Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het andere leven van Leo Horn

Home

MATTY VERKAMMAN

AMSTERDAM - Het was een dag om nooit te vergeten, de 26ste februari 1986. Het was de dag waarop Evert van Benthem voor de tweede keer de Elfstedentocht won. Naar die historische zege zaten Leo Horn en ik in het zenuwcentrum van zijn lappen-groothandel in de Amsterdamse Jodenbreestraat te kijken.

In de volstrekt chaotische, winkel-van-sinkel-achtige zaak, keek Leo niet alleen even naar Evert van Benthem ('leuk voor Holshuysen Stoeltie, dat is een vriend van mij en de sponsor van Van Benthem, nu komt het grote geld'), hij sprak onderwijl ook door de telefoon met Ruud Krol, hij gaf aanwijzingen aan allerlei medewerkers en werd door een stoet in- en uitlopers beziggehouden met offertes en prijsdiscussies. Soms leek het alsof het om een echte ruzie ging, een paar tellen later was er de deal. “Mooie handel, de textiel, mooie handel”, zei Leo. Toch niet altijd even mooi, want toen hij op zijn top zat als scheidsrechter, was hij zo vaak in het buitenland, dat de achttien winkels verliepen. Verkeerde waarnemers, slechte afspraken. De zaak ging kapot, doch toen het scheidsrechteren voorbij was, bouwde Leo Horn in recordtijd een nieuw lappen-imperium op. Niettemin ontstond de laatste jaren andermaal tegenspoed met de zaak van de zaterdag overleden Leo Horn.

Die 26ste februari 1986... Leopold Sylvain Horn gaf al enige jaren eigenlijk geen interviews meer. “Publiciteit is prachtig, ik geef het eerlijk toe, publiciteit streelt je ijdelheid en ijdel ben ik als geen ander, maar die ijdelheid is nu wel genoeg gestreeld. En als ik mijn geluid toch wil laten horen, heb ik altijd nog mijn column in Televizier. Dat is nu genoeg voor mij.”

Toch was Trouw welkom. Hoewel hij zelf dagelijks De Telegraaf verslond ('belangrijk voor Amsterdam, belangrijk ook voor mijn handel, ik blijf niet bezig over de oorlogsgeschiedenis van die krant') hadden Trouw en ook Het Parool bij Leo een streepje voor. Ook al waren de laatste jaren dan verslaggevers-van-na-de-oorlog op bezoek gekomen, de oorsprong van die twee dagbladen beviel hem zeer. “Jullie waren goed in de oorlog, jullie zaten in het verzet. Dat mag nooit, nooit worden vergeten.” Om er gelijk achteraan te zeggen: “Ik ben niet christelijk hoor. Als joods jongetje groeide ik op in Sittard. Nou, daar kreeg ik als kleuter al te horen dat het mijn schuld was dat die ene meneer aan het kruis was doodgegaan. Maar niet alle katholieken zijn slecht, wel was het voor mij een bevrijding toen we van Sittard naar Amsterdam verhuisden.”

Omdat hij Trouw ook in 1986 nog als een verzetskrant zag, was Leo Horn bereid meer dan voorheen over de oorlog te vertellen. Altijd was hij geïnterviewd over het voetbal, het scheidsrechter-zijn, over de intriges in de sport, over zijn ongekend grote mond, over zijn ijdelheid en over de grote wedstrijden die hij had gefloten. De historische interland Engeland-Hongarije in 1953 (uitslag 3-6), was wel de allerberoemdste. En het was uitgerekend deze wedstrijd die Horn voor het eerst in een bijzonder daglicht plaatste. Hij had er een stevige aanvaring met toenmalig KNVB-kopstuk Karel Lotsy, de man die als bondsvoorzitter in oorlogstijd bleef zitten toen joodse scheidsrechters het leiden van wedstrijden werd verboden. Toen Lotsy bij het banket op Wembley aanstalten maakte Horn te feliciteren, keerde hij de toen nog altijd machtige official demonstratief de rug toe. “Lotsy was een stil, maar fervent antisemiet. In zijn hele persoon straalde hij dat uit. Lotsy heeft zich tijdens de oorlog karakterloos opgesteld toen de joodse scheidsrechters een fluitverbod kregen. Een beetje vent had zich toen teruggetrokken als voorzitter, maar Lotsy vond het allang best. In zijn hart had hij totaal geen moeite met die beslissing van de Duitsers.”

Over het conflict tussen Lotsy en Horn is in de jaren vijftig nooit geschreven. Horn, die steeds had geweigerd de Davidsster te dragen en zich aansloot bij het verzet, had zo kort na de oorlog ook in het geheel niet de behoefte over de oorlog te praten. “Ik hield me bezig met mijn gezin en met de zaak. Ik wilde niet meer aan die rot-oorlog denken. Wat kon Lotsy mij verder schelen? Weet je, na die oorlog leek ook ineens iedereen in het verzet te hebben gezeten. Ik ben heus wel trots op het verzetskruis, maar zo kort na de oorlog had ik gewoon geen tijd meer voor het verleden.”

In 1986 gaf Leo Horn eerlijk toe dat met het stijgen der jaren meer en meer de herinneringen aan de oorlog terugkwamen. De spanningen van die vijf donkere jaren bleken bij nader inzien toch een wezenlijk deel van zijn leven te beheersen. Zijn broer Edgar werd als lid van een verzetsgroep in Baarn opgepakt door de Duitsers. Hij werd doodgeschoten. Een andere broer, George, overleefde de oorlog als onderduiker. Hij zat jaren ondergedoken bij Kuki Krol, de vader van recordinternational Ruud. Leo's zusje Fifi keerde, geestelijk en lichamelijk ontredderd, terug uit Bergen-Belsen. En zelf ging Leo als ir. Varing of dr. Van Dongen met vervalste papieren door het leven. In Amsterdam maakte hij deel uit van de verzetsgroep met Wim Kuyt, Tony van Renterghem, Jas Moll, Kees Beijersbergen van Henegouwen en Ben Warner. De meest gewaagde actie betrof de overval op het munitiedepot van de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij. Bij het knevelen van een Duitser maakte Horn zich meester van een document dat hij altijd heeft bewaard: het Soldbuch, zugleich Personal Ausweis van soldaat Josef Kienel.

Eind mei 1945 zette Leo Horn op een speciale manier voor jaren een punt achter 'die rot-oorlog'. Dat gebeurde in het Amsterdamse delinquentenkamp aan de Levantkade. In die eerste weken na de oorlog werd vaak gruwelijk omgesprongen met landverraders. Horn was juist aangewezen om deze excessen tegen te gaan. Eenmaal verloor hij zelf echter ook zijn zelfbeheersing. “Via-via had ik te horen gekregen door wie mijn zusje in Bergen-Belsen terecht was gekomen. Dat was het werk geweest van de beruchte SD'er Bout. Als commandant in het kamp aan de Levantkade kwam ik ineens oog in oog met die Bout te staan. Dat is het enige moment geweest waarop ik mij niet heb kunnen beheersen. Ik heb die vent midden in zijn smoel geslagen.”

Deel dit artikel