Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Heleen Mees / Ik vind het niet erg mensen op de kast te jagen

Home

arjan visser

Heleen Mees (Hengelo, 1968) is econoom, jurist en publicist. Sinds 2000 woont zij in New York, waar zij werkt als adviseur in Europese Unie-zaken. Zij publiceert onder andere in NRC Handelsblad, de International Herald Tribune en Le Monde. Ze is medeoprichtster van Women on Top, een organisatie voor vrouwen wereldwijd.

I. Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Wij gingen, toen ik jong was, naar de kerk op zondag. Ik heb gezongen in het kinderkoor en we baden altijd voor en na het eten. Het bidden was een serieus moment; we mochten niet gaan zitten ginnegappen. Het concept van die kerk fascineerde mij wel – ik herinner me dat ik samen met mijn vader naar het bezoek van paus Johannes II op televisie heb gekeken – maar ik werd nooit door het geloof bevangen, en wat ik gaandeweg heb meegekregen, is heel makkelijk van mij afgegleden. Ik vond het toch allemaal een beetje te* weet je wat ik wel eens heb gedacht? Dat mijn strijd tegen het patriarchaat is ingegeven door alle Onze Vaders die ik heb moeten opzeggen. Misschien heb ik wel een moreel kompas meegekregen, maar ik heb me nooit kunnen vinden in het antwoord dat de katholieke kerk geeft op de vraag waartoe ik hier op aarde ben. Ik heb, instinctief, mijn eigen pad gevolgd. Ik ging – weliswaar op aanraden van een ander – naar Amerika en ben daar, ook toen het tegenzat, gebleven omdat ik ergens zeker wist dat ik het dáár moest vinden. Dat is wat mij gaande houdt: waar kan ik nog dingen vinden? Voor mezelf, ja, niet per se om de mensheid verder te helpen. Goed, ik ben voor de verheffing van vrouwen, maar het is geen heilige missie, geen opdracht. Laatst zat ik een kopje thee te drinken met Neelie (Kroes, eurocommissaris, AV) en ik verzuchtte: ik wéét dat die strijd lang duurt, maar snappen die vrouwen nou nóg niet dat het anders moet? Het is een belangrijk thema en ik wil me er ook echt voor in blijven zetten, maar zo vlak voor Internationale Vrouwendag heb ik in wanhoop uitgeroepen dat die hele vrouwenstrijd mij* nee, wacht, dat is zo’n lelijke uitdrukking, zet die nou maar niet in de krant* ik had er even geen zinnig woord meer over te melden, daar komt het wel op neer.”

II. Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Mijn vader zei altijd: ’Kuis je taal en gedraag je ordentelijk.’ En daar trok hij dan zo’n ernstig gezicht bij. Als je een beetje door je wimpers heen kijkt, zul je zien dat ik me daar redelijk aan heb gehouden.”

III. Gij zult de dag des heren heiligen

„In 2003, het jaar waarin mijn vader overleed, heb ik niet zozeer een contemplatief als wel een vegetatief bestaan geleid. Een jaar eerder was ik mijn baan in New York kwijtgeraakt, toen mijn geliefde en ten slotte ook nog mijn huis. Mijn annus horribilis. Er kwam niets meer uit mijn handen, het enige wat ik deed was huilen. Het kostte me best veel tijd om mijn leven daarna weer op te bouwen. Op een dag schreef ik het verhaal dat een doorbraak voor mij zou betekenen (’Vrouwen zouden nu eindelijk écht eens aan het werk moeten gaan’, gepubliceerd op de opiniepagina van NRC Handelsblad, 2006, AV) en vanaf dat moment is alles beter gegaan. Dat ik nu van die gemene stukken kan schrijven, heb ik aan die periode te danken. Het is geen boosheid, geen wraak – ik strijd niet voor de vrouwenzaak omdat mijn geliefde bij me weg is gegaan – maar het is wel zo dat het helpt als je bepaalde dingen ook werkelijk hebt gevoeld, doorleefd. Ik wist het toen ik mijn verhaal schreef: dit zal mijn leven veranderen. Ieder woord viel op zijn plaats. Ik wás al geëngageerd, ik wás al gedreven. Ik had alleen nog een cause nodig.”

IV. Eer uw vader en uw moeder

„Een tijdje geleden werd ik geïnterviewd door een blaadje uit de regio en de laatste vraag was: denk je dat je ooit nog eens terugkeert naar Hengelo? Als ze me die vraag over Nederland stellen, wil ik nog wel eens antwoorden dat ik het nog niet zeker weet, maar nu begon ik echt te hyperventileren: terug naar Hengelo? Nóóit! Ik ben echt in een totaal prikkelloze omgeving opgegroeid. Er gebeurt niets in Hengelo. Laatst las ik een boekje van Bas Heijne waarin hij vertelt dat hij een interviewer ooit tot wanhoop dreef omdat hij niets over zijn jeugd in Zwanenburg kon vertellen. Dat gevoel heb ik ook een beetje. Ik was erg in mezelf gekeerd. Toen ik een jaar of vijftien was, zei een jongen tegen mij dat ik een weirdo was. Ik wist niet precies wat het woord betekende, maar ik had toch het idee dat hij gelijk had. Ze vonden ook dat ik zo boos keek, wat eigenlijk wel vreemd is, want ik lach, nu, altijd. Ik weet het niet* ik had, denk ik, het gevoel dat er iets ontbrak in mijn leven, maar ik wist niet precies wat. Nee, het was niet frustrerend. Als ik denk aan mijn studietijd in Groningen, denk ik nooit: wat jammer dat ik niet nachten heb doorgehaald, katers heb gehad of anderszins heb meegedaan aan het studentengebral. Ik heb er hooguit spijt van dat ik niet beter mijn best heb gedaan, en het vak kwantitatieve economie niet heb gevolgd. Ik was ook thuis niet ongelukkig: ik was misschien wel de weirdo die zat te wachten tot het leven eindelijk een keer ging beginnen, maar ik kon ook erg genieten van de zomermiddagen in de tuin bij ons huis; van het gezelschap van de vrienden van mijn ouders of de vrienden van mijn broer. Het was bij ons thuis altijd veruit het gezelligst.

Ik ben in een beschermde omgeving opgevoed, maar mijn ouders hebben me nooit ergens in belemmerd. Ze waren niet bang dat ons iets zou overkomen – of hebben dat in ieder geval niet laten merken. Ze gaven ons alle vrijheid, stimuleerden ieder initiatief en waren, ook doordat ze allebei werkten, als ouders ook gelijkwaardig.

Mijn vader was dertien jaar ouder en mijn moeder was een relatief jeugdige vrouw. Hij werkte bij de krant en zij was verpleegkundige. Ik noem mijn moeder nog altijd mijn grote voorbeeld, maar met mijn vader was ik het dichtst verbonden. Ik was zijn benjamin. Hij is een week voor zijn 78ste verjaardag overleden. Ik vraag me wel eens af of ik hem voldoende heb geëerd toen zijn gezondheid achteruitging. Dit is een lastig onderwerp, hoor* ik wil niet dat je opschrijft wat hij mankeerde. Hij heeft zijn best gedaan om het niet voor iedereen zichtbaar te laten zijn, dus waarom zou ik het nu in de krant laten zetten? Ik weet het niet* Wil ik er niet over praten omdat ik bang ben dat het mij besmeurt of wil ik mijn vader beschermen? Ik denk toch het laatste. Als ik mensen hoor zeggen dat hun ouders ’helder’ waren tot op het laatste moment, denk ik: waar wil je hem hebben? Het is onredelijk – ik ben echt niet de enige die een moeilijk afscheid had – maar het doet me nog altijd pijn. Ik vind het niks, die ouderdom. Laatst was ik op het Boekenbal, waar de ’derde leeftijd’ het thema was en ze een paar zaaltjes over dat onderwerp hadden ingericht. Vreselijk. Ik hoef het niet te zien. Net zoals de foto’s van Rieneke Dijkstra waarop je vrouwen ziet die net zijn bevallen. Het bloed loopt nog langs hun benen – waarom moet dat allemaal geëtaleerd worden? Dát is het misschien wel: of het nu gaat over een vervelende uitdrukking – kuis je taal! – of het nare einde van mijn vaders leven: ik hou niet van lelijke dingen. Ik hecht eraan dat dingen mooi zijn. Ik kijk liever naar mijn moeder, die een leuke nieuwe vriend heeft met wie ze samen reizen gaat maken, of aan mijn vader zoals hij was voordat hij ziek werd.

Ik denk nog vaak aan hem. Ik heb niets met ’spirituele ervaringen’ maar aan het eind van mijn annus horribilis, toen ik het verhaal over het ’gemakzuchtige keuzefeminisme’ schreef, kreeg ik plotseling last van uitslag op mijn ellebogen, precies zoals mijn vader zijn leven lang had gehad. Ik belde mijn moeder: ’Ik wil geen psoriasis!’ ’Heleen’, zei ze, ’je kán helemaal geen psoriasis meer krijgen op jouw leeftijd.’ Toen het stuk af was, verdween de uitslag. Het klinkt misschien heel zweverig, maar toch: op dat moment wist ik zeker dat mijn vader heel dichtbij is geweest.”

V. Gij zult niet doden

„Samen met Femke van Zeijl en Mariko Peters hield ik op 7 maart een pleidooi voor het oprichten van een standbeeld voor de Onbekende Verkrachte Vrouw. Het is lastig om aandacht te vragen voor zo’n gruwelijk onderwerp en tóch vind ik dat vrouwen in het geweer moeten komen. Als ze dan niet voor zichzelf, of voor de toekomst van hun dochters, willen kiezen, let er dan in ieder geval op dat het met veel vrouwen in de wereld slecht gaat. Of eigenlijk: steeds slechter gaat. Mensen worden in het algemeen wel iets rijker en daar profiteren vrouwen – omdat ze vaak in armoede verkeren – ook van, maar het geweld tegen vrouwen neemt nog steeds toe. De onderdrukking van vrouwen is er niet minder op geworden. We moeten er iets tegen doen. Ik heb Ayaan ooit iets horen zeggen wat ik uiteindelijk aan het einde van mijn Aletta Jacobslezing óók heb gebruikt: ’Alleen door onze inzet, door onze politieke druk. We kunnen het niet aan anderen overlaten.’

Ik weet niet of ik, in mijn strijd, zo ver zou gaan als Ayaan. Er is voor haar geen weg terug. Maar als ik in haar situatie terecht was gekomen, zou ik ook niet meer capituleren. Zoals Ayaan wordt opgezweept in haar strijd tegen de uitwassen van de islam, zo moet ik uitkijken dat ik geen dingen roep die duidelijk over de grens gaan. Ik weet heel goed dat dwangarbeid in strijd is met alle internationale verdragen, maar ik heb het soms zo gehad met de deeltijdfeministes die hun talenten verkwanselen dat ik hem morgen nog zou willen herinvoeren. Goed, zo’n opmerking is natuurlijk off limit. Overigens vind ik het helemaal niet erg om mensen op de kast te jagen. Ze zijn soms zó boos op me dat ik denk: straks schiet iemand mij nog een keer dood. Het zal zo’n vaart niet lopen, maar ik zal me zeker niet inhouden om die reden. Zo ben ik ook niet opgevoed. Er gebeurde natuurlijk niets griezeligs in Hengelo, maar toch: ik mocht al op mijn veertiende bepalen hoe laat ik ’s avonds thuiskam. Mijn ouders hadden het volste vertrouwen in mij. Laat je nooit door angsten leiden, dat was de onderliggende gedachte.”

VI. Gij zult geen onkuisheid doen

„Onkuis is seks met mannen die je niet of nauwelijks kent, onenightstands en zo. Ik weet niet of het aan mijn opvoeding ligt of dat seksualiteit voor vrouwen in het algemeen en van nature nou zo’n kwetsbaar ding is* Anders dan mijn naamgenote (Heleen van Royen, AV) ben ik geen voorstander van vrije seks, wat wel ingewikkeld is als je geen relatie hebt, zoals ik. Of ik tevreden ben met die status? Hmm* Nee, nee, ik vind het geen impertinente vraag, maar het is gewoon een lastig thema. Laat ik het zo zeggen: ik vind het erg fijn om alleen te leven. Ik moet er niet aan denken dat er voortdurend een man door mijn beeld loopt. Aan de andere kant mis ik de intimiteit wel. Niet het gezelschap of de gezelligheid, maar de intimiteit. Het zou mooi zijn om zoiets af en toe te kunnen delen. Ik geloof dat ik eerder een kind in mijn leven toe zou kunnen laten dan een man. Precies op dat punt word ik tijdens iedere discussie weer aangesproken. Laatst ook weer: ’Weet je wat jouw probleem is? Je hebt geen kinderen!’ Ik zou, volgens die spreker, ook stoppen, of in ieder geval minder gaan werken, als ik eenmaal moeder werd. Anderen verwijten me gevoelloos te zijn. Een ’robotvrouw’ schreef iemand ooit. Sorry, hoor, maar daar ben ik zo weinig van onder de indruk. Mensen die mij kennen, weten dat het onzin is. Gevoel ligt toch in andere dingen dan de hele dag door over je kinderen jammeren of roepen hoe belangrijk ze voor je zijn? Kennelijk is het beeld voor sommigen niet te rijmen: een powerfeministe die ook naar intimiteit kan verlangen. Nou, hier is ze.

En wat mijn kinderwens betreft: ik ben er nog niet uit. Er is een grondsteward bij Delta, een mooie zwarte jongen, die mij steeds belt. Misschien moet ik de volgende keer toch maar eens vragen of hij langs komt. Kuis blijven is de slechtste manier om een kind te krijgen.”

VII. Gij zult niet stelen

„Op de middelbare school maakte ik, heel even, deel uit van een soort gang die zich bezighield met kleine misdaad. Ik weet niet meer precies waarom, maar op een dag moesten de ouders van al die kinderen op school komen voor een ernstig gesprek. Alle ouders, behalve die van mij. Dat kwam, denk ik, doordat mijn vader in aanzien stond bij de paters van die school. Hoe dan ook: na die avond kon ik het helemaal schudden. Dat vond ik vervelend. Te braaf voor de gang en te slecht voor de heilige boontjes – ik hoorde nergens bij.”

VIII. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Je zult maar ’Joke’ heten en naar Amerika emigreren. Niemand zal ervan opkijken als je dan een andere naam kiest, maar als ik vertel dat ik mijn achternaam heb veranderd, vinden ze dat heel raar. Of in ieder geval aanstellerij. Heleen Nijkamp is in het Nederlands nog wel mooi, maar in Amerika zeggen ze nietsjkèèèmp. Dat gaat me door merg en been. Het is een esthetische kwestie, het heeft niets met identiteit te maken. Als ik een bepaalde kracht wil uitstralen, had ik voor een andere naam moeten kiezen. Een mees is toch een lief klein vogeltje? Nee, het is puur gemak. Ik wil me makkelijk kunnen voortbewegen in de Amerikaanse samenleving. Dat gaat nu eenmaal beter als je Heleen Mees heet.”

IX. Gij zult geen onkuisheid begeren

„Laatst was ik met een vriendin naar Brussel. Ze heeft twee leuke kinderen, een Porsche, een mooi huis, een goede baan, een werkende man, een stralende lach, lange blonde haren en alle vrijheid van de wereld. Ik weet niet precies waar ik jaloers op ben, misschien is het zelfs geen jaloezie, maar ik probeer me wel eens voor te stellen hoe mijn leven was verlopen als mijn geliefde me niet had verlaten. Toen het mij zakelijk tegenzat in Amerika, heeft hij voorgesteld om terug te komen naar Nederland. Heb ik niet gedaan. Spijt? Nee, hoor. Dan had ik nu misschien met zijn kind op een of andere vinexlocatie gewoond. Was ik dan gelukkig geweest? Ik weet het niet. Ik ben nog steeds niet helemaal over die breuk heen. Hij is toch de man die bij mij de luiken heeft opengezet. Hij reikte me ideeën aan, hij bracht me op andere gedachten. Hij was ook degene die dacht dat ik in New York goed zou gedijen. Dát heeft hij in ieder geval wel goed gezien. Soms denk ik: hoe kan hij nou niet meer van mij houden? In die vraag ligt het antwoord eigenlijk al besloten: natuurlijk houdt hij nog van mij.”

X. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik kan van alles begeren, ook dat wat buiten mijn bereik ligt of van een ander is. Wat is daar eigenlijk mis mee? Het gaat erom wat je met de begeerte doet. Het zou mij ook een lief ding waard zijn als ik internationaal iets meer kon doen, maar beroemd worden in Amerika kan alleen als je Paris Hilton heet. Ik vind het heerlijk om daar als de onbekende mevrouw Mees rond te kunnen lopen, maar het is ook erg prettig om bekend te zijn omdat je daardoor in het gezelschap van allerlei interessante mensen komt te verkeren. Ik heb, sinds ik een column in het NRC Handelsblad schrijf, toegang tot vrijwel alles en iedereen. Het gaat me niet om aanzien, het gaat over het niveau waarop ik dingen kan doen. Omgang met andere bijzondere, energieke mensen verbetert de kwaliteit van mijn eigen denken. Ja, het gaat allemaal razendsnel. Vorig jaar hoorde ik nog wel eens iemand zeggen: wat een lastige meid, die Heleen Mees. Wanneer gaat ze weg? Inmiddels is het de meeste mensen wel duidelijk: I’m here to stay.”

Deel dit artikel