Het mooie geloof van Mitt Romney

home

SIMON CRITCHLEY

Mitt Romney in de deelstaat Utah, waar de mormonen wonen. © AFP
Essay

Over het mormoonse geloof van Mitt Romney wordt lacherig gedaan. Maar Simon Critchley, zelf atheïst, ziet het als een echt Amerikaans geloof: de mens kan God worden.

Ik woon nu bijna negen jaar in New York. Het is één groot feest. Maar inmiddels ben ik behoorlijk gevoelig geworden voor de vooroordelen die New Yorkers in het openbaar mogen spuien. Voor mijn enorm hooggeschoolde en ruimdenkende vrienden zijn racistische uitlatingen volstrekt onaanvaardbaar, islamofobie kan rekenen op misprijzend hoofdschudden en antisemitisme is een herinnering aan verre plaatsen die je soms bezoekt - zoals Frankrijk.

Maar het mormonisme is wat anders. Vanuit totale onwetendheid mag je daar dingen over roepen, tijdens etentjes en zo. "Het is een sekte", zegt de een. ('Met dertien miljoen volgelingen en een teller die oploopt?', antwoord ik.) "Polygamie is walgelijk en verboden", zegt iemand anders. ('Werd dat niet al in 1890 in Utah, waar de mormonen wonen, bij wet verboden?')

Het mormonisme heeft gewoon iets vreemds en alleen al het noemen van Het Boek van Mormon is vragen om zelfgenoegzaam lachen en giechelen. Zoals een geleerde op het gebied van het mormonisme eens opmerkte: je hoeft Het Boek van Mormon niet gelezen te hebben om er een mening over te hebben. Dat Boek van Mormon is volgens de aanhangers in 1823 door de engel Moroni aan oprichter Joseph Smith meegegeven.

Maar heel af en toe doe ik tijdens een van die New Yorkse soirées - misschien kortstondig en onmormoons gesterkt door wijn - een poging om mijn beperkte begrip van Joseph Smith, de grondlegger van het mormonisme, en mijn fascinatie voor zijn Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, over te brengen. Na ongeveer vijfenveertig seconden, soms korter, wordt duidelijk dat het vooroordeel berust op totale onwetendheid over de wonderlijke glorie van de mormoonse theologie. "Het zijn toch allemaal Republikeinen", hoor ik dan. "Ik bedoel, neem nou die Mitbot Romney. Dat is een alien." Dit achteloze antimormoonse sentiment is voor iemand zoals ik, die niet hiervandaan komt, nogal verwarrend.

Dat komt voor een groot deel doordat ik iets andere ervaringen met het mormonisme heb. Heel vroeg tijdens mijn filosofische reizen, om precies te zijn in het Italiaanse Perugia, ontmoette ik mormoonse filosofen, en leerde ze behoorlijk goed kennen. Zij waren verbonden aan de mormoonse Brigham Young Universiteit en behoorden tot de aardigste, bescheidenste en eerlijkste mensen die ik ooit heb ontmoet. Ze waren ook grappig, warm, oprecht, totaal niet bevooroordeeld, slim en enorm belezen. Wij werden vrienden.

Natuurlijk was er in die tijd ook wantrouwen, misschien zelfs meer dan nu. Ik herinner me dat een Amerikaanse vriend mij eens laat op de avond apart nam en tegen me zei: "Weet je, die vent van de Brigham Young Universiteit. Ze zeggen dat hij een bisschop is en geheime erediensten houdt." "Eet hij ook baby's?", was mijn repliek.

Daar zit een verhaal achter. Vanwege mijn vriendschappelijke contacten met de filosofen van de Brigham Young Universiteit werd ik in 1994 uitgenodigd om een serie lezingen te geven. Ik verbleef ruim een week in Provo in de staat Utah. Eerlijk gezegd viel de afwezigheid van cafeïne en andere opwekkende middelen mij zwaar. Maar de gastvrijheid was enorm, ik werd bij mensen thuis uitgenodigd en zeer beleefd en met veel zorg tegemoetgetreden.

Mijn onderwerp was de Romantiek. Mijn betoog ging uit van de idee dat de buitengewone explosie van creatieve energie die wij associëren met romantische poëzie voortkomt uit een ontgoocheling over een religieus, in het bijzonder christelijk, wereldbeeld. Poëzie wordt de seculiere bijbel. Met andere woorden, romantische kunst is de aankondiging van de dood van God, een idee dat tegen het einde van de negentiende eeuw enorm aanslaat. Het is een bekend verhaal.

Het liep allemaal behoorlijk goed. Maar aan het einde van de laatste lezing gebeurde er iets vreemds. De professor Duits stelde een vraag. Hij zei: "Wat u ons deze week heeft verteld over de Romantiek en de dood van God gaat uit van een bepaald begrip van God, namelijk dat God unitair en oneindig is. Klopt dat?"

"Jawel", zei ik. "Ten minste twee van de eigenschappen van God zijn dat hij/zij/het unitair is en oneindig." Wat was ik toch bijdehand destijds. "Maar", vervolgde hij, "wat als God meervoudig en eindig was?"

Mijn lichte shock verbergend zei ik slechts: "Alstublieft, vertel verder." Een veelbetekenend lachen weerklonk in de zaal. Daarop sloot de voorzitter de sessie af. Ik liep recht op mijn ondervrager af. Een half uur later, bij een cafeïnevrije cola light in de universiteitskantine, legde hij uit wat er achter zijn vraag zat.

"Ziet u", zei de hoogleraar, "in zijn latere preken ontwikkelde Joseph Smith behoorlijk radicale ideeën. Om te beginnen: God is niet de schepper van tijd en ruimte, hij is eraan onderworpen en is derhalve een eindig wezen. De mormoonse God wordt enigszins ingedamd door het universum en heerst er niet over. De tekst die je hierover moet lezen is een geweldige preek met de titel 'King Follett', uitgesproken in Nauvoo in de staat Illinois, enkele maanden voordat de profeet vermoord werd. Hij vraagt een paar keer: 'Wat voor een soort wezen is God?' En zijn antwoord is dat God eens was zoals wij nu zijn."

De hoogleraar boog zich naar mij toe en vervolgde op zachtere toon: "Als je God op dit moment zou zien, op dit moment, dan zou je volgens Smith een wezen zien als jijzelf, in de gedaante van een man. Het grote geheim is dat God een man was die door heroïsche inspanningen werd verheven en nu in de hemel op de troon zit. Want weet je, God was niet altijd al God, hij werd God. De implicatie van deze bewering is dat als God een verheven man is, wij dus ook verheven kunnen worden. De profeet zegt tegen het gezelschap van heiligen ongeveer het volgende: 'Jullie moeten leren goden te zijn. Jullie moeten dezelfde macht en glorie erven als God en verheven worden zoals hij.' Want het is mogelijk de status van God te bereiken. Dus, beste Simon, wij kunnen ook goden worden, ja Amerikaanse Goden zelfs."

Hij grinnikte. Ik stond versteld.

Na deze woorden kwam mijn gastheer Jim mij ophalen voor een vroege avondmaaltijd bij hem thuis. Daarna bracht hij mij terug naar Salt Lake City voor mijn vlucht naar Chicago.

Ik staarde naar de uitgestrekte nachtelijke hemel boven de woestijn van Utah en dacht na over wat de professor gezegd had. Ik las de King Follett-preek en alles waar ik de hand op kon leggen.

Ik was er helemaal ondersteboven van. Ik stal ook een exemplaar van Het Boek van Mormon uit het Marriott Hotel in Chicago en worstelde mij door zoveel mogelijk tekst heen.

Uiteraard wist ik dat wat de professor me verteld had ketterij was. Het christendom is gebaseerd op het uitgangspunt van de incarnatie. Een paar millennia geleden was er een God-man-rabbi in bezet Palestina. Maar dat betekent nog niet dat iedereen maar kan pretenderen goddelijk te zijn, zoals Joachim van Fiore in de twaalfde eeuw, of de zeer betreurde dominee Sun Myung Moon. Er is slechts één incarnatie. God werd mens, hij werd gekruisigd en weer tot leven gewekt en we wachten nog steeds op zijn terugkeer. Het Nieuwe Testament, vooral het boek Openbaringen, is glashelder over zijn spoedige komst. Toegegeven, we wachten al een tijdje.

Om de wezenseenheid van God en mens in de persoon van Christus te verklaren, creëerde Augustinus het prachtige theologische bouwwerk van de drie-eenheid. De drie personen binnen de drie-eenheid (God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) zijn onderscheiden maar maken deel uit van dezelfde essentie. Drie in een is een in drie. Het is van een ketterse arrogantie om je goddelijkheid toe te eigenen of te beweren dat er meerdere incarnaties zijn. God is waarachtig, ondeelbaar en oneindig.

Joseph Smith geloofde dit allemaal niet. Hij leerde ons dat God de Vader en de Zoon separate essenties waren, beide stoffelijk. Over de drie-eenheid zegt Smith: "Ik zeg dat dat een vreemde God is", en hij vervolgt met een zin waarmee hij in 1844 ongetwijfeld de lachers op zijn hand kreeg: "Dit zou de grootste God ter wereld zijn. Hij zou een geweldig grote God zijn - hij zou een reus of een monster zijn."

Niet alleen is de mormoonse God niet zo groot als de christelijke God, ook zijn er een hoop goden binnen het mormonisme. In zijn latere preken spreekt Smith herhaaldelijk over een raad van de goden die plaatsgevonden zou hebben ergens voordat het boek Genesis begint. Deze raad is gebaseerd op een nogal wijdlopige interpretatie van verschillende Hebreeuwse woorden, en eindigt met de bewering: "De hoofd-God riep de Goden bijeen en zij zaten in de grote raadsvergadering om de wereld voort te brengen."

En wacht, het wordt nog gekker. Smith accepteert dat Jezus Christus een Vader had, te weten God, maar vervolgt: "Je mag aannemen dat Hij een Vader had", waaraan hij toevoegt: "Was er ooit een zoon zonder vader?" Het gezond verstand zou 'nee' antwoorden, maar christenen moeten antwoorden: "Ja, die was er." God zou alle schepselen geschapen hebben, maar zou zelf niet geschapen zijn. God is causa sui, zijn eigen oorzaak. Smith verwerpt dit idee uitdrukkelijk. Hij zegt: "Wij zeggen dat God zelf een op zichzelf bestaand wezen is. Wie heeft u dat verteld?" Hij vervolgt: "Ik zou stoutmoedig van de daken kunnen verkondigen dat God nimmer de macht bezat om de geest van de mens te scheppen. God was niet in staat zichzelf te scheppen." God is niet een onveroorzaakte oorzaak, maar maakt deel uit van de oorzakelijke keten.

Dit heeft wel wat weg van dat verbazingwekkende moment na Bertrand Russells lezing 'Waarom ik geen christen ben', uitgesproken in het Battersea gemeentehuis in Zuid-Londen in 1927. Nadat Russell zijn pleidooi voor het atheisme heeft afgerond vraagt een dame: "Wat meneer Russell zegt is mooi en aardig, maar hij vergeet dat het hele universum rust op de rug van een schildpad."

In het geheel niet uit het veld geslagen antwoordt Russell: "Mevrouw, waarop rust de schildpad." "Oh", is haar antwoord, "op een hele stapel schildpadden."

Ook Joseph Smith ziet een hele stapel schildpadden. Er is een eindeloze regressie van Goden die elkaar voortbrengen, maar die niet het universum veroorzaken. Dat wil zeggen, de schepping gebeurt niet zoals in het christendom waar God hemel en aarde schiep ex nihilo -uit het niets. Materie gaat juist vooraf aan de schepping. Hierdoor lijkt de mormoonse God op de demiurg in de heidense scheppingsmythe in Plato's Timaeus. De mormoonse God schept geen materie. Hij ordent deze alleen. En, toegegeven, dat heeft hij behoorlijk indrukwekkend gedaan.

Het mooie van het mormonisme is dat de aanhangers de doctrine van de incarnatie zeer serieus nemen. Misschien te serieus. Zo serieus zelfs dat ze erin geslaagd zijn deze gedeeltelijk te democratiseren.

Voor christenen is incarnatie een eenmalige sprong van de skischans, van het goddelijke naar het menselijke. Maar voor Joseph Smith is incarnatie meer een tweerichtingsstraat, en potentieel een hoofdstraat met behoorlijke verkeersopstoppingen. Als God een man wordt, dan kan een man ook God worden. En het woord 'man' moet je hier letterlijk nemen. Vrouwen kunnen geen priesters of profeten zijn of een uitsluitend mannelijke goddelijkheid nastreven, wat mij kleinzielig, jammer en nogal dwaas voorkomt.

Maar zo liggen de zaken. En ik wil niet eens ingaan op de kwesties van ras en de historische uitsluiting van zwarten van het mormoonse priesterschap tot 1978.

Het punt is dat veel mormoonse mannen God zijn geworden en God kunnen worden. Daaronder zeker Joseph Smith en Brigham Young, zeker iedereen die recht doet gelden op de titel van profeet, hoogstwaarschijnlijk de leiders van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, en mogelijk zelfs je-weet-wel. Een intrigerende gedachte.

In het mormonisme zijn het menselijke en het goddelijke gelijkwaardig, tenminste in de buitengewone theologie die Joseph Smith zo snel schetst in de King Follett-preek. Goddelijkheid is het doel van het vaak bewonderde mormoonse streven. Wellicht werken mormonen daarom zo hard.

Smith zegt, en hier krijgen we een duidelijke indruk van de vervolging die hij voelde en die hem uiteindelijk inderdaad verzwolg en doodde: "Zij bekritiseerden Jezus Christus omdat Hij zei dat Hij de Zoon van God was en zichzelf gelijkstelde met God. Ze zeggen over mij, zoals zij zeiden over de vroege apostelen, dat ik vernietigd moet worden. Wat zei Jezus? 'Staat er in uw wet niet geschreven: Ik heb gezegd: U bent goden.' Waarom zou het godslastering zijn wanneer ik zeg dat ik de zoon van God ben?"

Nadat wij aanvaarden dat wij, zoals mormonen het soms noemen, de wereld ingestuurd worden, is de opdracht om onszelf te verheffen zodat ook wij Goden kunnen worden. God de Vader was slechts een sterkere, intelligentere God die zwakkere intelligenties zoals ons mensen kan leiden.

De ketterse perspectieven van het mormonisme, in het bijzonder de idee van het bestaan van iets ongeschapens in de mens, prikkelde de zelfverklaarde Joodse gnosticus Harold Bloom. Ik las zijn boek 'The American Religion' (1992) kort na mijn reis naar Utah, en ik heb het onlangs met veel plezier herlezen. Bloom ziet het mormonisme als de kwintessens van een Amerikaanse godsdienst.

Het is niet erg logisch om het mormonisme niet christelijk te noemen. Het is duidelijk te lezen in de mormoonse geloofsartikelen, die gebaseerd zijn op Smiths beroemde Wentworth-brief uit 1842. In artikel 1 staat: "Wij geloven in God, de eeuwige Vader, en in zijn Zoon, Jezus Christus, en in de Heilige Geest." Maar, zoals Bloom overtuigend duidelijk maakt, het mormonisme is niet alléén christelijk. De nieuwe openbaring die Joseph Smith vanaf 1820 ontvangt tijdens zijn visioenen en de jaarlijkse bezoeken van de engel Moroni, is een nieuw evangelie voor de nieuwe wereld.

Het mormonisme is een Amerikaanse religie, die, mooi maar ten onrechte, de bewoners van de nieuwe wereld beschouwt als oeroude afstammelingen van de oude wereld, van de verspreide stammen van Israël. In artikel 10 staat: "Wij geloven in de letterlijke vergadering van Israël en in de herstelling van de tien stammen; dat Zion (het nieuwe Jeruzalem) op het Amerikaanse continent zal worden gebouwd."

Ik weet niet of premier Netanjahoe dit geloofsartikel ooit heeft gelezen, maar het zou enkele concrete gevolgen kunnen hebben voor de buitenlandpolitiek van de VS, mocht zijn goede vriend en studiemaat Mitt Romney de presidentsverkiezingen winnen.

Het mormonisme is in wezen post-christelijk, zoals ook de islam postchristelijk is. Waar de islam de transcendentie van God verkondigt, is het karakter van God bij het mormonisme volledig immanent. Waar de islam alle schepselen verenigt onder één machtige God aan wie wij ons dienen te onderwerpen, maakt het mormonisme God veelvormig, waardoor het een innerlijke en lijfelijke kwestie wordt en God een kwetsbaarder, meer ingekapseld en eindig wezen. En uiteraard hebben islam en mormonisme beide een complexe verhouding met de praktijk van polygamie.

Maar in tegenstelling tot de islam, waar Mohammed de laatste profeet is, laat het mormonisme ruimte voor voortdurende openbaringen. Dat is in zekere zin heel democratisch, heel Amerikaans. In principe kan elke mannelijke heilige de voorraad aanvullen en bijdragen aan het oneindige verhaal van openbaringen en op die manier verheven worden.

Misschien ligt het mormonisme toch niet zo ver af van de Romantiek. Beweren dat het gewoon christelijk is, weerspiegelt een gebrek aan begrip van de theologische, poëtische en politieke onverschrokkenheid van het mormonisme. Het is veel meer dan alleen christendom. In het kader van de gooi naar het presidentschap van je-weet-wel, lijkt het alsof mensen het eindeloos hebben over het mormonisme, maar zwijgen over de echte theologische uitdaging.

Vertaling Maggie Oattes

Mitt Romney in de deelstaat Utah, waar de mormonen wonen. Over zijn geloof wordt vaak een beetje lacherig gedaan.

Lees verder na de advertentie

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie