Henks universum: Oscar en de krekels

home

Henk van Straten

Henk van Straten: "Oké, ik zie jullie nu. Sorry, ik hou ook van jullie krekels." Foto: Paul Remmelts. © RV

In een nieuwe reeks verhalen onderzoekt schrijver Henk van Straten het universum van zijn eigen verwondering. Vandaag: hoe zijn trip met hallucinogene middelen een eind maakte aan het lijden van duizenden krekels. Het begon allemaal met de komst in zijn leven van hagedis Oscar.

Oscar en ik hebben een goede band. Als ik zit te schrijven kijk ik af en toe even naar hem om te zien wat hij aan het doen is. Meestal ligt hij te zonnen. Als hij ligt te zonnen, kijkt hij af en toe even naar mij om te zien wat ik aan het doen ben. Meestal zit ik te schrijven. Hij loert naar me met prehistorische oogjes en appelleert aan iets diep in mij. Een oer-iets. Ik hou van Oscar.

Lees verder na de advertentie
Ik hield mezelf voor dat ik Oscar voor mijn zoontjes kocht, maar ik wilde hem gewoon heel graag zelf

Sinds begin januari ben ik het baasje van een baardagaam. Hij heet Oscar. Oscar is een puber van een centimeter of vijfentwintig. Een baardagaam is een hagedis uit de Australische woestijn. Hij wordt ongeveer vijftig centimeter groot en geniet een dieet dat voor tachtig procent bestaat uit insecten en voor twintig procent uit groente en fruit. 

Ik hield mezelf voor dat ik Oscar voor mijn zoontjes kocht, maar in feite wilde ik hem gewoon heel graag zelf. Een kat vind ik te veel gedoe, laat staan een hond. Die dieren willen aandacht, en dat vind ik een te grote verantwoordelijkheid. Ik heb tenslotte al kinderen. Een hagedis is een solitair, koudbloedig dier. Dat staat me wel aan. Bovendien lijkt Oscar op een draak (zijn Engelse naam is bearded dragon) en zeg nou zelf: wie wil er nou niet een draak in huis?

Tekst loopt door onder afbeelding. 

© Trouw

Krekels

Het liefst en het meest eet hij krekels. Die koop ik bij de dierenwinkel. Ze zitten verpakt in een transparant plastic doosje van ongeveer tien bij tien centimeter. Het doosje is krap, ze zitten er met z’n veertigen in, ze lopen over elkaar heen. Ik koop maatje 6, wat betekent dat de krekels ongeveer één centimeter groot zijn. 

Altijd zitten er wel een paar dode bij. Een stukje eierdoos fungeert als schuilplaats, en ook ligt er een uitgedroogd stukje wortel op de bodem. Blijkbaar is dat niet lekker, want ze vreten ook aan elkaar. Per dag eet Oscar tien tot twintig krekels, afhankelijk van zijn stemming (als hij vervelt is hij niet te genieten).

Ik had Oscar twee maanden toen ik voor de vierde keer aan een ayahuasca-ceremonie deelnam. Ayahuasca is een psycho-actief brouwsel dat wordt gemaakt van planten uit het Zuid-Amerikaanse regenwoud, momenteel erg populair bij westerlingen vanwege de heilzame werking die het schijnt te hebben, zowel mentaal als fysiek. In landen als Peru werd het eeuwen geleden al gebruikt, zij het nooit door grote groepen mensen op zoek naar de zin van het leven of het kind in zichzelf. Maar dat is een ander verhaal.

Op bepaalde momenten leek ‘ik’ er ‘zelf’ niet meer te zijn. Alsof de waarneming zonder waarnemer was

Met negen anderen bevond ik me in een ruimte, we lagen allemaal op een matras. In het begin merkte ik niks, maar na een tweede glaasje had ik de hevigste trip tot dusver. Tijd en ruimte vervormden, ik leek niet langer in maar boven mijn lijf te bestaan, alle geluiden klonken als in een metalen buis en ik begaf me in een wereld van in elkaar grijpende geometrische vormen in de kleuren rood, blauw, groen en goud. Ik lachte hardop om hoe hevig het was. Hoe abstract, hoe magisch. Op bepaalde momenten leek ‘ik’ er ‘zelf’ niet meer te zijn. Alsof de waarneming zonder waarnemer was.

Een voelend wezen

En toen kwamen de krekels. De geometrische vormen vormden krekels en krekels kropen tússen die vormen door. Alles werd krekel. Alles was krekel.

Op een zeker moment wás ik een krekel. Ik liep tussen de andere krekels. Ik had een lijfje dat ik schoonlikte. Ik was op zoek naar voedsel. Ik wilde dingen, ik had behoeften. Ik was een voelend wezen. En meer nog: ik was een individu. Daarmee wil ik zeggen dat ik niet slechts een mascotte was van een soort. Ik was niet zoals ik als mens de krekel altijd had gezien, namelijk als een en dezelfde. Identiek aan alle andere, en dus zonder unieke waarde. Zoals ook elke mug die je doodmept eigenlijk altijd dezelfde mug is. Nee, ik was een wezen. Ik had zenuwen en gevoel en drang. Ik wás er.

Toen ik daarna uit dat lijfje was losgekomen, en ik dus geen krekel meer was, voelde ik me verschrikkelijk. Wat doe ik ze aan? Ik zag mezelf in de weer met die krekels. Zag hoe ik ze behandelde. Lomp, schijnbaar achteloos, zelfs wreed. Als een krekel zich in Oscars terrarium verstopte dan pakte ik hem ruw tussen duim en wijsvinger. Als ik hem daarbij schade toebracht dan was dat maar zo. Oscar was mijn huisdier, de krekels waren zijn voer. Oscar belangrijk, krekels onbelangrijk. Eén keer spoelde ik een hele lading door het toilet, omdat ik een maatje te groot had gekocht.

Op een zeker moment wás ik een krekel. Ik had een lijfje dat ik schoonlikte. Ik was op zoek naar voedsel

Ik schrijf ‘schijnbaar achteloos’, omdat het niet achteloos was. Nee, want ergens voelde ik me bezwaard. Ergens had ik bij elke krekel last van gewetensnood, van een piepklein stemmetje dat om aandacht vroeg in mijn binnenste. Maar om te kunnen doen wat ik moest doen, namelijk Oscar voeren, moest ik de krekels beschouwen en behandelen als onbelangrijk. Als verwerpelijk, zelfs. Mijn achteloosheid en veronachtzaming kwamen voort uit de cognitieve dissonantie die nodig was om ze massaal aan mijn draak te kunnen opofferen.

En ik besefte ook, tot in de kern van mijn wezen, dat het dit mechanisme is - aanwezig in ons allen - dat ons, in een uiterst geval, in staat stelt om medeplichtig aan genocide te zijn, om tot monsters te verworden.

Tekst loopt door onder afbeelding. 

© Trouw

Toverspreuk

Deze realisatie, als een toverspreuk, wekte een reusachtig donker silhouet tot leven. En ja, het had de vorm van een krekel. Het was de cricket spirit. Machtig en groot en oeroud. En hij had een appeltje met me te schillen. Als ik in die trip weg wilde komen van de krekels sleurde hij me terug. Hij was nog niet klaar me. Ik werd wanhopig. Ik wist niet wat hij van me wilde.

“Oké”, zei ik. “Ik weet het nu. Ik zie nu wat ik doe. U heeft gelijk. Ik voel me verschrikkelijk. Maar wat kan ik doen? Als ik Oscar geen krekels meer voer dan gaat hij dood. En dat is toch ook immoreel?” Zo bleef ik praten tegen die reusachtige, in schaduwen gehulde krekel.

De krekels willen worden gezien. Erkend. Wij zijn er ook. Wij zijn ook wezens

Wat bleek? De krekels vonden het helemaal niet erg om door Oscar opgegeten te worden. Ze begrijpen de aard van de natuur, the circle of life. Maar, zo zei de cricket spirit, de krekels willen worden gezien. Erkend. Wij zijn er ook. Wij zijn ook wezens. Niet minder of meer waard dan mijn hagedis. Niet minder of meer waard dan welk ander levend wezen dan ook.

En dat zag ik nu. Ik moest wel. Ik was met mijn neus op de feiten gedrukt. “Oké”, mompelde ik op dat bedje, in kaarslicht, midden in de nacht. “Oké, ik zie jullie nu. Sorry, ik hou ook van jullie.” Ik moest het menen. Ik meende het. En toen ik het meende, toen ik werkelijk ook van de krekels kon houden, was mijn hart ineens kilo’s lichter. Pas toen lieten ze me met rust. Maar bij elke andere hallucinatie waren er altijd nog wel een of twee aanwezig, in een hoekje, toekijkend, zoekend met die voelsprietjes.

De volgende ochtend toen ik thuiskwam liep ik aarzelend naar de Curver-doos waar ik de krekels in bewaar. “Hallo jongens”, zei ik. Ik zag ze lopen. Ik keek naar ze. Ik keek echt. Ik zag wezentjes lopen, niet slechts objecten. Ik benaderde ze met warmte, met liefde. Ik bedank ze nu als ze het terrarium in gaan, waar Oscar op hen wacht. Ik huisvest ze in een grotere bak. Ik geef ze verse appel te eten, en wortel, en als ik een dode zie, dan verwijder ik die. Ik laat ze niet meer, zoals vroeger, tussen de lijken kruipen. Elke krekel is er één.

Het lijkt misschien triviaal, dit geneuzel over krekels, maar besef even dat mijn huis een tussenstation is voor 5040 krekels per jaar. Dat zijn 5040 krekels die hier een slecht of een goed leven hebben. En als het dan nog steeds triviaal lijkt. Tsja, zoom ver genoeg uit en de aarde is een minuscuul stipje - een atoom - in een oneindig universum. Ook het lot van de mens is dan ineens niet zo belangrijk meer. 

Besef even dat mijn huis een tussenstation is voor 5040 krekels per jaar

Zoom in tot binnen de dampkring en ja, kijk, ineens zijn we weer belangrijk. Maar zoom dan nog eens in, tot in mijn huiskamer, en zie dat ook die een universum is. Zo werkt dat dus. Moraliteit is afhankelijk van perspectief en, in zekere zin, altijd willekeurig. Een keuze, een beslissing: hier trek ik de grens.

En weet je wat nu zo leuk is? Sinds ik de krekels beter huisvest hoor ik ze ’s avonds tsjirpen. Dan zit ik te werken en is het net alsof ik in Zuid-Frankrijk ben.

Henk van Straten (37)

Henk van Straten is schrijver en columnist voor onder meer Volkskrant Magazine, Esquire, Happinez en Linda. Hij groeide op in Eindhoven, woont er nog steeds, speelde er in een punkband, werkte bij poppodium de Effenaar en begon met schrijven. 

Zijn debuut ‘Ik ben de regen’ (Lebowski) kwam uit in 2008. Over zijn laatste boek ‘Wij zeggen hier niet halfbroer’ (Nijgh & Van Ditmar, 2017), schreef Volkskrant-columniste Sylvia Witteman: ‘... de coming of age van een echte jongen, die knokt en zuipt. Een fijn, ontroerend mensenboek, pijnlijk oprecht en geestig bovendien.’

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie
Ik hield mezelf voor dat ik Oscar voor mijn zoontjes kocht, maar ik wilde hem gewoon heel graag zelf

Op bepaalde momenten leek ‘ik’ er ‘zelf’ niet meer te zijn. Alsof de waarneming zonder waarnemer was

Op een zeker moment wás ik een krekel. Ik had een lijfje dat ik schoonlikte. Ik was op zoek naar voedsel

De krekels willen worden gezien. Erkend. Wij zijn er ook. Wij zijn ook wezens

Besef even dat mijn huis een tussenstation is voor 5040 krekels per jaar