Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het geheime getto-archief

Home

Seije Slager

Een groep Joodse historici documenteerde van 1940 tot 1943 in het diepste geheim alle aspecten van het leven in het getto van Warschau. Ze wisten: dit is het laatste hoofdstuk in het verhaal van het Poolse Jodendom. Historicus Samuel D. Kassow bracht hun archief in kaart.

Bij het woord ’verzet’ zijn we geneigd te denken aan gewelddadige acties, en sabotages. Maar schrijven kan net zo goed een daad van verzet zijn, vindt Samuel D. Kassow.

In zijn onlangs in het Nederlands vertaalde studie ’Wie schrijft onze geschiedenis’ citeert hij de Jiddische historicus Isaac Schiper, die in het getto van Warschau bange voorgevoelens had: „Wat wij over uitgemoorde volken weten, is wat hun moordenaars in hun verwaandheid wensten te zeggen.”

Maar al werd zo’n 97 procent van de Poolse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoord, het zijn niet alleen de moordenaars die kunnen getuigen van die massaslachting.

In 1946, een jaar na de oorlog, werd in Warschau een aantal blikken opgegraven, vol met interviews, dagboeken en reportages uit het getto. Ook kleine, schijnbaar onbetekenende details zijn bewaard: snoeppapiertjes, tramkaartjes, Duitse aanplakbiljetten. Vier jaar later kwam een tweede lading naar boven, verstopt in melkbussen. In totaal zo’n 30 à 35.000 documenten, bijeengebracht door de illegale organisatie Oneg Sabbat.

Oneg Sabbat werd in 1940 opgezet door de historicus Emanuel Ringelblum. Het was een club die in het geheim werkte, en zo’n 60 medewerkers had, die vaak niet van elkaar wisten wie ze waren.

Kassow: „Er waren meer getto’s waar zulke archieven werden bijgehouden. Maar dat waren semi-officiële archieven, vaak in samenwerking met de Joodse Raad opgezet. De kracht van het Oneg Sabbat-archief is dat het echt onafhankelijk was.”

Die kracht was het archief ook bijna fataal geworden. Van de zestig medewerkers overleefden drie de oorlog, en slechts één van hen wist waar de documenten begraven lagen. Het kostte hem nog behoorlijke moeite om het te laten opgraven. Een groot deel van de documenten is ook niet meer teruggevonden.

Maar de delen die bewaard zijn, geven een rijkgeschakeerd beeld van het leven in het getto, uit de eerste hand opgetekend door enkele gedreven bewoners. Alle aspecten werden beschreven: de gaarkeukens, de kinderopvang, de smokkelaars, de buurtgroepen die overal opsprongen. Maar ook de wreedheid van de Joodse politie, de onverschilligheid waarmee mensen langs creperende kinderen liepen. De deportaties, en de soms gekmakende gedweeheid waarmee veel Joden hun lot ondergingen. En uiteindelijk, toen het getto bijna leeggehaald was, de opstand die toen nog uitbrak.

„Ringelblum was ook voor de oorlog al bezig met de documentatie van het Jiddische leven van alledag”, vertelt Kassow. In de jaren tussen de wereldoorlogen beleefden de Oost-Europese Joden een periode van culturele bloei, en groeiend zelfbewustzijn. Sommige Zionisten richtten daarbij de blik uitsluitend op remigratie naar een nieuw thuisland, andere Joden probeerden juist te assimileren. Ringelblum behoorde tot de school die zich sterk maakte voor het ontwikkelen van een eigen Jiddische identiteit. Emigratie naar een nieuw thuisland was een mogelijkheid, maar hij voelde zich ook geworteld in Oost-Europa.

Geïnspireerd door het marxisme, en de wens om een eigen seculiere Jiddische identiteit op te bouwen, zette hij zich aan het bestuderen van de ’doordeweekse Jood’. „Tot dan toe waren alleen de ’sabbat-Joden’ tot de geschiedenisboeken doorgedrongen”, legt Kassow uit. „Ringelblum wilde een Joodse identiteit opbouwen die niet leunde op de godsdienst, en die trots was op de eigen taal, het Jiddisch, dat alom als een minderwaardig Duits dialect beschouwd werd.”

Vanuit die wens, om iets constructiefs op te bouwen, ging hij ook in het getto verder met zijn werk. „In het begin stond Oneg Sabbat nog in het teken van het opbouwen van de Jiddische identiteit, iets waar de Oost-Europese Joden in de toekomst zelf iets aan zouden hebben.” Pas geleidelijk aan drong het tot de medewerkers van Oneg Sabbat door, dat ze de laatste hoofdstukken aan het schrijven waren in het boek van het Poolse Jodendom.

„In 1941 besloten de Duitsers tot de Endlösung, de volledige uitroeiing van alle Joden. Toen sijpelden al snel de verhalen over de vernietigingskampen in het getto door. Maar ook in die gekmakende omstandigheden bleef Ringelblum zijn werk met een onvoorstelbare verantwoordelijkheid en objectiviteit doen.”

Marxist Ringelblum verzamelde mensen van allerlei politiek pluimage om zich heen, en liet ze alles documenteren wat ze zagen. „Hij censureerde niets. Hij dacht dat dat de beste manier was om de geloofwaardigheid van het archief te waarborgen, ook als er in de toekomst geen Joden meer zouden zijn.”

Wat Ringelblum bovendien als geen ander begreep, zegt Kassow, is dat er een groot verschil is tussen eigentijds documentair materiaal, en herinneringen. „In het getto verslechterde de toestand haast per dag. Wat het ene moment een verschrikking was geweest, leek soms een maand later alweer een verloren paradijs. Daarom drukte hij zijn medewerkers op het hart om snel te werken, alles direct op te schrijven.”

Inderdaad bieden de documenten uit het archief een rauwere blik op het gettoleven dan veel herinneringen van de overlevers. Het is een natuurlijk proces, dat mensen met het verstrijken van de tijd hun herinneringen stileren, zegt Kassow. En dat er dus clichébeelden ontstaan: alsof Joden allemaal martelaars waren, of allemaal helden. „Ringelblum voorzag dat. Daarom liet hij ook de rauwe verhalen optekenen, de verhalen die mensen op het moment zelf vertelden, en die je na de oorlog niet meer zo vaak zou horen. Van de Joodse politieagenten die steeds meer mensen de dood instuurden om hun eigen hachje te redden. Maar ook van de onverwachte saamhorigheid in de buurtcomités. Om te laten zien: dit waren wij, geen mythe, maar een echt volk, met een echte geschiedenis, vol helden én schurken.”

Wat vindt Kassow van de clichébeelden van de getto’s die je in films of romans tegenkomt, als je ze vergelijkt met de levensechte verhalen die hij in zijn boek verzamelde? „Ik probeer zo weinig mogelijk films te kijken, of romans te lezen over de Holocaust. Ik weet dat het moment komt dat de laatste overlevenden dood zijn, en dat kinderen alleen nog via films over de Holocaust leren. Dat is ook niet erg. Maar het kan nooit hetzelfde zijn als de confrontatie met een ongecensureerde getuigenis.”

Hij vertelt een persoonlijk verhaal: „Mijn moeder, en mijn tante hebben de oorlog door een serie wonderen overleefd. Zoals haast iedereen die de oorlog overleefde. Mijn tante was elf, en zat bij haar stervende grootmoeder, die haar wegstuurde om zichzelf in veiligheid te brengen. Ze werd beschoten, liep twee schotwonden op. Toch is ze een meertje overgezwommen, en is ze nog vijftien kilometer gekropen naar de schuur waar mijn moeder zat.”

Dat moet je dus niet proberen in een film te verwerken. „Hoezo kon ze die schuur in het donker vinden? Hoezo kon ze met twee schotwonden in november een koud meer overzwemmen? Dat is een volkomen ongeloofwaardige plot. Maar het gebeurde.”

Lees verder na de advertentie
In 1946 werd, verstopt in blikken, een groot deel van het archief van het getto van Warschau opgegraven. (FOTO UIT HET BESPROKEN BOEK)



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie