Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het laatste manifest van de eeuw

Home

PETER SIERKSMA

...En toen alle -ismen uit de wereld verdwenen waren, verschenen er plotseling drie kunstenaars. En zij noemden zich Toyisten.

Het is een absurd verhaal. Net zo absurd als hun werk eigenlijk. Drie schilders uit Emmen hebben het spelen tot kunst verheven. In Nederland is dat, een enkele grote opdracht van het Wereld Natuur Fonds daargelaten, tot nu toe vrijwel onopgemerkt gebleven. Maar, vertellen de drie trots, in Amerika niet. Daar beleven de Toyisten vandaag midden op Broadway in The World Fine Art Gallery de opening van hun eerste buitenlandse expositie onder het motto: 'Toyism, a new movement by the Toyist artists from Holland'.

Wat is dat, Toyisme? Wat stelt het voor? En wie zitten er achter? Vlak voor hun vertrek uit Emmen zitten Ingo Leth, Jaap Blaak en Luit de Jong (Dejo) op een rijtje in de gelijknamige galerie van de laatste. Om beurten vertellen ze hun verhaal om aan het einde op te lossen in drie symbolen, die samen de kern van deze laatste ideologie van de twintigste eeuw vormen.

De symbolen vormen een belangrijk onderdeel van hun handelsmerk. Net zoals de kleur, de stip, de transparantie van bepaalde objecten, de zwarte lijn, de lucht en de ruimte vol met sterren daar ook toe behoren. De symbolen of logo's, even verplicht als de koppelriem in het leger, komen in ieder schilderij terug. Voor Blaak is dat een ruimteschip, voor Leth een speelgoedbeer en voor Dejo een computer. Het geeft meteen ook weer in welke wereld het Toyisme thuishoort. Zonder pc, zonder nintendo en Star Trek, zonder sciencefiction, stripboeken, videoclip, Van der Valk en Disney was de nieuwe door hen in het leven geroepen stijl of stroming niet denkbaar geweest.

Zonder kitsch trouwens ook niet. Wie de schilderijen van de drie voor het eerst ziet, is geneigd het verre van zich te werpen. Het is te grof, te gelikt, en te flauw om serieus te nemen. Het vijfluik 'Broadway on stage' bijvoorbeeld laat niets dan een indruk van opgeklopte glamour achter. Vijf musicals zijn achtereenvolgens in vijf in elkaar passende driehoeken uitgebeeld: 'Grease', 'Cats', 'Miss Saigon', 'The phantom of the opera' en 'The beauty and the beast'. Afgezien van de Broadway-glamour die zich in alle vormen, kleuren en met name lichteffecten (aan de hand van witte en gele verfstipjes worden de theaterlampjes bijna lichtgevend) opdringt, is het geheel zo druk dat je er moe van wordt. Decor-kunst, Joop van den Ende-kunst is het, al stonden de Toyisten een paar jaar geleden met Pasen voorop de NCRV-gids en niet in het Veronica-blad. Vooral de twee zoenende silhouetten op het middelste paneel van 'Broadway on stage' (voorstelling 'Miss Saigon') spannen de kroon. Dat is puur 'All you need is love' met dat lichtgevende hartje erachter - zelfs humor, volgens de Toyisten ook een van de krachten in hun werk, helpt hier niet meer.

Er hangen echter ook een paar schilderijen in Emmen waarbij de verbazing en ergernis al snel worden weggenomen door mededogen; opgeroepen door een aandoenlijke naïviteit, die hangen blijft. Neem bijvoorbeeld het in 1992 gemaakte 'Symfonie van kleuren' van Leth. In frisse vrolijke kleuren zie je een speelgoedbeertje naast een pas geopende doos zitten waar allerlei muziekinstrumenten uit tevoorschijn komen. Het is een soort omgekeerde doos van Pandora. Of het kunst is, weet ik niet, maar je wordt er wel vrolijk van en het zou wel eens kunnen dat de maker het precies daarom ook gemaakt heeft. Hetzelfde geldt voor 'Guggenheim' uit 1994, dat puur uit commerciële redenen gemaakt werd. De kaart die van het schilderij gedrukt werd - een rood doek met kinderlijke voorstellingen van het Guggenheim-museum en het World Trade Center, met Nederlandse vlag in top, die verbonden worden door een sliert van autowegen met files erop - deelden Dejo en Blaak in 1995 bij de ingang van het Museum of Modern Art uit als flyers. Blaak: “De portier wilde ons eerst wegsturen, maar toen hij zag dat wij ons Toyisten noemden, liet hij ons begaan. 'Ik doe zelf ook iets met speelgoed', zei hij en vroeg of hij ook een kaart mocht hebben.”

Gelikt of niet, Blaak, Dejo en Leth maakt het weinig uit. Ze genieten van de samenwerking en de toenemende belangstelling die er voor hun werk is. Hoewel het plezier van het met zijn drieën aan één doek of serie te kunnen werken ieder plichtsbesef overtreft, geven ze wel toe dat hun kunst - inderdaad - zeer bedacht is. Dat er een concept aan ten grondslag ligt met slechts één doel: roem en succes. Het is precies de voorwaarde die oud-museumdirecteur Frans Haks in de jaren tachtig aan moderne kunst stelde: wil het slagen, dan moet het commercieel zijn.

Maar volgens Dejo, het brein achter het Toyisme, is er meer aan de hand. “Nu roepen de mensen nog: 'Wat is dit nou!' Maar later zullen ze begrijpen dat wij onze tijd ver vooruit waren. Net als Van Gogh, Dali en de jongens van Cobra. Wat die commercie betreft, wij schuwen haar niet, maar het idee is belangrijker dan de verkoop.”

Dejo: “Wij zijn onvervangbaar. En dat laten wij ook zien met onze beer, space shuttle en computer. We vullen elkaar geweldig aan. Leth brengt de kleur en de abstractie in onze schilderijen. Blaak het naïeve en ruimtelijke, de space-kant en ik het zakelijke en rationele. Niet voor niets is mijn symbool de computer. Het aardige van ons driemanschap is dat onze eigenschappen elkaar versterken en zo vormen we samen een stroming, een stijl, een -isme. Het Toyisme zal altijd met ons drieën verbonden blijven, valt iemand van ons weg, dan zal dat ook het einde van het Toyisme zijn, want dat kan niet door iemand 'alleen' geëvenaard worden.”

Is het Toyisme niet gewoon een kwestie van Kuifje die de wereld verovert met een kwast?

Dejo lachend: “Ja, of Lucky Luke.”

Leth: “Nou meer de Daltons eigenlijk.”

Dejo serieus: “Mensen zien dat je durft. Andere kunstenaars durven vaak niets te ondernemen.”

Leth: “Brutalen hebben de halve wereld, niet?”

Blaak: “En met zijn drieën ben je nog brutaler.”

Leth: “Je kunt wel wachten, maar dan komt er ook niemand op je af. Ik weet dat van mijn winkel: Als je geen reclame maakt, komen er ook geen klanten.”

De grote inspiratiebron van Dejo, en niet geheel toevallig ook van Blaak en Leth, is Dali. Op veilige afstand gevolgd door Miró en Picasso. Dejo: “De surrealisten hadden ook een manifest, een code, alleen ging Dali veel verder. Dali heeft dingen opgeroepen die er vóór hem niet waren - hetzelfde geldt voor ons. Wij maken ook nieuwe dingen, die de mensen nu nog niet zien. Pas als het computertijdperk voorbij is, zal men onze kunst op waarde schatten. Dit overwint absoluut de tijd.”

Luit de Jong werd in 1963 geboren in Emmen. Na zijn middelbare schooltijd ging hij in 1987 naar de kunstacademie in Kampen, waar hij twee dingen leerde: de techniek van het schilderen en het geheimhouden van ideeën. Dejo: “Vaak had ik een idee en dan vertelde ik dat aan medestudenten, die er dan mee aan de haal gingen. Nadat dat een paar keer gebeurd was, dacht ik: 'Wil je je onderscheiden van de anderen, zorg dan dat de rest je nooit kan kopiëren. Wil ik iets bereiken, breng dan niets van jouw ideeën in de openbaarheid, want dan ben je alles kwijt.' Door ervaring wijs en achterdochtig geworden, ontstond in die tijd ook het idee van een geheim program. Voor de Toyisten geldt dat nog steeds. Er zijn 25 regels waaraan ons werk voldoet. We interpreteren die regels niet streng, maar we zijn er wel aan gehouden. Wat die regels zijn? Als je goed kijkt, moet je er minstens een stuk of tien kunnen raden, maar alle 25 geven we nooit prijs.”

Na zijn tijd op de academie in Kampen, keerde Dejo terug naar zijn geboorteplaats waar hij naast zijn werk op kantoor in 1990 een eigen galerie begon. Daar ontmoette hij al snel Jaap Blaak (52), die huisschilder was, maar in zijn vrije tijd ook wat 'fijnschilderde' zoals hij het zelf uitdrukt. Toen Dejo zijn werk voor het eerst zag, wist hij meteen 'dat wordt wel wat' en voor Blaak, die jarenlang op zijn zolderkamer geploeterd had zonder dat iemand ooit naar zijn schilderijen omkeek, was de sensatie niet minder groot: “Voor het eerst dacht ik: Gelukkig, eindelijk een kunstbroeder!”

Het leidde tot een expositie in 1991 met wat nu Blaaks vroege werk heet ('ik schilderde met een prehistorische en surrealistische inslag - veel jagers en sombere oerlandschappen') en een vriendschap die de basis legde voor de oprichting van het Toyisme op 5 september 1992. Vanaf die dag zijn alle werken ook genummerd. Ingo Leth (30) was de laatste die erbij kwam.

Ook hij, geboren in Duisburg maar naar Emmen getrokken na een romance met een Hollands meisje die begon in (Duisburgs) McDonald's, ontmoette zijn vrienden in de galerie van Dejo. Leth volgde de grafische school en werd daarna reclameschilder. Nu werkt hij, nog steeds, als winkelinrichter en reclametekenaar bij de firma De Trekpleister (Het kruidvat) en de supermarktketen De Boer in Emmen. In zijn vrije tijd bleef hij schilderen en ook dat leidde tot een expositie in Galerie Dejo. Leth: “Ik ben vooral erg weg van Miró. Vroeger schilderde ik puur abstract. Een beetje Kandinsky-achtig.”

Op de opmerking dat hun werk misschien wel heel decoratief en speels is, maar zo weinig thema lijkt te hebben, springen de Toyisten van de bank en halen opeens alles uit de kast wat erin staat. Dejo beroept zich op de grote hoornen bril uit het schilderij dat vorig jaar in opdracht van het Wereld Natuur Fonds gemaakt werd en waarin in het ene glas de wereld van de cultuur en in het andere die van de (bedriegde) natuur weerspiegeld wordt. Leth wijst naar de speelse humor in zijn recente en, inderdaad grappige, schilderij 'Nieuwe spelling' (een parodie op de nieuwe spelling met een beer en twee papegaaien als Janssens en Janssens in de hoofdrol) en Blaak begint vol vuur aan een reeks filosofische bespiegelingen, die pas eindigt na een rondleiding langs bijna al zijn schilderijen.

Vooral over 'Dravend paard' (dat in New York hangt) en 'Ezel schiet op de maan' kan hij eindeloos redeneren. “Het paard”, vertelt hij, “is een mecano-paard, een echt toyistisch paard, dat de ruimte tegemoet draaft. De shuttle, linksonder, jaagt hem op. Het is een paard van deze tijd, kun je zeggen, met op zijn rug een pasgeboren kind met een fopspeen in de mond. Dat gaat mee in de ruimte, het wordt al gestuurd. Het ontkomt niet aan de techniek. Maar gelukkig is het paard ook een heel sterk paard... Ja, een typische Blaak.”

Dan volgt 'Ezel schiet op de maan'. Het is gemaakt als reactie op de kernproeven die Chirac twee jaar geleden hield in de Stille Zuidzee ter hoogte van Mururoa. Het doek bestaat uit een donkerblauw heelal met daarin een lichtblauw ovaal; noem het een soort melkwegstelsel. Vanaf de bodem van het schilderij kijken twee hondjes links in de hoek vanuit een lelijk eendje het heelal in, rechts staat de rode mecano-ezel met zijn kanon. Linksboven schijnt de geschonden maan. 'Daarin' vliegt het ruimteschip - het logo van Blaak - met de neus richting plafond het doek uit. Blaak: “Zie je die twee poedeltjes? Die blaffen voor de schilder. En de shuttle? Die steekt zijn vingers in de oren. En toch heeft de ezel al iets kapotgemaakt op de maan.”

Dejo: “Ondanks haar speelsheid, werkt het Toyisme ook vervreemdend. Het heeft een surrealistische grondslag.”

Blaak: “Het heeft lading. Het gaat een keer mis met de aarde, maar ik zeg: Kom mee, stap in de space shuttle, op weg naar een nieuwe aarde.”

Is dat een vorm van escapisme of gewoon een ander beeld voor 'Utopia'?

Leth: “Je moet het oppervlakkiger zien. De wereld staat wel in brand, maar gaat niet ten onder.”

Deel dit artikel