Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Henk Helmantel: Soms is de doodstraf het enige juiste

Home

Arjan Visser

Henk Helmantel (Westeremden, 1945) is kunstschilder. Hij houdt zich voornamelijk bezig met het schilderen van stillevens en kerkinterieurs in een realistische stijl. Van 29 april tot 2 oktober is in museum ’De Weem’ te Westeremden een jubileumtentoonstelling van zijn werk te zien.

I. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Als je wil weten wie God is, moet je straks nog even boven gaan kijken. Daar hangt een ets van Rembrandt: de terugkomst van de verloren zoon. De boodschap van barmhartigheid is volgens mij nooit mooier in beeld gebracht.

God zit in alles. Ik vind het geheim van een appel net zo groot als het geheim van die ets. Ik vind het een wonder dat wij er zijn, zoals we er zijn. Dat we ogen hebben om te kijken, oren om te horen, een neus om te ruiken. Dat we kunnen liefhebben. Dat we kunnen haten. Het bestaan is één groot wonder, het geheim is niet te ontrafelen. Wetenschappelijke verklaringen vind ik vaak zo mager. De Bijbel zegt: God is geest en wij begrijpen hem niet. De beste dingen kún je niet verklaren. En het mooie is: wij leven nog altijd in de schepping. Het wonder gaat door.”

II. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Als ergens veel gesneden beelden staan, dan hier in huis. Nu is het net alsof ik me eruit moet zien te redden ja, misschien is dat ook wel zo. Maar je moet de tekst in zijn geheel lezen: het gaat erover dat we niet voor beelden mogen buigen of hen dienen. Je moet je blik op de levende God houden. Een gesneden beeld, daar kun je ook de kachel mee opstoken.

Ik heb een keer de mogelijkheid gehad om een beeld aan te kopen waarin God de Vader een belangrijke rol speelde, maar dat ging me toch te ver. Het valt me op dat mensen in jouw interviews vaak zeggen dat ze niet meer in ’die man met de baard, daar boven in de hemel’ geloven. Nee, natuurlijk niet. Dat heb ik ook nooit geloofd. God kun je niet verbeelden. Christus wel. Hij is als mens tot ons gekomen. In die zin vind ik een afbeelding van hem ook niet blasfemisch.

Ik herinner me dat ik jaren geleden ons eerste beeld kocht: een gekruisigde Christus. Zijn armen waren eraf gebroken. Die blik – het is volbracht – maakte een diepe indruk op me; het was de essentie van het evangelie in een beeld gevat.”

III. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Het valt mij op dat veel mensen die zeggen niet meer te geloven te pas en te onpas het woord God in de mond nemen. Als je er afstand van hebt genomen, gebruik dat woord dan niet meer. God is groot en heilig. Ik vind het verschrikkelijk dat Zijn naam te grabbel wordt gegooid, of als een stopwoordje wordt gebruikt. Waarom is het zo moeilijk om daar piëteitsvol mee om te gaan? Het wordt voor christenen steeds lastiger om in deze samenleving overeind te blijven. En de groep wordt almaar kleiner. Ik begrijp het niet. Ik begrijp niet waarom mensen het beste wat ons is gegeven, de liefde van God, van zich af willen schudden. Laatst was ik op een etentje en ik bleek de enige te zijn die om stilte vroeg voor gebed. Ook van binnenuit zie je hoe de zaak door onverschilligheid of vrijzinnigheid wordt uitgehold. Het zou zo maar eens kunnen zijn dat er volgende week een vrijzinnige predikant op de kansel staat. En veel mensen hebben het niet eens meer in de gaten. We kunnen dus zelfs regelmatig geen vertrouwen meer hebben in onze eigen theologen.

Natuurlijk, je kunt individuen erop aanspreken – mensen zijn in staat om te luisteren, om een keuze te maken – maar dat God buiten beeld dreigt te raken, is mede het werk van Zijn tegenstander, de duivel. Hij zet mensen tegen elkaar op, hij brengt mensen in verwarring. Kijk naar zoiets aardigs als een partijtje voetbal tussen Amsterdam en Rotterdam: de duivel heeft mensen zo gek gekregen dat ze elkaar om een spelletje naar het leven staan.

Nee, ik denk niet dat God middels natuurrampen van zich laat horen, al gaat niets buiten Hem om. Ik geloof wel dat Hij bezig is de wereld te vernieuwen. Er staan ons nog moeilijke tijden te wachten, maar het koninkrijk Gods is komende. Er is een belofte, er ligt iets achter de horizon. In dat vertrouwen leef ik.”

IV. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik heb eens aan rabbijn Erwtenman uit Amsterdam gevraagd of God niet zou kunnen glimlachen om het feit dat christenen de sabbat op zondag vieren. ’Nee’, antwoordde Erwtenman, ’de Bijbel is daar heel duidelijk over. Die sabbat staat als een huis en jullie zijn op de verkeerde weg.’ Hij heeft gelijk, maar ik ben te zeer gehecht aan de rustdag die wij zondag noemen. Ik geniet van mijn vrije tijd, maar vooral van het zingen, het bidden, de verkondiging, de schriftlezing; het samenkomen in Gods naam. Zonder eredienst zou het voor mij geen zondag zijn.”

V. Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader is 93 geworden. Hij stierf in 1999. Een man met karakter, kweker van groente en fruit. Als hij in een andere tijd had geleefd, was hij waarschijnlijk onderwijzer geworden. Hij hield van debatteren. Het geloof, de politiek: mijn vader had overal een mening over. Mijn moeder – ze leeft nog, ze is bijna 96 – hield zich bezig met de bloemen in de tuin, de kleren die we droegen, met de weinige middelen die we hadden er het beste van maken. Van mijn vader heb ik die neiging om onmiddellijk op de dingen te reageren, van mijn moeder – die haar mening veel voorzichtiger formuleerde – heb ik het gevoel voor schoonheid meegekregen.

Eenvoudig gezin, een goed nest. Mijn ouders gaven ons de ruimte, maar ze hielden ons ook voor dat het belangrijk was om goed in het leven te staan. Kerkenraad, schoolbestuur, onderduikers in de oorlog: ze leerden ons betrokken te zijn en verantwoordelijkheden niet uit de weg te gaan.

Ze stonden niet te juichen toen ik besloot om kunstenaar te worden, maar ze hebben er ook niet moeilijk over gedaan. Misschien wisten ze ook wel dat het geen zin had: ik wist wat ik wou. Op mijn vijftiende liftte ik naar Amsterdam om het Rijksmuseum te bezoeken. Op mijn zestiende ging ik op mijn vaders Solex naar Vlaanderen. Jan van Eyck zien in Gent, door naar Brugge, Brussel, Antwerpen. Ik vond het allemaal even prachtig. En mijn ouders vonden het goed. Toen later bleek dat ik de juiste keuze had gemaakt, waren ze trots. Mijn vader zei het tegen iedereen: ’Heb je gezien wat Henk heeft gemaakt?’ ’Geweldig!’ Mijn moeder liet nauwelijks iets blijken. Dat vond ik prettiger. Ik hou wel van een schouderklopje, maar het moet niet te gek worden ’t is ook nooit goed hè? Misschien ben ik daarin wel een echte calvinist. Het gaat niet om mij. Het werk moet het doen.”

VI. Gij zult niet doodslaan

„Als je het in het perspectief van Gods heiligheid ziet, zijn we allemaal een beetje ziek. We leven in een gebroken wereld en daar zijn we volledig verantwoordelijk voor, maar goed, dit terzijde. Mogen we een moordenaar, een zieke geest, ter dood veroordelen? Je merkt dat die discussie weer gaat spelen zodra er bepaalde zaken, bijvoorbeeld in die uitzending van Peter R. de Vries over kindermoordenaar Koos H., in de openbaarheid komen. Als men de kans om berouw te tonen laat lopen, als er geen inzicht komt, als men zo wéér zou verkrachten en moorden, dan Vreemd is dat eigenlijk: in een oorlogssituatie beslis je in een fractie van een seconde om een vijandelijke tank onder vuur te nemen waardoor je in één klap misschien wel tien mensen de dood injaagt, maar voor het bestraffen van één seriemoordenaar moeten we eindeloos soebatten. Ik huiver van mijn eigen antwoord, maar toch: ja, in bepaalde gevallen lijkt de doodstraf mij de enige juiste straf.”

VII. Gij zult niet echtbreken

„Wie wil mij nou hebben? Dat heb ik, als jongeman, wel eens gedacht. Ik was niet populair. Ik wilde over het geloof praten, of over kunst. Daar waren jongens van mijn leeftijd helemaal niet mee bezig. Toen ik een vriendinnetje kreeg, liep het daar onder andere ook op stuk. In die tijd had Babs al een oogje op mij. Ze heeft later tegen me gezegd dat ze maar één jongen wilde en dat was Henk Helmantel. Haar verkering ging uit, ik was vrij en wij kregen samen iets. We zijn inmiddels bijna veertig jaar getrouwd. Het is een ongelooflijk geluk dat mij ten deel is gevallen. Het luistert erg nauw: twee karakters die bij elkaar komen, dat kan op den lange duur gaan irriteren. Babs is spontaan, intelligent, sociaal. Ik ben voorzichtiger, minder slim, meer op mezelf.

Ik word vaak verrast door hoe de dingen kunnen lopen – we zijn elkaar op het juiste moment tegengekomen – maar ik geloof niet dat er maar één vrouw voor mij is. ’De ware’ bestaat niet, je moet er vooral iets van proberen te maken. Ik denk dat het niets was geworden tussen ons als zij niet van kunst en cultuur had gehouden. Ik ben als kunstenaar op mezelf gericht en heb in die zin de ander niet nodig, maar dat wil niet zeggen dat ik mij van haar commentaar niets zou aantrekken. Babs kan en wil zelf niet schilderen, maar heeft er wel een heel goed oog voor. Ook in dat opzicht is zij een goeie vrouw voor mij. Ik geniet van haar en zij van mij. We zijn blij met elkaar.”

VIII. Gij zult niet stelen

„Er zijn critici die beweren dat mijn werk zich eigenlijk nooit heeft ontworsteld aan de klassieke schilderkunst. Volgens deze mensen ben ik een ordinaire kopieerder. Gelukkig hebben ze ooit, bij een tentoonstelling van mijn werk in het Singer-museum, de moeite genomen om ook een zaal in te richten met zeventiende-eeuwse stillevens. Daar zag je onmiddellijk het verschil. Technisch gezien misschien niet, maar je ziet duidelijk dat, qua uiting, helderheid en compositie, alle verworvenheden van de twintigste eeuw er bij mijn werk doorheen zijn gegaan.

Zoals Mondriaan – die ik zeer waardeer – vanuit het Haagse-schoolrealisme uiteindelijk bij de totale abstractie is uitgekomen, zo vul ik, de abstractie weer realistisch in. Dat maakt een Helmantel tot een Helmantel: heldere compositie, de rol van het licht in mijn werk en de totale sfeer.

Er gaat, zegt men, een enorme rust van uit. Wij merken regelmatig, hier in het museum, dat mensen geëmotioneerd raken. Niet dat ze in huilen uitbarsten, maar ze worden van binnen diep getroffen en ik hoor zelfs dat mijn doeken helend werken op mensen die met zichzelf in de knoop zitten. Dat vind ik een waardevol aspect van mijn schilderkunst. Dat ik zoiets teweeg kan brengen, ontroert mij.”

IX. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik heb er geen intensieve studie van gemaakt, maar voor zover ik het kan nagaan, lijkt me dat alle overtuigingen, behalve het christelijk geloof, door de mensen zelf bedacht zijn. Geen mens zou bedenken dat een ander, Christus, alle schuld op zich zou nemen. Die liefde van God is voor ons niet te bevatten; tot zoiets zijn mensen niet in staat. Het christelijk geloof is het ware geloof. Dat betekent dat andere geloven vals zijn. Met name de islam heeft twee gezichten. Ze hebben allerlei dingen van het jodendom en het christendom geleend en één van de stamgoden tot God gemaakt. Maar het ergste is: ze claimen de wereldheerschappij. In die zin vormen ze een groot gevaar. Zo lang ze in de minderheid zijn houden ze zich koest, maar zodra ze de meerderheid vormen gaat het mis. Kijk maar naar de Arabische wereld: daar loopt alles door gebrek aan tolerantie in de soep.

Ik zal niemand te vuur en te zwaard bestrijden, maar zie het wel als mijn opdracht mensen op het evangelie te wijzen. Als iemand dreigt te verzuipen, help je toch ook? Bij ons in Noordoost-Groningen wonen bijna geen moslims, dus aan discussies over het geloof kom ik hier niet toe, maar ik zal voor een wending in hun denken blijven bidden.”

X. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Het is niet altijd makkelijk om een goed mens te zijn. Ik merk dat ik bij dit gebod ga haperen. Ik zal het je uitleggen. Ik ben niet iemand die uit is op mooie kleren, een plezierjacht of weet ik veel wat. Ik heb geen mobiele telefoon, ik heb geen rijbewijs en ik rijd op een ouwe brommer rond. Maar we hebben wel een verzameling etsen van Rembrandt in ons huis. Het is niet zo dat ik het niet kan verdragen als er iets moois voor mijn neus wordt weggekaapt – ik heb geleerd dat er op een ander moment altijd weer iets te koop wordt aangeboden wat óók de moeite waard is – maar ik ben wel een echte verzamelaar geworden. In de Bijbel staat: gij zult u geen schatten verzamelen die aangetast kunnen worden door roest en mot. Nou, wij hebben veel schatten verzameld en ik vraag me weleens af of me dat later niet zal worden aangerekend. Zou God het wel goed vinden wat ik heb gedaan? Als het gaat om het talent dat mij is gegeven, ben ik er gerust op. Ik heb de gave die ik heb gekregen gebruikt zonder God daarbij uit het oog te verliezen. Maar die spullen ik weet het niet. We proberen onze verzameling in ieder geval met anderen te delen.

Naastenliefde. Mijn vrouw is daar fier in, ze werkt ook mee aan een project voor aids-wezen in Afrika. We hebben veel ontvangen, zegt ze, we moeten ook zoveel mogelijk delen.

Het lijkt een vreemde botsing: ik verkoop veel, in binnen- en buitenland. Ik probeer als schilder ook steeds hoger op de ladder te komen. Tegelijk wil ik eigenlijk het liefst in mijn atelier zijn en me vooral bezighouden met de schilderkunst. Ik vind het prachtig dat mensen mijn werk bewonderen, maar de aandacht voelt soms toch als ballast; het houdt me van mijn werk af.

Dat jij hier nu zit past mij dat eigenlijk wel? Nee. Anderzijds: ik volg jouw rubriek vanaf het begin, sinds 1998, met grote interesse. Ik heb al te vaak verzucht dat er veel te weinig mensen aan het woord komen die wél in God geloven, dus vond ik dat ik een uitnodiging niet kon afslaan. Maar nu is het weer klaar. Morgen kom ik mijn atelier niet uit. Succes is mooi, bewondering kan prettig zijn, maar je moet zorgen dat je er niet in ondergedompeld raakt.

Het klinkt misschien raar, maar ik denk dat het mij lukt om in balans te blijven omdat ik altijd heb geweten wat mij voor ogen stond. Ik word misschien iets wijzer, maar ik heb nooit een wilde tijd gehad. Ik ging niet achter de vrouwen aan, ik ben me nooit aan drank te buiten gegaan. Ik heb me van jongs af aan bezig gehouden met geloof, natuur, kunst en geschiedenis. Ik had daardoor ook nooit echte vrienden.

Toen ik naar de kunstacademie ging, begon ik op te bloeien. Daar kwam ik in contact met mensen die net zo in het leven stonden. Het christelijk geloof kon ik slechts met enkelen delen, maar dat contact leverde wel spannende en voor mij vormende discussies op. Op alle andere vlakken waren we allemaal geestverwanten. Ineens bevond ik me tussen mensen die óók naar klassieke muziek luisterden en zich bemoeiden met het hele culturele veld. Het was een verademing. En ook een geruststelling: ik ben niet alleen. Er zijn meer mensen op zoek naar de dingen die er werkelijk toe doen. Het is een prachtige, eindeloze tocht. Een zoektocht naar schoonheid.”

Lees verder na de advertentie
"Bij ons in Noordoost-Groningen wonen bijna geen moslims, dus aan discussies over het geloof kom ik niet toe, maar ik zal voor een wending in hun denken blijven bidden." (MARK KOHN)

Deel dit artikel