Het laatste obstakel is de man

home

Hans Armee

Ze begon haar journalistieke loopbaan ooit bij Trouw, maar sinds 25 jaar is ze hoofdredacteur van het feministische Opzij. Woensdag viert Cisca Dresselhuys (63) haar zilveren jubileum. Een band plakken is niet haar feminisme. „Ik heb een mening; die verkondig ik. Dat is míjn bijdrage.’’

In haar tot boven toe dichtgeknoopte hemelsblauwe vestje, bijkleurende ring, oorbellen en suède schoentjes, scharrelt ze met kopjes chocola en glaasjes water door de Opzij-burelen alsof ze thuis is. De zolder van het historische pand aan de Amsterdamse Raamgracht waar de redactie zetelt heeft ook iets huiselijks met zijn withouten spanten en rode vloerbedekking.

Ze wijst op een opvallend mooi boeket dat zojuist is bezorgd – de hoofdredactie van Libelle feliciteert haar met haar jubileum. „Dat was vijfentwintig jaar geleden echt ondénkbaar geweest hoor, dat de hoofdredactie van een damesblad mij zou feliciteren.”

Opzij werd begin jaren zeventig juist opgericht als kritiek op die damesbladen, op het beeld dat zij vrouwen voorhielden: kort door de bocht gezegd bestond het ideaal uit een getrouwde vrouw met kinderen, die glimlachend het huishouden deed en van die combinatie zielsgelukkig werd.

„Toen ik de hoofdredactrice van Margriet destijds voor het eerst ontmoette, zaten we geharnast tegenover elkaar – we vertegenwoordigden totaal verschillende werelden. Het ijs brak toen ik bekende dat ik al sinds mijn achttiende abonnee was van Margriet. En dat ben ik altijd gebleven.’’ Ze laat een korte stilte vallen. „Ik zou eerlijk gezegd ook niet wéten hoe ik er vanaf moest komen – ik heb dat blad ooit gemachtigd, en ik begrijp nooit hoe je dat weer stopt.’’

Ze praat gemakkelijk, met pakkende voorbeelden, veel humor en zonder blad voor de mond. „Taalgevoel heb ik altijd gehad. Als kind elke dag voorgelezen worden uit de bijbel maakt taalgevoelig. Op de gereformeerde jeugdvereniging zat je bovendien op je twaalfde al te discussiëren over de zendingsreizen van Paulus. En ik ben het archetype van een domineeskind: dezelfde zendingsdrang als mijn vader.’’

Ze laat haar vingers bijna professioneel langs een van de chrysanten in het boeket gaan. Haar mond krult tot een ondeugende glimlach. „Normaliter moet je chrysanten natuurlijk gewoon dóódspuiten. Maar dit zijn hele mooie.’’ Ja, daar heeft ze verstand van, zegt ze. Met blauwe pretogen: „Van bloemschikken en winkelen weet ik echt álles.’’

Al 25 jaar is Cisca Dresselhuys het gezicht van feministisch Nederland. Toen ze aan de klus begon was ze bepaald niet het prototype. „Opzij was eigenlijk alles wat ik niet was: werelds, progressief, een blad dat werd gemaakt door gestudeerde, linkse vrouwen.’’ En zij? Een christelijke meisje, zegt ze. De domineesdochter uit Roermond die op haar achttiende bij Trouw was gaan werken. En toch paste die baan haar, vonden Opzij-oprichtsters Hedy d’Ancona en Wim Hora Adema. Naast de schrijfsters en wetenschapsters die het blad volschreven, zochten ze een echte journaliste. En dat was Cisca Dresselhuys wel.

Ze was ook iemand die tegen de dubbelhartigheid aanliep die in die tijd ten aanzien van vrouwen heerste, zegt ze. Dat de hoofdredacteur van Trouw haar eigenlijk niet wilde aannemen omdat ’de journalistiek een gevaarlijk beroep is voor meisjes’, was het punt niet. Dat ze in eerste instantie genoegen nam met een baantje als telexiste, en vooral bezig was met kopjes thee zetten voor haar mannelijke collega’s, deerde haar evenmin. „ Op dat verhaal word ik wel eens aangevallen: dat je dat dééd, een beetje berichten van anderen gaan zitten intypen en thee zetten! Dan zeg ik: ik had drie weken een middelbare-schooldiploma, ik kon helemaal niks. Al had ik de hele dag de afwas moeten doen, dan had ik het nog gedaan! Ik vind: zorg eerst dat je ergens binnenkomt, en laat dan zien dat je meer wilt en meer kunt.’’

Maar wat ze oprecht onbegrijpelijk vond was dat ze voor haar werk heel bij de hand moest zijn – „Mijn collega’s zouden het gewéldig hebben gevonden als ik prins Bernhard had opgebeld om te vragen hoe het nou eigenlijk zat met dat smeergeld voor Lockheed.’’ – maar dat ze, als ze tegen haar chef praatte, als meisje ’natuurlijk wel moest weten tegen wie ze het had’. Ze kreeg paniekaanvallen die ze, achteraf bezien, relateert aan die dubbele moraal.

Ze raakte in de ziektewet en ging in psychotherapie. „Daar heb ik het vooral gehad over mijn vader. Heit, zo noemde ik hem, overleed toen ik elf jaar was. Ik was een vaderskind. Als dominee was hij overdag lekker vaak thuis. Die man was Gód voor mij, ik adoreerde hem. Hij was ook erg op mij gesteld. Logisch. Ik was zijn jongste, een kind nog, geen puber die bijvoorbeeld riep dat zijn preken te lang duurden en te ouderwets waren, zoals mijn broer. Als je vraagt: geloof je, dan zeg ik niet keihard nee, of ja. Ik ben in de loop van de tijd afgegleden, zal ik maar zeggen. Ik betaal nog altijd mijn kerkelijke bijdrage. Maar dat is meer iets psychologisch dan iets religieus. Hoewel mijn vader al meer dan vijftig jaar dood is, heb ik het gevoel dat ik de band écht zou verbreken als ik dat niet meer zou doen.’’

,,Bij die psycholoog heb ik járen gezeten. Ik deed over die therapie net zo lang als over mijn rijbewijs. En het gaf me net zoveel vrijheid.’’

Hoewel de vrouwenzaak haar hart heeft, is ze ook altijd een beetje een buitenstaander gebleven. Toen de vrouwencafés werden bevolkt door ge-hennade, tuinbroekdragende dames met batik-shirts zonder bh’s, verscheen zij in mantelpak en bijpassende pumps met een coupe die regelmatig kappersbezoek verried. „Ik kreeg die rol opgeplakt toen ik als Fries, gereformeerd meisje in het katholieke Roermond terecht kwam, en al snel paste die me. Anders zijn, een beetje recalcitrant. Ik heb ook altijd de neiging gehad om met iets te veel make-up op een gereformeerde kerk in te gaan.’’

Ze is niet het type feministe dat vindt dat ze haar eigen fietsband moet plakken en een muurtje moet kunnen stucen. „Ik kan nog geen kwást vasthouden en krijg geen dvd-recorder aan de praat – hoewel ik sinds kort tot mijn grote vreugde wel kan afspelen!’’ Haar bijdrage aan de emancipatie van de vrouw is een andere: ze heeft een mening en die verkondigt ze. „In eerste instantie vond ik dat doodeng – in het openbáár! Dat was bij Trouw helemaal niet de bedoeling. Maar kennelijk zat het toch in me om me uit te spreken, om van me te laten horen. Tegenwoordig vind ik het leuk om grote ondernemers te vertellen dat ze meer vrouwen in de top moeten halen en hoe ze dat moeten aanpakken. Of om duizend notarissen toe te spreken over vrouwvriendelijk beleid. En als Annemarie Jorritsma roept dat er prostituees mee moeten met onze jongens in Uruzgan, dan duurt het natuurlijk niet lang of er hangt iemand van een krant of tijdschrift aan de lijn om te vragen wat ik daar van vind. Wordt Aletta Jacobs opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis, hópla, dan moet Cisca Dresselhuys er weer wat over zeggen. Enig.’’

In het Opzij-jubleumnummer, waarvan ze zelf de cover siert, zegt ze dat vrouwen ’echt geen betere soort zijn dan mannen’ en dat vrouwen nog een heleboel van mannen kunnen leren. „Vrouwen hebben er grote moeite mee als andervrouws opinie niet strookt met die van hen. Dan vliegen ze elkaar in de haren. Het idee dat wij vrouwen altijd en over alles eensluidend moeten denken is een volstrekt foute gedachte. Vrouwen lijken daar slechter mee om te kunnen gaan dan mannen. Kijk eens naar mannelijke Kamerleden die elkaar vrolijk op de schouders slaan nadat ze elkaar van de vreselijkste dingen hebben beticht. Een beetje van dat incasserings- en relativeringsvermogen zouden vrouwen wel mogen hebben. Je kunt het grondig oneens zijn en toch vriendelijk blijven. Vrouwen maken alles zo persóónlijk.’’

Die uitspraken kwamen haar „uiteráárd’’ op een aantal boze reacties van lezeressen te staan. Ze draait haar bureaustoel een kwartslag en tovert een mail tevoorschijn op haar beeldscherm. „Deze mevrouw vindt dat vrouwen wél een betere soort zijn: wij voeren geen oorlogen, er zitten veel minder vrouwen dan mannen in de gevangenis, wij slaan mekaar de hersens niet in op het voetbalveld. Tja, daar zit wat in. Maar ik ben een calvinist: ik weet zeker dat het hier ook geen paradijs zou worden met vrouwen alleen.’’

Schrijven is nog steeds een van haar grootste passies. Iedere uitgave van Opzij opnieuw legt ze – voor een inmiddels 156 afleveringen tellende interviewreeks – mannen uit de top van politiek en bedrijfsleven ’langs de feministische meetlat’. „Ik ben, denk ik, de enige hoofdredacteur van Nederland die nog iedere maand een groot interview aflevert. Verder heb ik gelukkig een redactiechef die de productie van het blad begeleidt – dat heb ik zo lang gedaan, dat doe ik niet meer en ik mis het ook niet. Ik vertegenwoordig het blad ook op een andere manier dan door achter mijn bureau te zitten.’’

De ingezonden brieven en mailtjes van abonnees behandelt ze zelf. Zo houdt ze voeling met wat er onder haar lezeressen leeft, zegt ze. Ja, ze vindt dat ze dat nog steeds weet. Ook al is de oplage van Opzij na een top van 85.000 gezakt naar rond de 80.000. „Bladen als Psychologie Magazine en Happinez doen het op het moment heel goed bij vrouwen – wij moeten hard werken om onze lezeressen te houden.” De kritiek dat de Opzij-lezeressen bijna allemaal gearriveerde veertigplussers zijn, wuift ze weg. „De slag naar de dertigers hebben we niet echt weten te maken. Maar veertigplus is een grote markt, niks mis mee hoor.’’

De emancipatie van Nederlandse vrouwen is blijkens eigen onderzoek nagenoeg voltooid, meldt Opzij in het Cisca-nummer. Vrouwen hebben de afgelopen vijfentwintig jaar meer zelfrespect gekregen en grijpen hun kansen. Ze vinden helaas nog één belangrijk obstakel op hun weg: de man. „Die accepteert de gelijkheid van mannen en vrouwen wel in theorie, maar past zijn eigen gedrag te weinig aan. Maar ze schieten op hoor! De tijd dat vrouwen Opzij stiekem weggemoffeld in de Libelle lazen, is echt voorbij.’’

Spijt? Of ze ergens met spijt op terugkijkt? „Ik voel iets spijtigs over alle relaties die gesneuveld zijn tijdens de tweede feministische golf. Overal begonnen VOS-cursussen, Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving – maar in de volksmond heette dat als gauw: vrouwen oriënteren zich op scheiding. Je moet begrijpen: Er voltrok zich een revolutie in de directe leefwereld van mensen. Vrouwen waren heel fel, ontmoetten elkaar in vrouwencafés en kwamen dan heel geladen thuis. Mannen raakten daarvan in de war. Logisch. Er volgden veel scheidingen – en dat vind ik jammer. Ik denk dat het niet anders kon hoor, maar het heeft wel veel verdriet gebracht. Dat vind ik heel erg.’’

Zelf is ze is al weer veertig jaar samen met Koos; de man op de Trouw-redactie die het wél leuk vond dat ze af en toe een grote mond had.

Lees verder na de advertentie

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie