Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het echte monster is de kermisexploitant

Home

Bas Belleman

Het decor van Erik Vlamincks roman over forains is zo mooi-treurig als een kermis zijn kan. Maar in het uitwerken van de personages schiet de Vlaamse auteur te kort.

Aan het begin van de vorige eeuw toert een kermisklant door Vlaanderen met een siamese tweeling: Joséphine en Anastasia. Hij behandelt hen zo slecht, dat ze er uiteindelijk aan sterven. Daarover - en over de nazaten van deze man - gaat ’Suikerspin’, het nieuwe boek van van toneelschrijver en romancier Erik Vlaminck (1954).

Begin jaren negentig begon Vlaminck aan een zesdelige kroniek over het leven van gewone Vlamingen in de twintigste eeuw. Die is afgerond en ’Suikerspin’ is het eerste boek dat weer helemaal op zichzelf staat. Hij kiest nu voor een iets uitzonderlijker slag mensen: ’foorkramers’, oftewel kermisklanten.

Kermissen roepen de sfeer van losbandigheid op. Lampjes en draaimolens. Gesjoemel en ongeloof. Bellenblaas en zuurstok. Uit films, dramaseries en boeken kennen we ook de tentoonstellingen van dwergen, vrouwen met baarden en siamese tweelingen. Er kleeft altijd iets treurigs aan kermissen, waar lampjes en muziek weinig aan kunnen veranderen.

Vlaminck maakt handig gebruik van die associaties. Hij hoeft niet zoveel uit te leggen om sfeer te scheppen. Hij beschrijft onder andere hoe een voormalige kermisman met zijn oude attractie in een barak zit. Niemand die nog komt. Dat beeld van een verlaten attractie is bekend. Toch blijft het indringend.

Maar zo mooi als zijn decor is, zo oppervlakkig zijn de personages. Zij stijgen niet boven de archetypen uit.

’Foorkramer’ Jean-Baptist van Hooylandt heeft een ongelukkige jeugd gehad en moet zich als jongeman staande houden in de taaie wereld van de ’forains’. Hij deinst er niet voor terug om zijn zwakzinnige broer zwart te verven en met een paar zwemvliezen als watermonster in een bak water ten toon te stellen. Wanneer hij zijn onwillige broer op een dag met een zweep mishandelt, grijpen zijn collega’s in. Hij moet op zoek naar een nieuwe attractie en stuit op de tweeling. Ook die behandelt hij slecht en betalen doet hij hen ook al niet.

Een verdorven mens dus, die Jean-Baptist. Je kunt hem ook verwijten dat hij laf is, want hij durft zijn ’fenomenen’ niet recht in de ogen te kijken. Eigenlijk is hijzelf het enige echte monster in zijn kraam.

Ter contrast is de tweeling opgedeeld in de zwakzinnige Anastasia en de lieve Joséphine. Onder alle omstandigheden blijft Joséphine een onschuldige naïeveling, zelfs als ze wordt aangerand.

Andere hoofdstukken spelen in het heden en daarin kankert de cynische, malende kleinzoon Arthur van Hooylandt in onvervalst Vlaams over de tegenslagen die hij in zijn leven heeft gekend en de vrouwen die hem hebben bedrogen. Ook die man is tamelijk eendimensionaal getekend. „Wijven zijn crapuleuze serpenten”, is zijn eerste zin. Volgens hem kijken vrouwen op ’barakkenventen’ neer alsof die van de apen afstammen. „Zij menen dat sommige mannen die op de kermis hun brood verdienen zelfs nog een opgekrulde staart in hun broek hebben zitten.”

En daarmee is een toon gezet die niet meer verandert. Het verhaal loopt lekker en de tirades zijn soms best amusant, maar je weet al meteen hoe Arthur is: weinig ontwikkeld en seksistisch, doch welbespraakt. Een literaire variant van de edele wilde.

De lezer wordt niet geacht Arthurs vrouwonvriendelijke wereldbeeld te onderschrijven, al was het maar omdat de schrijver dat wereldbeeld met een paar goedhartige vrouwelijke personages weerlegt. Maar uiteraard komt er ook één vrouw in voor die inderdaad mannen om haar vinger windt en oplicht: de gevaarlijke vamp. Die is met Arthurs zoon getrouwd.

Frappant genoeg weet Vlaminck bij vlagen treffend te formuleren. Hij laat Arthur bijvoorbeeld vertellen van een collega die ’als een versleten koerspaard’ staat te hijgen: „Het is een wonder hoe hij zich in al zijn kolossale dikkigheid nog tussen de speelkasten van zijn eigen lunapark weet te bewegen.”

De schrijfstijl steekt boven de middelmaat uit en belooft aanvankelijk veel, maar de personages houden geen gelijke tred. De auteur strooit met plotwendingen vol bedrog, verzekeringsfraude en overspel. Ook knoopt hij het verleden en heden handig aan elkaar. Maar die toeters en bellen verhullen niet de leegte van de karakters.

Lees verder na de advertentie
(\N)
(\N)

Deel dit artikel