Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hester Knibbe onderzoekt in haar poëzie het verlangen om weg te gaan van wat vertrouwd is

Home

Janita Monna

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw. © Maartje Geels
Poëzie

Hester Knibbe
As, vuur
De Arbeiderspers; 80 blz. € 17,99

Meestal wordt ergens in december de balans opgemaakt: wat heeft het afgelopen jaar aan nieuwe woorden opgeleverd? ‘Treitervlogger’ kwam er in 2016 bij, net als ‘Pokémonterreur’.

Lees verder na de advertentie

Evengoed raken er woorden uit beeld - wie weet nog wat een ‘hondenslager’ is, of ‘speldengeld’? Ze werden geschrapt uit de Dikke Van Dale, iets wat elke nieuwe editie van het woordenboek ook een flink aantal andere woorden overkomt.

Des te intrigerender is daarom het bestaan van zogeheten ‘oerwoorden’. Woorden die meer dan 15.000 jaar teruggaan en die aantonen dat talen van Europa tot Azië een gemeenschappelijke oorsprong hebben.

Meestal wordt ergens in december de balans opgemaakt: wat heeft het afgelopen jaar aan nieuwe woorden opgeleverd?

Wetenschappers vonden 23 van dat soort oerwoorden, schrijft Hester Knibbe in de aantekeningen bij haar nieuwe bundel. ‘Moeder’, ’ik’, ‘vuur’, om er een paar te noemen.

Ze liggen aan de basis van ‘As, vuur’, dat desondanks niet opent met een woord, maar met een ongevormde klank, een schreeuw die geen oor bereikt, maar blijft hangen in de wind.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding) 

© RV

In haar vorige bundel ‘Archaïsch de dieren’ (2014, ze kreeg er de VSB Poëzieprijs voor) keerde Knibbe terug naar het paradijs. Ook nu is er een begin, het moment dat de woorden kwamen en zich vulden met betekenis. Die woorden uit de allervroegste taal ontleedt ze: ‘ik’ en ‘jij’, maar ook ‘bast’ of ‘worm’. En in een basale taal waaruit alles wat afleidt is weggehakt, bouwt ze de wereld opnieuw op.

In een uitgebeende reeks toont ze de mens in zijn meest elementaire staat. Zijn driften, onrust, verlangens, zijn behoefte aan samenzijn: ‘O wij / troosten ons lichaam aan lichaam, vullen / elkaars leegte, schurken tegen / het morgenlicht aan’.

Woorden als kale stenen stapelt ze tot robuuste gedichten die vlijmscherp zicht bieden op het menselijk tekort. Het onbehaaglijke wegkijken als een bedelaar iets vraagt, het misschien kleine verschil tussen mens en dier, en, in dit overrompelende gedicht, het immense onvermogen om kroost voor onheil te behoeden: ‘Moeder, // maar wat wil dat zeggen? Dat er / een kind is ja, maar kan ze het / redden?’

In een uitgebeende reeks toont ze de mens in zijn meest elementaire staat

Er heerst stilte. Weinig woorden zijn nodig, een hart gekerfd in een boom toont evengoed liefde, ‘Een kreet / of snik - de wangen nat, de ogen rood / de mond daarna gesloten - is ook / een vorm van zeggen ik mis je.’

De sobere toon uit de eerste afdeling van ‘As, vuur’ wordt in de reeks ‘Leeftocht’ persoonlijker. Knibbe, die in haar poëzie vaker naar het buitenland trekt, onderzoekt daarin het verlangen om weg te gaan van wat vertrouwd is. Zoekt de mens het verre, het vreemde om ‘het kleine / verlies aan vastheid te kennen?’

Niet alle gedichten in deze afdeling zijn even indringend, maar wat de reden voor reizen ook is - een vlucht, nieuwe ervaringen - nuchter blijft Knibbe ook: ‘we zwerven en slapen / steeds in dat eendere lijf dat onbescheiden zich / opdringen blijft’.

© Sander Soewargana

Deel dit artikel

Meestal wordt ergens in december de balans opgemaakt: wat heeft het afgelopen jaar aan nieuwe woorden opgeleverd?

In een uitgebeende reeks toont ze de mens in zijn meest elementaire staat