Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het meisje van zestien

Home

door Godert van Colmjon

Op 15 december 1937 schoot de dichter Gerrit Achterberg in de Boomstraat in Utrecht zijn hospita Roel van Es dood na een poging haar zestienjarige dochter Bep te verkrachten. Het meisje, een van de slachtoffers van Achterbergs ziekelijke lustverlangens, werd door hem vereeuwigd in de gedichtencyclus Zestien. Maar buiten het vers, en op enkele goeddeels weggemoffelde verwijzingen na, heeft de literaire wereld sinds het drama nooit meer iets over haar vernomen. In vervolg op zijn eerder in Letter & Geest (15 juni 2002) verschenen essay Wegens gebrek aan leven ging Godert van Colmjon naar haar op zoek.

Het liet me niet los.

Waarom zouden wij de moord op een negenendertigjarige moeder en het lot van haar alleen achtergebleven dochter van zestien nog langer bagatelliseren ten gunste van een literaire canon en ons blijven neerleggen bij de ontkenning van de juridische en pathologische samenhang waarvan de meeste Achterberggedichten het product zijn?

Rond het drama in de Boomstraat in Utrecht kan ook anno 2002 - veertig jaar na de dood van de dichter - nog een schimmenspel worden opgevoerd, omdat het ons ontbreekt aan levende getuigen en tastbare bewijzen. Waarom dan niet alsnog een poging gewaagd het meisje bij ons terug te brengen voordat een zelfgenoegzame literaire kring haar definitief heeft gereduceerd tot willekeurig thema van een poëtisch verlangen? Per slot van rekening cirkelen de parasitaire dichtregels van Achterberg nog steeds om echte slachtoffers heen, van wie hij er een doodschoot en een ander, nog in de volle dynamiek van haar ontluiken, eenvoudig liet ophouden te bestaan. Als we tenminste afgaan op wat de biografie van Wim Hazeu en al die andere geschriften en memoranda over de gebeurtenis in Utrecht ter sprake brengen. Maar vooral: niet ter sprake brengen.

Na de schietpartij, een kort verblijf in het ziekenhuis en haar opsluiting in de gedichtencyclus Zestien heeft de literaire wereld, op een eenregelige voetnoot en enkele felbestreden verwijzingen na, nooit meer iets over het meisje vernomen. In de aanhoudende apologie van het dichtersgenie vormt zij nog steeds een hinderlijk attribuut waarbij kennelijk niet al te lang mag worden stilgestaan. Centraal in dit menselijk drama staat nog steeds de dader als zo ongeveer de enige getroffene die er toe doet.

Er zit in deze voorstelling van zaken iets danig scheef met ons rechtsgevoel. Maar de enige getuige die deze onbalans zou kunnen corrigeren, is door Achterberg en zijn bewonderaars sinds vijfenzestig jaar het zwijgen opgelegd, al was het maar omdat ze nooit naar haar hebben omgekeken.

Hazeu heeft in zijn biografie, verschenen in 1988, bitter weinig over haar te melden. Zijn kennis over Bep van Es eindigt in 1937 abrupt in het Stads- en Academisch Ziekenhuis. Alsof haar leven niet is doorgegaan, zij het met de traumatische last van een verkrachtingspoging die haar te hulp gesnelde moeder het leven kostte. Wie hem nu vraagt naar het waarom van deze plotselinge afbreking krijgt als antwoord: 'Ach, ik bewandelde al zoveel zijpaden die mij kwalijk werden genomen, dat ik naar Bep niet verder heb gezocht. Wel kan ik zeggen dat de familie Achterberg zich diep schaamde over het feit dat zij nooit contact heeft gezocht met Bep. Ze hebben zelfs nooit naar het meisje geïnformeerd. Achteraf vonden ze dat niet juist, ze namen dat zichzelf zeer kwalijk.'

Zou, achteraf, ook Hazeu zich niet moeten generen voor een nalatigheid die hij in zijn biografie simpelweg had moeten herstellen, wat met enig speurwerk gemakkelijk had gekund? Of is hij bij het schrijven ervan ten slotte voor dezelfde tegenkrachten gezwicht die het eerder anderen onmogelijk maakten de beeltenis van hun afgod te verbinden met de ziekelijke drijfveren achter diens poëzie?

Ook voor de schrijfster Mies Bouhuys, weduwe van de dichter Ed. Hoornik en eertijds behorend tot de intieme vriendenkring van Achterberg, is Bep van Es altijd een raadsel gebleven. 'We hebben veel aan dat meisje gedacht. A. Marja is nog naar haar op zoek gegaan, eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Marja was een Utrechtenaar en had gehoord dat ze in Utrecht een hoedenwinkeltje had, maar dat spoor liep dood.'

Zou ze nog leven? En zo ja, waar zouden we dit nu eenentachtigjarige meisje van zestien moeten zoeken?

Maar ook een feitelijke bevestiging van haar dood, een afsluitend jaartal, zou ons tenminste de mogelijkheid bieden op iets te wijzen wat in de aan haar opgedragen gedichtencyclus en in de dichtersbiografie onvermeld blijft: dat de dubieuze glorie van deze verzen berust op het wegwassen van een misdaad tegen het leven van een jong meisje, en van de gevolgen die dat voor haar verdere leven moet hebben gehad. De waarheid is dat de behandelend psychiaters noch de protagonisten van Achterbergs poëzie het elementaire fatsoen hebben kunnen opbrengen om in 1940 de publicatie van vier van de later naar dertien gedichten uitgegroeide cyclus Zestien op te houden totdat ze wisten hoe het het slachtoffer na het drama was vergaan. En welke uitwerking de gedichten op haar zouden hebben, mochten ze haar onder ogen komen. Voor de psychiater stond bij zijn toestemming tot publicatie het heilzame therapeutische effect voor zijn patiënt voorop, terwijl de dichter er de misplaatste triomf van een rehabilitatie aan beleefde.

Toch had de forensische psychiatrie, als het om Achterberg gaat, maar weinig reden om trots te zijn, zeker niet in de aanloopfase naar het drama in Utrecht.

Roel van Es, geboren op 9 september 1897 in Hoenderloo als Roeltje van den Berg, was getrouwd met Johan van Es, een kapper in Utrecht. Na een faillissement, in 1933, en kort nadat hij zijn vrouw en dochter Bep in de steek had gelaten voor een andere vrouw, werkte hij als legerkapper in de Kromhoutkazerne, in de zaak van zijn vader. Voor hun dochter Bep werden op 18 februari 1921 de geboortenamen Alberthina Johanna Gerarda genoteerd. Toen haar vader het huis verliet, was Bep negen en woonde ze alleen met haar moeder in een bescheiden bovenhuis in de Boomstraat 20bis. Roel van Es beschikte niet over de middelen om zelfstandig in haar levensonderhoud en dat van Bep te kunnen voorzien. Extra inkomsten werden verdiend met het in huis nemen van een kostganger.

Moeder en dochter - Roel was zevenendertig, Bep bijna veertien - hadden geen idee wie er op 10 februari 1935 bij hen introk. Voor hen was de nog maar in kleine kring bekende dichter en gewezen onderwijzer de 'bureauambtenaar in algemene dienst' G. Achterberg. In werkelijkheid ging het om een crisisambtenaar bij de Crisis Zuivel Centrale in het Spoorweggebouw aan het Moreelsepark. Hij werkte daar sinds 21 augustus 1934 op de administratie van kalveren en merken voor varkenshouders, na vergeefs te hebben gesolliciteerd bij verschillende scholen.

Van zijn ziekelijke en agressieve relaties met vrouwen was in de Boomstraat niemand op de hoogte.

Niet van zijn in 1932 verbroken verloving met Bep van Zalingen, die drie jaar had geduurd. Fietstochtjes met de net afgestudeerde onderwijzeres uit Wijk bij Duurstede waren, ingeleid door agressief en intimiderend gedrag, herhaaldelijk uitgelopen op verkrachting onder bedreiging met een revolver. Nadat ze hem verteld had dat ze zwanger van hem was, dwong hij haar de vrucht te laten verwijderen, vanzelfsprekend in het diepste geheim en via primitieve afdrijvingsmethoden, wat enkele keren mislukte. Vervolgens mishandelde hij haar. Toen ze toch niet zwanger bleek, verbrak ze de verloving. Achterberg heeft, ongetwijfeld op zijn manier, nog aangedrongen op een huwelijk, maar Bep van Zalingen is daar niet op ingegaan. Een politioneel straatverbod moest hem ten slotte uit haar buurt houden, maar dat lukte niet eerder dan nadat de familie Van Zalingen met heel haar hebben en houden van Wijk bij Duurstede naar Doorn was gevlucht om eindelijk verlost te zijn van Achterbergs terreur en gestalk.

Ook van de Wageningse kostersdochter en bediende in een boekwinkel Cathrien van Baak wisten ze in de Boomstraat niets. Zij moest in 1928 om soortgelijke redenen haar verkering met Achterberg beëindigen, al heeft ze daar zelf nooit veel over willen zeggen, ook niet nadat ze, zestien jaar later, alsnog met Achterberg was getrouwd. Zeker is dat hij Cathrien in Wageningen stalkte en ten minste een keer via het dak van haar ouderlijk huis met getrokken revolver haar slaapkamer heeft willen binnendringen, wat de vader van Cathrien op het nippertje kon verhinderen. De plaatselijke politie heeft Achterberg het wapen afgenomen en hem buiten de grens van Wageningen gezet met de waarschuwing nooit meer in de buurt van Cathrien te komen. In overleg met de ouders van Achterberg besloot de vader van Cathrien toen geen aangifte te doen. In de gereformeerde milieus waarin beide families verkeerden, was alles beter dan een seksschandaal. Toen de geobsedeerde Achterberg kort daarop het plaatsverbod negeerde, hebben twee broers van Catrien hem in elkaar geslagen en letterlijk Wageningen uitgegooid.

Op 16 november 1932 werd de onderwijzer Gerrit Achterberg door het bestuur van de Paul Krugerschool in Den Haag - hij was daarheen uitgeweken na zijn affaire met de familie Van Zalingen - met 'verlof' gestuurd en werd hem dringend geadviseerd zich onder psychiatrische behandeling te stellen. Dit gebeurde naar aanleiding van handtastelijke gedragingen tegenover leerlingen. Aangekomen bij de ouderlijke boerderij in Neerlangbroek, bracht zijn vader hem nog diezelfde dag naar de psychiatrisch-neurologische kliniek van het Stads- en Academisch Ziekenhuis in de Nicolaas Beetsstraat in Utrecht.

In de kliniek werd Achterberg opgevangen door Annie Kuiper, volgens kenners een schriele vrouw, maar zwaar van barmhartigheid. Zij leidde de afdeling waar Achterberg werd geobserveerd. Ze had inzage in zijn ziektedossier, was op de hoogte van zijn agressieve gedrag tegenover vrouwen en wist hoe daarmee om te gaan. In oktober 1933 zou ze zich met Achterberg verloven en, twee jaar later, kennismaken met Roel en Bep van Es.

Met op zak de diagnose 'zwaar psychopatisch' werd Achterberg op 4 december 1932, achttien dagen na zijn opname, alweer uit de kliniek ontslagen. Een beslissend oordeel over zijn functioneren als onderwijzer werd overgelaten aan het schoolbestuur in Den Haag. Het wapenbezit en het klaarblijkelijk abnormale gedrag van de geschorste onderwijzer tegenover een aantal leerlingen in zijn klas werden daarbij genegeerd, evenals de vraag naar zijn sociaal en maatschappelijk functioneren.

Het 'verlof' - feitelijk een schorsing - werd verlengd, totdat Achterberg in april 1933 zelf ontslag nam. Op 11 april reisde hij met de trein naar Den Haag, waar hij eerder van een prostituee een revolver had gekocht. Hij bleef daar een nacht slapen, bestelde de volgende dag een taxi en liet zich naar Doorn rijden. Tijdens de rit beloofde hij de chauffeur honderd gulden extra als hij een jonge vrouw - Bep van Zalingen - in de taxi kon krijgen en haar met Achterberg in een bos zou afzetten. De chauffeur vertrouwde de zaak niet, verzon een smoes, reed door naar Driebergen, zogenaamd om daar iets te bezorgen, en waarschuwde de politie.

De volgende dag, op 13 april, werd Achterberg opnieuw door zijn vader bij de kliniek in de Nicolaas Beetsstraat afgeleverd. Een maand later werd hij doorgestuurd naar het Lorentzpaviljoen van de Willem Arntzhoeve in Den Dolder. Daar werd, evenals in Utrecht, een eerste, aarzelende opening gezocht van de klassieke forensische psychiatrie waarin de misdaad en zijn gevolgen centraal staan, naar de naoorlogse benadering om bij psychisch zwaar gestoorde patiënten 'die kern van redelijkheid te ontdekken die een begin kan betekenen van het herstel van de communicatie' (Willem Derks, 'Het oordeel van Hippias'). Met andere woorden: de geesteszieke delinquent te laten terugkeren in de samenleving. Kennelijk hadden de behandelaars van Achterberg onvoldoende aanwijzingen om hem daar nog een poosje uit weg te houden, want op 2 oktober 1933 mocht hij weer gaan en staan waar hij wilde.

Evenals eerder de kerkelijke kringen in Wageningen en Neerlangbroek, hadden de psychiaters volkomen gefaald. Feitelijk zaten de alleenstaande Roel van Es en haar dochter als ratten gevangen in Achterbergs psychopathische val toen hij de sleutel van de zolderkamer in ontvangst nam. Niemand uit zijn omgeving - zijn behandelaars, zijn familie noch de politie - heeft ze voor de vreemde kostganger gewaarschuwd. Ook Achterbergs nieuwe verloofde Annie Kuiper niet. Dat mag haar zwaar worden aangerekend, te meer waar zij in 1936 op Achterberg heeft moeten inpraten om de revolver aan haar af te geven die hij bij zich droeg. De revolver was bestemd voor Roel en Bep van Es. Achterberg, enkele keren door de moeder afgewezen en gefrustreerd in zijn seksuele toenaderingspogingen tot de dochter, vond dat het zo niet langer ging, aldus Hazeu in zijn biografie, waarbij hij zich baseert op mededelingen van Annie Kuiper. 'Hij moest d r daadwerkelijk gaan optreden, maar dit voornemen praatte Annie hem uit het hoofd, althans voorlopig, want het bleef broeierig in de Boomstraat.'

Vervolg op pagina 38

Vervolg van pagina 37

Maar zelfs van de noodlottige gemoedsuitbarsting in de Boomstraat had Kuiper, die tot eind 1943 Achterbergs officiële verloofde zou blijven, weinig geleerd. In 1938 zou ze een vergeefse poging doen Bep van Zalingen terug te brengen bij Achterberg.

Wie waren Roel en Bep van Es, hoe zagen zij eruit en wat was hun leefomgeving? De Achterbergliteratuur vertelt er weinig over.

Een onverwachte handreiking uit de levende herinnering komt van Jopie Kooijmans uit Leiden, tachtig jaar inmiddels en gepensioneerd psychiatrisch verpleegster. Zij heeft het artikel in Letter & Geest gelezen en belt naar de redactie met de vraag of Bep nog leeft en of iemand weet waar ze haar vroegere schoolvriendin kan vinden. Sinds de schietpartij in de Boomstraat, vijfenzestig jaar geleden, heeft ze niets meer van Bep gehoord. Alles wat ze weet is dat het meisje waarschijnlijk is opgevangen door een oom en tante in Den Haag.

Zelf woonde Jopie, dochter van een schoenmaker, in de Paul van Ostadestraat, vlak bij de Boomstraat. Ze leerde Bep, die een jaar was blijven zitten, kennen in de zesde klas van de lagere school en vanaf die tijd kwam ze bijna dagelijks bij haar thuis. Van die periode heeft ze een dagboek bijgehouden: schriftjes met een mooie bruine kaft en lijntjespapier die zijn volgeschreven met afwisselend potlood en kroontjespen. Enkele passages hebben betrekking op Bep, de moeder van Bep en op de kostganger.

Ze herinnert zich Bep als een knappe meid, lichamelijk vroegrijp. 'Op haar twaalfde had ze al borsten. Een vol gezicht, stevig, en net als haar vader donkere ogen en donkerblond haar.'

Van moeder Van Es resteert slechts het beeld van een ziekelijke vrouw, maar vriendelijk en gastvrij. 'Ze was zenuwlijdster en hartpatiënte, een doorschijnend bleke vrouw. Niet groot, eerder tenger dan volslank. Een bescheiden, rustige vrouw. Bep was net zo, net een oud vrouwtje: timide en lief. Ze droeg bijna altijd een gebreide pullover.'

De atmosfeer in de woonkamer op de eerste verdieping omschrijft Jopie als 'wat bedrukt en tobberig', maar er werd niet geklaagd.

Bep sprak nooit met haar vriendin over Achterberg, hij vormde geen onderwerp van gesprek. Jopie ging wel eens met Bep mee naar zijn kamer. 's Avonds was het broodmaaltijd en dan bracht Bep een bord met boterhammen naar boven. 'Het was een redelijk ruime kamer, rechthoekig, met een bed, een bureau, een kachel en, maar dat herinner ik me niet goed, een kleine tafel. Boeken heb ik niet gezien. Bep moest 'Ger' tegen hem zeggen. Ze zette het bord met boterhammen op zijn bureau, Achterberg zei dan dankjewel en weg waren we weer. Hij was zwijgzaam, gesloten. Er ging niets van hem uit. Nooit eens van 'Hallo, meiden'. Ik vond het een sjofel mannetje, geen leuke vent.'

Na de lagere school werden de bezoeken van Jopie bij Bep thuis minder. Jopie ging naar de mulo, maar Bep mocht niet doorleren. Ze moest thuis haar moeder helpen, die vaak met hoofdpijn op bed lag.

Jopie had haar vriendin al weken niet gezien toen de buurt werd opgeschrikt door de schietpartij. Ze hoorde het nieuws de volgende dag op school. 'Ik ben direct naar de Boomstraat gegaan, maar daar was toen al niets meer te zien.'

De herinneringen van Jopie Kooijmans roepen de vraag op hoe betrouwbaar de bronnen zijn die Hazeu voor zijn kennis over Roel en Bep raadpleegde, en hoe precies hij daarmee is omgegaan. Op de fatale dag immers was Bep ruim zestien en volgens haar vriendin al bijna drie jaar van school af. In de biografie lezen we echter, en opnieuw gebaseerd op mededelingen van Annie Kuiper, die het overigens weer had gehoord van Achterberg: 'In 1936 hielp Achterberg dochter Bep 's avonds met haar huiswerk. Tijdens een van die huiswerkuurtjes vroeg hij haar moeder om de hand van haar dochter. Roel van Es heeft toen geantwoord: 'Nee, nooit, je bent al dertig'.'

Gaf Achterberg mogelijk vervolglessen aan Bep, ingegeven door zijn onderwijzersopleiding, of maakte deze educatieve zorg deel uit van zijn erotische aanvalsplan en was het een manier om het meisje dagelijks enige tijd alleen bij zich op zijn zolderkamer te hebben?

Zoeken naar de mogelijke verblijfplaats van Bep betekent een omslachtige gang langs diverse afdelingen burgerzaken, te beginnen in Utrecht. Daar is Bep op 14 januari 1938 uitgeschreven naar Den Haag, waar ze werd opgevangen door een tante (Berendena van den Berg, een zuster van haar moeder) en een oom (Aert van den Brink). In Den Haag trouwt ze op 7 juli 1944 met een melkventer uit het Zeeuwse Vrouwenpolder, met wie ze op 13 mei 1952 naar Wassenaar en aansluitend naar Voorburg verhuist. Op 10 maart volgt een verhuizing naar Zutphen, maar daar stuit burgerzaken op een probleem: er is nooit een Bep van Es in Zutphen ingeschreven.

Ik bereid me voor op het mislukken van mijn onderneming als me plotseling een korte passage uit de biografie van Hazeu te binnen schiet. Ik sla het hoofdstuk De schoten op en lees op pagina 208: 'Bep zou later vertellen dat zij volkomen verrast werd toen de kostganger, die gedeeltelijk ontbloot op bed lag, haar wilde aanranden'. Ik heb dit steeds gelezen als een citaat uit het politierapport, maar een voetnoot vermeldt: 'Aan Martien J.G. de Jong, 14 augustus 1971. In 'Bewijzen uit het ongerijmde' (Nijgh & Van Ditmar, Den Haag 1971).'

In 1971 leefde Bep dus nog en heeft De Jong met haar gesproken. Maar waar?

De Jong, emeritus hoogleraar aan de (Franstalige) Universiteit van Namen en auteur van een aantal kritische essays over de poëzie van Achterberg, zegt Bep van Es in maart 1970 te hebben opgezocht in haar flat in Zutphen. 'Ik had haar twee keer een brief gestuurd met het verzoek om een gesprek, maar ze heeft die niet beantwoord. Ik ben toen maar op de bonnefooi naar Zutphen gereden en heb bij haar aangebeld. Ze schrok, maar ze liet me toch binnen. Ze maakte een zeer nerveuze indruk. Eigenlijk wilde ze liever niet over Achterberg praten. Ze wilde zelfs de mogelijkheid niet overwegen dat haar moeder iets met Achterberg had gehad. Mijn moeder was een fatsoenlijke vrouw, zei ze. Ze vond het ongelofelijk dat er zo'n drukte over een gewone moordenaar werd gemaakt.'

De Jong zegt zeker een halfuur met haar te hebben gepraat, maar dat gebeurde heel voorzichtig. 'Ze was schichtig, iemand die erg kwetsbaar is. Wat dat betreft voelde ik me gehandicapt. Al na vijf minuten dacht ik: wat zit ik die vrouw hier aan te doen. Haar man was niet bij het gesprek aanwezig. Misschien deed ze daarom wel zo schichtig. Ik had de indruk dat hij elk moment kon thuiskomen en dat hij degene was die een gesprek over dit onderwerp per se niet wilde, omdat het zijn vrouw overstuur kon maken.'

Dat Bep als gevolg van het schot in haar nek in een rolstoel belandde zoals ik in Wegens gebrek aan leven schrijf, blijkt op een valse bron te berusten. 'Nee, ze was niet gehandicapt. Ze zat niet in een rolstoel, ze bewoog zich normaal.'

De Jong bezocht Bep van Es niet zozeer om de geringe biografische kennis over de twee vrouwen in de Boomstraat aan te vullen. Het ging hem primair om de 'genese' van de gedichtencyclus Zestien, die in zijn ogen ten onrechte een marginale plaats in het oeuvre van Achterberg kreeg toebedeeld. In zijn essays ('Bewijzen uit het ongerijmde', 1971 en 'Nogmaals inzake Achterberg', 1972) citeert hij Bep niet één keer. Wel geeft hij kort samengevat zijn bevindingen van het gesprek weer. 'Ik heb er bewust van afgezien Bep sprekend in te voeren. Ook in de jaren zeventig werden seksuele zaken nog niet bij naam genoemd zoals tegenwoordig. Het ging mij trouwens niet om biografische gegevens als zodanig, maar om wat ze ons kunnen leren over het dichterlijke scheppingsproces. Wat mij vooral interesseerde was de spannende discrepantie tussen de biografische werkelijkheid en de poëzie als verbeeldende taalcreatie, wat je met Achterberg kunt noemen: de poëtische verheffing tot zijn macht.'

Maar er waren nog andere overwegingen die hem ervan weerhielden alle kennis te publiceren die hij toen bezat. 'De kring rond Achterberg heeft dat allemaal afgeschermd. Cathrien van Baak heeft mij, via een advocaat, nog gedreigd met een proces. Ik beschikte over brieven van Achterberg aan Annie Kuiper en Ed. Hoornik. De uitgever Bert Bakker heeft bij Annie Kuiper nog geprobeerd Achterbergs brieven te bemachtigen. Zijn verering voor de dichter ging zo ver, dat hij de brieven die Achterberg aan hem schreef wou meegeven in de kist van Cathrien van Baak als die eerder zou sterven dan hijzelf. Ik wilde, zonder sensationele onthullingen te doen, waarschuwen tegen het verdonkeremanen van biografica, en tegen de verabsolutering van het toen in Nederland met veel fanfare herontdekte begrip literaire autonomie.'

Om niemand voor het hoofd te stoten, heeft De Jong alle hem bekende biografische gegevens nooit zelf willen publiceren.

Bijvoorbeeld dat Hoornik hem vertelde dat Achterberg ook een exhibitionist was die in portieken vrouwen opwachtte. 'Ik heb de brieven en wat ik van Kuiper, Hoornik en Bep van Es wist, doorgegeven aan Hazeu ten behoeve van de biografie. Hij heeft er bij mijn weten niets mee gedaan.'

Mies Bouhuys bevestigt De Jongs mededeling over Achterbergs exhibitionisme. 'Hij w s een exhibitionist, dat is altijd doorgegaan. Wij hebben het in Den Haag zelf een keer meegemaakt. Daar zijn we geweldig van geschrokken. Achterberg was er stiekem tussenuit geknepen, toen iemand ons waarschuwde dat hij in de duinen bezig was. We waren daar zeer ontdaan over en hebben alles in het werk moeten stellen om het geheim te houden. Achterberg stond toen nog onder toezicht en als dat bekend was geworden, dan zou die curatele nog veel langer hebben geduurd.'

Ook De Jongs klacht over de tegenwerking die hij bij het schrijven over Achterberg van Cathrien van Baak ondervond, onderschrijft Bouhuys zonder voorbehoud. 'Het is waar, Cathrien van Baak was verschrikkelijk als het ging om het afschermen van Gerrits verleden. Men zegt niet voor niets dat schrijversweduwen met de schrijver mee moeten verbranden. Persoonlijk hebben we daar nogal onder geleden. De literaire wereld ontging haar.'

Vervolg op pagina 39

Vervolg van pagina 38

Naast kritiek op Cathrien van Baak kent Bouhuys ook bewondering voor haar. 'Gezegd moet worden dat Cathrien voor Achterberg ook de redding was. Zij was zijn verpleegster. Niemand zou dat zo gekund hebben. Achterberg was een zware alcoholist. Hij had daar medicijnen voor, maar die wilde hij niet slikken. Cathrien verstopte die pilletjes dan in een stukje worst, zodat hij ze toch binnen kreeg. Ze zag precies wanneer het mis met hem ging, als zijn gezicht begon te trekken, of als zijn lichtgrijze ogen donker werden. Dan mocht het beroemde notitieboekje niet mee naar bed. Ze is heel wat keren 's nachts de Leusderheide op moeten vluchten als hij het weer op z'n heupen had. Ook heeft ze midden jaren vijftig nog een doodgeboren kindje van Achterberg gehad. Dat moet heel erg voor haar zijn geweest.'

Ondanks de ellende die Achterberg de Hoorniks en anderen voornamelijk bezorgde, hebben ze zelden overwogen hun vriendschap met de dichter te beëindigen. 'We gingen met hem om als met een zieke man. Maar we hadden een enorme bewondering voor hem, we vonden het een geweldige dichter. Het verbaasde ons telkens weer hoe absoluut hij leefde met poëzie.'

Slechts een keer hebben ze serieus op het punt gestaan met Cathrien en Gerrit Achterberg te breken. Dat was na een mededeling die met name de ex-gevangene van kamp Dachau Ed. Hoornik pijnlijk moet hebben getroffen. Waar Hazeu nog in verhulde termen schrijft over het in de oorlog 'bereidwillig' collecteren door Cathrien van Baak voor de Winterhulp in opdracht van haar werkgever, de eigenaar van de boekwinkel waar ze werkte, stuitten de Hoorniks op een ernstiger probleem.

Bouhuys: 'Ons is verteld dat Cathrien een fanatieke NSB'ster is geweest die in de oorlog met Volk en Vaderland heeft gecolporteerd. Dat hoorden we pas heel laat, ik geloof in 1959. Cathrien en Gerrit gingen nota bene elk jaar naar de dodenherdenking bij Kamp Amersfoort, samen met Bert Bakker. We hebben toen serieus overwogen met Achterberg te breken, maar dat uiteindelijk toch maar niet gedaan.'

Bep van Es en haar man hebben inderdaad in Zutphen gewoond, bevestigt een ambtenaar na wat extra speurwerk, maar ze zijn in 1976 naar een andere gemeente verhuisd. Ik raadpleeg op goed geluk de telefoongids van de genoemde gemeente, zoek tevergeefs onder de naam Van Es. Maar onder haar trouwnaam kom ik een abonnee met dezelfde initialen als die van haar man tegen.

Ik toets het nummer in. Een vrouw neemt op en stelt zich voor met haar trouwnaam. Ik verontschuldig me en zeg dat ik al heel lang op zoek ben naar mevrouw Bep van Es.

Even is het stil en dan: 'Daar spreekt u mee...'

Behoedzaam vraag ik hoe het haar sinds het drama in de Boomstraat is vergaan. Aarzelend geeft ze antwoord en zegt dat ze het er nog steeds moeilijk mee heeft. 'Ik praat er liever niet meer over. Het blijft altijd in je geheugen, hè, zoiets verwerk je nooit helemaal. Als ik er met u over zou praten, dan slaap ik een week niet.'

Ik verander van onderwerp, zeg haar hoe blij we zijn dat we haar gevonden hebben en vraag hoe het nu met haar gaat. Ze vertelt dat ze vorig jaar op haar heup is gevallen en pas nog drie maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Trombose in de longen. 'Maar ik woon nu weer thuis, op een flat met een mooie grote kamer en een keuken. Ik kan mezelf nog goed verzorgen, hoor.' En, lachend: 'Ik heb een rollator, voor buiten. Binnen kan ik nog zonder.'

Een zoon heeft ze, van veertig, een 'nakomertje', en een dochter die al vijfenvijftig is. 'Die zorgen heel erg goed voor me. Ik ben alleen, ziet u. Mijn man is in 1983 overleden. Hij had in Den Haag een melkwijk, later is hij filiaalhouder geworden van de Spar, daarom zijn we zo vaak verhuisd.'

Ze spreekt in eendimensionale zinnen. Voor de aanhef en na de punt valt geen stilzwijgende verwijzing te beluisteren, naar de toekomst noch naar het verleden. Ik hoor een lieve stem, op jaren maar nog helder. Slechts nu en dan glijdt ze terug naar het epicentrum van de schok die haar als meisje van zestien heeft getroffen. Dat ze nooit meer in Utrecht komt en dat zelfs haar eigen kinderen lang niet alles weten van wat zich daar heeft afgespeeld. 'Je kunt er natuurlijk ook niet mee aan de gang blijven, hè. Ik ben in mijn nek geschoten, vlak naast de hoofdslagader. Dat is mijn geluk geweest, anders was ik doodgebloed. Ik heb een week in het ziekenhuis gelegen en ben toen naar mijn oom en tante in Den Haag gegaan.'

Ik dring niet verder aan en vertel haar dat Jopie Kooijmans naar haar op zoek is, haar jeugdvriendin. 'Jopie? Ik ken een Alie Kooijmans. Jopie?'

Drie dagen later, een tweede telefoongesprek. 'Ik heb vanmorgen met Jopie Kooijmans gesproken, die belde mij op. Wat fijn dat u haar mijn telefoonnummer heeft gegeven. We hebben lang met elkaar gesproken en heel wat herinneringen opgehaald. Maar ja...'

Ik wil een afspraak met haar maken om bij haar langs te komen. Maar dan zegt ze, vrijwel zonder onderbreken:

'Het is te laat. Ik ben eenentachtig, wat schiet ik er nog mee op? Ik vind het fijn dat er nog belangstelling is, dat men mij niet helemaal is vergeten. Maar ik wilde dat men zich eerder om mij bekommerd had. Ik heb geen enkele hulp gehad, van niemand. Geen enkele instantie heeft na de schietpartij contact met mij gezocht. Ik heb het allemaal zelf moeten doen. Ik heb later nog eens aan mijn huisarts verteld wat mij allemaal is overkomen. Hij zei: Tjongejonge, mevrouw, u heeft wel wat meegemaakt in uw leven. Geen wonder dat u nerveus bent. Ik ben een heel nerveuze vrouw, dat heb ik daar van overgehouden.'

'Ach, ik kan het u allemaal wel vertellen, maar wat heeft dat voor zin? Ik wil u wel zeggen, die meneer Achterberg had direct toen hij bij ons in huis was een oogje op me. Ik voelde meteen dat hij op me was. Hij volgde me als ik met een vriendin een fietstochtje maakte, dan fietste hij op een afstandje achter me aan. Of als ik op straat met een groepje was, dan stond hij plotseling achter me, stil, zonder iets te zeggen. Hij hield me constant in de gaten, hij was vreselijk jaloers. Wanneer ik op straat met jongens had staan praten, dan deed hij heel lelijk tegen me. Dat mocht niet van hem.'

'Mijn moeder was een lieve vrouw, ze maakte zich heel erg bezorgd om mij. Ze heeft hem herhaaldelijk gewaarschuwd dat hij mij met rust moest laten. Ik was dertien, veertien jaar. Nee, hij had niets met mijn moeder, dat zou ze ook niet hebben gedaan, daar was het een veel te fatsoenlijke vrouw voor. Die meneer Achterberg was alleen in mij geïnteresseerd. Hij heeft op zijn zolderkamer verschillende keren misbruik van mij willen maken. Mijn moeder heeft hem daar herhaaldelijk over aangesproken en hem gewaarschuwd dat hij van mij af moest blijven, anders zou ze hem op straat zetten. Dat is ook een keer gebeurd. Maar omdat we het geld hard nodig hadden, is hij na een paar maanden weer bij ons in huis gekomen. Dat moest van het huisvestingsbureau, dat ging daar over. Ze hadden geen andere kostganger voor ons, zeiden ze. We moesten meneer Achterberg maar terugnemen.'

'Wat moet ik van die dag nog vertellen? Het was allemaal zo vreselijk, het ging allemaal zo snel. Toen ik met het bordje boterhammen en een beker melk op zijn kamer kwam, lag hij met een ontbloot onderlijf op bed. Hij kwam overeind en pakte me ruw beet. Hij wilde me pakken, u begrijpt wel wat ik daarmee bedoel. Ik heb het toen op een gillen gezet. De rest weet u.'

'Misschien had ik hem moeten laten begaan, dan was het allemaal niet gebeurd....'

Dat Achterberg een gedichtencyclus aan haar heeft opgedragen, is haar onbekend. 'Nee, daar weet ik niets van, ik heb die gedichten nooit gezien. Ook dat boek van meneer Hazeu niet, nee. Het is allemaal te laat, ik heb daar geen zin meer in. Ik raak er alleen maar overstuur van.'

Wel zou ik haar graag een bloemetje willen brengen. En dan niet meer over Utrecht praten.

'Dat moest u maar niet doen.'

Eén vraag nog.

'Nee, ik ben niet op de begrafenis van mijn moeder geweest. In het ziekenhuis vonden ze het beter dat ik niet zou gaan, dat zou te emotioneel voor me zijn. Ik heb het graf van mijn moeder nooit gezien. Ook nu zou ik dat nog niet aankunnen. Ik neem aan dat ze nog steeds op de Algemene Begraafplaats in Utrecht ligt, maar dat weet ik niet zeker.'

Maar zelfs de mogelijkheid van een laatste afscheid van haar moeder is haar niet gegund. De beheerder van de Algemene Begaafplaats laat weten dat het graf al in 1947 is geruimd.

De dochter van Bep van Es vult nog aan dat haar moeder buiten haar vader in Utrecht geen naaste familie had. Ook is de vader in Den Haag niet op het huwelijk van zijn dochter geweest. Na het drama heeft Bep met hem gebroken. Ze nam hem kwalijk dat hij van haar en haar moeder is weggegaan. Als hij dat niet had gedaan, dan was het allemaal niet gebeurd, vond ze.

Ten slotte is Bep van Es altijd bang gebleven dat Achterberg haar nog eens te grazen zou nemen. Toen ze in de Boomstraat gewond de trap af vluchtte, heeft hij haar nageschreeuwd: '

Deel dit artikel