er in Nederland na de tweede wereldoorlog ergens een gouden kans lag om af te rekenen met het verzuilde leven van voor de oorlog op het 'oude land', dan was het wel in de Noordoostpolder. Het land, sinds 1942 drooggemalen, lag er bij wijze van spreken nog maagdelijk bij en de dorpen moesten nog worden gebouwd.

Marknesse, het 'oudste pioniersdorp', zoals de eerste bewoners nog steeds vol trots melden, bood in 1945 zo'n kans op een 'nieuwe' gemeenschap. Kamp B was al gedurende drie jaren bevolkt met mensen uit alle windstreken en van allerlei kerkelijke signatuur: Groningers, Brabanders, Friezen en Zeeuwen, katholiek en protestant, liberaal en socialist: gedurende drie jaar hadden ze in het kamp lief en leed met elkaar gedeeld, greppels gegraven, geploeterd en gezwoegd. En dan was er natuurlijk de gemeenschappelijke ervaring met de oorlog zelf: de onderduikers, de wapendroppings en de razzia's door de Duitsers. Een van de pioniers die het allemaal heeft meegemaakt en die later een bedrijf kreeg toegewezen bij Marknesse, vertelt over het kampleven: “Wie er voor open stond kon zich mengen in interessante gesprekken. Er waren hooglopende discussies over de toekomst. Na de oorlog zou er meer eenheid moeten komen tussen de verschillende levensbeschouwelijke groepen. Onder het motto: vroeger is voorbij. Op die manier was het een prachtig leven. Je hoefde niet alleen voor je slootje te werken.”

In het kamp zaten katholieke jongens die niet gewend waren om te gaan met protestanten en andersom. De zojuist geciteerde pionier beschrijft de avond van de eerste dag van zijn verblijf in het kamp: “We hadden kennis gemaakt. Maar dan weet je nog niets. Vreemd, vreemd en nog eens vreemd. Toen bij het avondeten de oudste een ogenblik stilte vroeg kwam het verschil er uit. Toen mijn broer en ik een kruisteken maakten was de kogel eindelijk door de kerk. De oudste nam hierna het woord. Hij zei: jullie zijn katholiek en wij zijn gereformeerd. Ik hoop niet dat jullie je in de minderheid zullen voelen. Al zouden wij allemaal katholiek zijn of gereformeerd, ik geloof niet dat de gemeenschap daar mee gediend zou zijn.”

De kampbewoners delen één kantine, die tegelijk ook dienst doet als toneel- en cabaretzaal en als kerk. Op zondagochtend is er eerst een katholieke mis, een uur later gevolgd door een gemeenschappelijke - gereformeerde en hervormde - kerkdienst. De kerken delen één koster, behorend tot de oud-gereformeerde kerk.

Zo ontstaat van lieverlee een sterk saamhorigheidsgevoel. De pioniers - in elk geval een aantal leidinggevenden onder hen - hopen hun eenheidsideaal na de kamptijd ook in het nieuwe dorp Marknesse vorm te geven. Het verenigingsleven dient zo algemeen mogelijk te worden gehouden, zo besluiten ze. En aanvankelijk ziet het er even naar uit dat ze daar ook in zullen slagen. In 1945 wordt één sportvereniging opgericht. Om de protestanten binnen boord te houden valt de keuze op zaterdagvoetbal.

De pioniers hebben ook geen enkele behoefte aan drie verschillende standsorganisaties. In 1945 besluiten enkele honderden van hen om in de Noordoostpolder één standsorganisatie op te richten. Ook spelen ze met de gedachte te komen tot één boerenleenbank. Daarnaast wil men in protestants-christelijke hoek afrekenen met de vooroorlogse politieke verdeeldheid tussen CHU en ARP. Eén christelijke partij is mooi genoeg. En één kerkgebouw voor hervormd en gereformeerd ligt - na de ervaringen met de kampkantine - voor de hand.

Maar ach... nog nauwelijks een begin gemaakt met de realisering van hun idealen worden de pioniers van hogerhand en van buitenaf tot de orde geroepen. Het besluit tot de oprichting van één standsorganisatie is nog niet genomen of de plaatselijke geestelijkheid komt in het geweer om dat te verhinderen. Het resultaat: nog in augustus 1945 worden drie verschillende standsorganisaties opgericht. Er komen in de polder ook keurig twee boerenleenbanken: de fel met elkaar concurrerende Raifeissenbank (protestant) en de Boerenleenbank (katholiek). In 1946 is een bezoek van de landelijke politieke leiders Schouten (ARP) en Tilanus (CHU) aan de Noordoostpolder voldoende om een einde te maken aan de illusie dat één christelijke partij tot de mogelijkheden zou behoren.

Daarmee is eigenlijk de toon wel gezet. In enkele jaren tijd schieten aparte protestantse, katholieke en - ja, dat ook nog wel - algemene, of althans niet-kerkelijke, clubs en clubjes als paddestoelen uit de grond. Wanneer de dorpsvereniging in het begin van de jaren zestig een inventarisatie maakt van de verenigingen die Marknesse rijk is worden er maar liefst zestig geteld.

Zit het eenheidsideaal van de pioniers uiteindelijk minder diep dan ze zelf - nog steeds - voorwenden? “Wíí wilden wel, maar we mochten niet”, is het verweer. Vrij vertaald: het ideaal was er wel, maar uiteindelijk woog de loyaliteit aan de eigen, kerkelijke groep zwaarder. Het gezag telde nog in die jaren.

Het is ook wel moeilijk om de verzuiling buiten de deur te houden. De polder vormde nu eenmaal geen eilandje in het grotere Nederlandse geheel. De pioniers hadden bovendien geen enkele invloed op het ontwerp van hun dorp. De ontwerpers stond nu eenmaal een klein, verzuild (drie kerken, drie scholen) agrarisch dorp voor ogen. Wat voor de ontwikkeling van het dorp (en voor de hele polder) zwaar meetelt is dat bij de selectie van kandidaten voor de bedrijven ook gelet wordt op hun religieuze gezindheid. Eenderde van de bedrijven moet toevallen aan katholieken, eenderde aan protestanten en eenderde aan niet-kerkelijken. En de 'selecteurs' nemen geen genoegen met de verklaring dat iemand katholiek is of hervormd. Er moet sprake zijn van werkelijke kerkelijke meelevendheid. Dit werkt de verzuiling enorm in de hand. Vooral wanneer vanaf 1950 de pioniers geen voorrang meer krijgen bij de toewijzing van bedrijven, maar moeten concurreren met buitenstaanders komen er steeds meer bewoners die aan de oude pionierstijd en de idealen die toen leefden geen boodschap meer hebben.

De keurige verdeling van de bedrijven over katholiek, protestant en niet-kerkelijk loopt bij Marknesse in het honderd. Bij de toewijzing van de bedrijven in de omgeving van Marknesse krijgen Walcherse boeren en Friese gardeniers voorrang. Die zijn toevallig protestant. De katholieken en onkerkelijken raken in de minderheid.

Vooral de katholieken volgen met argusogen aan wie de bedrijven worden toegewezen. Op elf januari 1950 noteert de pastoor in het parochiejournaal teleurgesteld: “De nieuwe verpachting is bekend. Marknesse brengt het er heel slecht vanaf. Slechts drie nieuwe pachters komen er in de parochie bij.”

Kenmerkend voor het dorp in de jaren vijftig is, behalve de verzuiling, ook een ver doorgevoerd standsdenken. De verhouding tussen boer en arbeider is zacht uitgedrukt koel en afstandelijk. Marknesse is gepland als dorp voor landarbeiders, maar veel arbeiders - net als de boeren streng geselecteerd - voelen zich er ongelukkig, en keren de nieuwe polder al weer snel de rug toe. Ook gedwongen door de mechanisering in de landbouw overigens. Standsdenken bepaalt eveneens de sfeer tussen de boeren onderling. Iemand herinnert zich: “Een boer van 12 bunder ging niet naast een boer van 24 bunder zitten op vergaderingen. En bovendien gingen Friezen bij Friezen zitten, Groningers bij Groningers enzovoort. En daarbij zochten geloofsgenoten ook nog eens een plaatsje naast elkaar.”

Het bestuur van de dorpsvereniging, grotendeels in handen van de pioniers, zet alle zeilen bij om het dorpsleven over de verzuilde grenzen heen impulsen te geven. Dit leidt soms tot vermakelijke conflicten. Zo besluit de dorpsvereniging tot de oprichting van een algemene feestvereniging. Maar de bestuursleden kunnen het niet eens worden of dat het karakter moet krijgen van een Oranjevereniging of - gewoon - een feestvereniging. Het eerste is voor een paar verstokte socialisten onverteerbaar. Er rolt een voor het dorp typerend compromis uit: het wordt een gewone feestvereniging, die jaarlijks een feest organiseert op Koninginnedag.

Marknesse is in de jaren vijftig en zestig een vrijwel perfecte afspiegeling van Nederland als geheel. Terwijl de 'zuilen' duidelijk gescheiden naast elkaar staan, neigen de toppen van de zuilen naar elkaar toe om zaken te doen over gemeenschappelijke belangen. Wie min of meer tot de dorpselite gerekend kunnen worden - dominees, pastoor, huisarts, grote boeren, onderwijzers - komen bij elkaar over de vloer, of ontmoet elkaar op z'n minst met enige regelmaat. In 1958 leidt dit tot een verrassend initiatief. Dan stellen drie vooraanstaande dorpsbewoners voor, gesteund door de dorpsvereniging, een Openluchttheater op te richten. Het is de bedoeling dat het - naar het voorbeeld van het Drentse Diever - jaarlijks tot een grote, massale toneelvoorstelling komt in de open lucht, waarbij zoveel mogelijk geledingen uit het dorp worden betrokken. De krant, Het nieuwe land, vat de diepere bedoeling van het initiatief prachtig samen: “hervormde arts, gereformeerde dominee en katholieke onderwijzer nemen initiatief tot openluchtcomité”.

De keuze van de stukken komt er nogal op aan, evenals de rolverdeling. Zo speelt de gereformeerde dominee in 1961 in Don Quichotte op de bruiloft van Camacho de rol van pater capucijn. Zijn eigen achterban neemt hem dat niet in dank af, hoewel de pater in het stuk juist de Roomse hegemonie aan de kaak stelt. Nog in 1969 ondervindt de opvoering van Mariken van Nimwegen kritiek. Menigeen ziet het toch als een rooms stuk, hoewel het kan worden gerekend tot algemeen Nederlands cultuurgoed.

Inmiddels bestaat het verzuilde en standsgevoelige dorp uit de jaren vijftig en zestig niet meer. De vijf, inmiddels zes kerken, staan er nog. Maar de scheidslijnen zijn minder scherp of doen door de ontkerkelijking voor steeds minder mensen ter zake. En de pioniers? Die zijn trots op wat ze voor elkaar hebben gekregen. Marknesse is 'hun' dorp, het 'oudste en enige echte pioniersdorp' van de polder.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.