Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het goede en slechte kinderleven

Home

door Harriët Salm en Ingrid Weel

Bunnik en Rozendaal: daar moet je zijn als kind. Maar blijf weg uit Rotterdam of Harlingen. Er zijn grote verschillen in kindvriendelijkheid van gemeenten, blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut.

In het rapport ’Kinderen in Tel’ staan de harde cijfers over kindvriendelijkheid op een rij: Rotterdam scoort het slechtst, Rozendaal (in Gelderland) het beste.

Gekeken is naar jeugdgezondheidszorg, jeugdcriminaliteit, onderwijs, armoede, speelruimte, gezinssituatie en jeugdwerkloosheid. Er wonen 3,6 miljoen minderjarigen in Nederland. Verreweg de meeste van de 467 gemeenten die Nederland telde in 2004, scoren rond of boven het gemiddelde. Dertig gemeenten zijn onder de maat.

Vooral in de grote steden Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, maar ook in een kleine gemeente als Harlingen is het slecht vertoeven voor kinderen. Voor een grote stad brengt Utrecht het er redelijk goed van af. De provincie Utrecht is samen met Noord-Brabant de aangenaamste provincie voor kinderen.

Achterstandswijken vind je niet alleen in de grote steden. Verreweg de meeste gemeenten, namelijk 316, kenden in 2004 helemaal geen achterstandswijken. Maar vooral in de provincies Friesland en Groningen zijn veel dorpen en steden waar kinderen opgroeien in een buurt met veel laagopgeleide gezinnen, werklozen en mensen die van een klein inkomen moeten rondkomen.

De kleine gemeente Reiderland (Gr.) bestaat, volgens de definitie van het Sociaal en Cultureel Planbureau, zelfs bijna alleen uit achterstandswijken. In heel Nederland wonen 575000 kinderen in zo’n wijk.

Wim Slot, hoogleraar kinderbescherming aan de Vrije Universiteit Amsterdam en pedagoog, vindt de gegevens ’aardig’, omdat ze de problemen van de grote steden, die altijd zoveel aandacht en geld krijgen, relativeren. „Opgroeien in een achterstandswijk betekent een risico voor kinderen”, reageert Slot. „De kans op het ontwikkelen van probleemgedrag is daar groter. In zo’n wijk is vaker schooluitval, crimineel gedrag en hoge jeugdwerkloosheid. Het is goed om te weten waar de risico-kinderen zitten: naast de grote steden dus in Noord-Nederland.”

Maar de gemeente die er op veel punten het slechtste uitspringt, is toch echt een stad: Rotterdam.Meer dan andere grote steden. Zo daalt het aantal kinderen dat opgroeit in achterstandswijken in Amsterdam, terwijl in Rotterdam hun aantal de laatste jaren toeneemt. Het percentage ligt in beide steden boven de 60, terwijl het landelijk gemiddelde 16 procent is.

Kinderen in een achterstandswijk leven niet per definitie in armoede. Dat blijkt uit het veel lagere aantal kinderen dat in bijstandsgezinnen woont, namelijk 240000. Rotterdam en Amsterdam staan bovenaan, maar weer is het Rotterdam waar het aantal is gestegen, terwijl het elders daalt. „De effecten van armoede op kinderen zijn schrijnend”, zegt Stan Meuwese, directeur van Defence for Children International Nederland, een van de opdrachtgevers voor het onderzoek. „Er is dan geen geld voor kleding, verjaardagsfeestjes en zelfs niet voor iedere dag een warme maaltijd.”

Hoogleraar Slot betreurt het dat in het rapport geen onderscheid is gemaakt tussen feiten die door beleid te beïnvloeden zijn en factoren waar een gemeente niets aan kan doen. „Rotterdam heeft een grote instroom van laaggeschoolde Antillianen, dat kun je de gemeente niet verwijten. Dat ze vervolgens slecht scoort op zuigelingensterfte, achterstandswijken en schooluitval zegt niet veel over het beleid.”

Hij vindt het verder van belang Utrecht onder de loep te leggen, omdat deze stad het beter doet dan andere, terwijl ook Utrecht veel achterstandswijken heeft. Zo heeft Utrecht bijvoorbeeld weinig jeugdwerkloosheid. „Hoe kan dat? Het lijkt mij relevant dat te onderzoeken.”

De onderzoekers wilden echter cijfermatig vastleggen waar opgroeiende kinderen de meeste risico’s lopen. „Hiermee kunnen belangenbehartigers de discussie aanzwengelen met overheden. En ook nagaan waar meer gegevens nodig zijn en wat gemeenten beter kunnen doen”, aldus het Verwey-Jonker Instituut, dat het onderzoek uitvoerde.

En waarom Harlingen, de op een na slechtste gemeente van Nederland voor kinderen, zo slecht scoort? Slot bladert de gegevens door. Zestig procent van de kinderen woont in een achterstandswijk, leest hij. Maar vooral de kindersterfte is ver boven het landelijk gemiddelde. „Die kindersterfte is interessant: wat is daar gaande?”, vraagt Slot zich hardop af.

Het rapport geeft er geen antwoord op. Wel adviseren de onderzoekers voorzichtig te zijn met het trekken van harde conclusies uit deze indicator. Bij kindersterfte gaat het om kleine aantallen, zodat een overleden kind in een kleine gemeente de score snel opvoert.

Bij meer dan een derde van alle sterfgevallen bij kinderen in Nederland was de doodsoorzaak niet-natuurlijk; verkeersongelukken, verdrinking en vergiftiging komen het meest voor. In de geïndustrialiseerde landen overlijden alleen in Zweden, Groot-Brittannië en Italië minder kinderen aan ongelukken, meldt Unicef.

Binnen Nederland kent Zeeland de meeste dode kinderen in 2004: 24 per 100000 kinderen. „Actie van gemeenten kan helpen dit cijfer verder omlaag te brengen”, zegt een woordvoerster van Unicef. Ze moeten niet alle risico’s in het leven van kinderen uitbannen, benadrukt ze. „Misschien is juist blootstelling aan minder beschermende omgevingen nodig om kinderen een gezonde risico-inschatting bij te brengen.”

Slot vindt dat de cijfers over kindersterfte nader onderzocht moeten worden. „Waarom is Zeeland zo slecht? Ik weet het niet, maar het lijkt me zinvol naar risicofactoren te kijken. Zijn er veel orthodoxe gemeenten, waar complicaties bij kinderziekten vaker voorkomen doordat de inwoners tegen inenten zijn?” Alleen als je weet wat de oorzaken van kindersterfte zijn, kan er goed beleid komen om die sterfte terug te dringen, is zijn overtuiging.

Het aantal jongeren tussen de 12 en 22 jaar dat een delict heeft gepleegd en daarmee voor de rechter komt, is tussen 2000 en 2004 gestegen van 2,8 naar 3,3 procent. In totaal gaat het om 63000 jongeren. De Groningse gemeente Pekela staat bovenaan: daar is 6,3 procent van de jonge mensen tussen 12 en 22 in 2004 voor de rechter verschenen. Opvallend is dat deze gemeente in 2000 niet eens in de toptien voorkwam.

In vrijwel alle provincies is de jeugdcriminaliteit gestegen, met als uitschieters Flevoland en Zeeland. Daar steeg het aantal jongeren dat voor de rechter moest komen respectievelijk van 3,3 naar 4,2 procent en van 2,3 naar 3,1 procent.

Kinderrechtenbehartiger Meuwese maakt zich niet zo’n zorgen over deze getallen: „Wie opgroeit zoekt de grenzen van wat mag. Jeugdcriminaliteit is voor een heel groot deel opgroeicriminaliteit.” Wel vindt hij dat de percentages omlaag moeten. „Dat is vooral een kwestie van preventie.”

Hoogleraar Slot ziet meer problemen. „Geweldsdelicten door jongeren nemen toe. Veel van deze delicten worden gepleegd in uitgaanscentra, vaak onder invloed van alcohol of drugs. Dat is typisch een factor waar gemeenten wat aan kunnen doen. Let op in welke uitgaanscentra dit veel gebeurt en waar niet, en tref maatregelen.”

Meuwese: „Belangrijk is in ieder geval direct te reageren als een jeugdige een fout maakt. Tijd is kwaliteit. In het jeugdstrafrecht duren de procedures nu nog vaak te lang. Een rechter die een jongere aanspreekt op wat hij een halfjaar geleden heeft misdaan, is te laat.”

Hetzelfde geldt voor spijbelen. Bij ernstig schoolverzuim duurt het vaak een halfjaar of langer voordat de spijbelaar voor de kinderrechter moet komen. In 2004 bleef 1,5 procent van alle leerplichtige leerlingen drie dagen achtereen of vaker weg zonder melding. Vlieland kent het hoogste verzuim van Nederland, 11,7 procent van de kinderen heeft langdurig gespijbeld, gevolgd door Emmen en Bussum en nog een ander waddeneiland: Texel.

Waar gemeenten overduidelijk invloed op hebben, is de hoeveelheid speelruimte. Er is in de kindvriendelijke provincies Utrecht en Noord-Brabant opvallend weinig aangelegde speelruimte ten opzichte van andere provincies, dus daarop scoren ze minder, maar natuurgebieden als de Biesbosch en de Heuvelrug compenseren dat weer.

In 2004 lag het landelijk gemiddelde op 55 kinderen per hectare speelruimte. De verschillen zijn groot: In de ene plaats hoeft maar een tiental kinderen de speeltuinen, sportvelden en parken ter grootte van een hectare met elkaar te delen, in de andere gemeente moeten meer dan driehonderd kinderen het met dezelfde hoeveelheid speelruimte doen.

In de laag scorende gemeenten kunnen natuurlijk wel bossen, duinen en boerderijen overheersen, waardoor georganiseerde speelruimte minder prioriteit heeft. De dichtbevolkte steden scoren ook niet allemaal slecht. Toch zou Jantje Beton het liefst willen dat het recht op buitenspeelruimte bij wet wordt geregeld. „Nu is het nog te vaak stiefkind van gemeentebeleid.”

Gemeentebeleid is vaak kortzichtig en ingegeven door politieke overwegingen, zegt hoogleraar Slot. Zo worden geregeld projecten gestart, waar op andere plekken allang van bewezen is dat ze niet werken. Hij stelt voor per thema –- kindermishandeling, jeugdwerkloosheid of bijvoorbeeld schooluitval – een landelijke werkgroep in te stellen die de gegevens uit ’Kinderen in Tel’ nader gaat bekijken.

Slot: „Welke gemeente heeft goede resultaten en waarom? Daar kunnen anderen weer veel van leren. Dit is een hoopvol onderzoek als je de dieperliggende oorzaken achter de feiten gaat onderzoeken. Dat kan tot een beleid leiden waar kinderen inderdaad beter van worden.”

Dinsdag 28 februari wordt het databoek ’Kinderen in Tel’ gepresenteerd. Om 20.00 uur is in Akantes te Amsterdam een debat, georganiseerd door Defence for Children. Toegang is gratis, aanmelden bij info@defenceforchildren.nl of via 020-4203771.

Deel dit artikel