Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Heer,vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen

Home

door Carl Friedman

Gisteren werd naar oud gebruik in veel Nederlandse kerken de Improperia gezongen, het zogenaamde Beklag Gods. In dit gezang, dat onderdeel is van de liturgie van Goede Vrijdag, klaagt God de kinderen Israëls aan voor de dood van Jezus Christus. 'Want ik heb u uitgeleid uit Egypte, maar gij hebt een kruis bereid aan uw Redder,' luidt de eerste aanklacht.

Van joodse zijde wordt al enige tijd aangedrongen op verwijdering van het Beklag Gods uit het Dienstboek, waarin het omstreden gezang in 1998 weer opdook. Ook christenen zijn er niet onverdeeld gelukkig mee. 'Er kleeft bloed aan,' vinden sommige predikanten. Ze hebben gelijk. Eeuwenlang is de beschuldiging van godsmoord aan het adres van het joodse volk aanleiding geweest voor pogroms en vervolgingen. Niet voor niets waren de joden vooral rond Pasen bevreesd. De liturgie van Goede Vrijdag maakte in vrome kerkgangers het beest wakker. God is liefde? Jawel, maar nu even niet! Gewapend met knuppels trok de meute naar het dichtstbijzijnde getto, waar de kruisiging van het Lam Gods in veelvoud werd gewroken. Zo komt het dat de lijdenstijd van Jezus de lijdenstijd bij uitstek is geworden van de joden in het christelijke avondland. Naar schatting overstijgt het aantal joden dat vóór 1900 door christenen werd gedood ruimschoots de zeven miljoen.

Er kan geen twijfel bestaan aan de boosaardige bedoelingen waarmee het Beklag Gods in de achtste eeuw werd geschreven en in de zestiende eeuw door het Vaticaan in het Romeinse missaal werd opgenomen. Hoe is het mogelijk dat aan het begin van het derde millennium en meer dan een halve eeuw na Auschwitz de kerken zich nog steeds niet van deze smet hebben gezuiverd?

Vorig jaar noemde rabbijn Evers het in Trouw verbijsterend dat de kwestie überhaupt ter discussie staat. Dat het gezang uit het Dienstboek wordt verwijderd, aldus Evers, zou vanzelfsprekend moeten zijn. En rabbijn Marx, in dezelfde krant, toonde zich zo mogelijk nog dieper verontwaardigd. De anti-joodse teneur van het gezang, zo zegt hij, 'schreeuwt uit de tekst naar iedereen die oren heeft om te horen'. Ook hij vindt dat de tekst uit het Dienstboek moet worden geschrapt. 'Om dit te begrijpen,' aldus Marx, 'heb je geen hogere theologie nodig'.

Maar is het wel zo eenvoudig? Bij grote groepen christenen, mogelijk zelfs een meerderheid, leeft nog steeds de misvatting dat de joden schuldig zijn aan godsmoord. Mijn zoon heeft een christelijke school bezocht, waar godsdienstles op het programma stond. In die lessen werd onverbloemd gezegd: 'De joden weigerden Jezus als hun verlosser te erkennen en hebben hem dan ook vermoord'. Dit gebeurde nog maar tien jaar geleden. Omstreeks dezelfde tijd werden in het kindertelevisieprogramma 'Er kan nog meer bij' van de Evangelische Omroep woorden gesproken van gelijke strekking. Dat is des te schokkender, omdat het een uitzending betrof voor de allerjongsten. Ik durf dus gerust te stellen dat menige christen het hatelijke besef 'joden zijn godsmoordenaars' met de paplepel krijgt toegediend. Zo diepgeworteld is dit waanbeeld zelfs dat ik eens een afvallige - iemand die de kerk lang en breed had verlaten omdat hij tot de stellige overtuiging was gekomen dat Christus niet heeft best n - in alle ernst hoorde beweren dat het de joden zijn geweest die Christus hebben gekruisigd. Paradoxaler kan het niet.

Voor joden is de beschuldiging van godsmoord buitengewoon wrang. Hun voorvaders hebben de wereld zowel het monotheïsme geschonken als de Tien Geboden, zowel Jezus van Nazareth als het christendom. Uit dank daarvoor zijn ze in de voorbije achttien eeuwen bespot en mishandeld, op brandstapels geroosterd en in gaskamers gestikt. Want Hitlers Endlösung - het is al vaker gezegd - stond niet op zichzelf. De Neurenberger wetten waren een getrouwe kopie van de anti-joodse maatregelen die de kerk in de Middeleeuwen heeft uitgevaardigd. Het antisemitisme van Hitler was zo succesvol, omdat hij gebruik maakte van een stereotype dat al bestond, het stereotype van de jood zoals het door de evangelisten, de vroege kerkvaders en Maarten Luther in het leven was geroepen: de jood als vijand van en samenzweerder tegen het christendom en de mensheid. Bij Chrysostomus heet het: 'De synagoge is een bordeel, een schuilplaats voor onreine beesten, geen jood heeft ooit tot God gebeden, ze zijn van de duivel bezeten'. Bij Augustinus: 'De joden zijn verstrooid over alle volkeren, als getuigen van hun zondigheid en onze waarheid'. En bij Luther: 'De joden zijn dorstige bloedhonden en al sinds veertien eeuwen moordenaars van de hele christenheid. Ze zijn een plaag, ze zijn een pest, ze zijn ons ongeluk'. Vierhonderd jaar later zou Hitler het hem letterlijk nazeggen: 'Die Juden sind unser Unglück.'

Christenen worden er liever niet aan herinnerd dat er verband bestaat tussen de jodenhaat van de christelijke kerk en Hitlers onchristelijke antisemitisme. Maar de feiten liegen er niet om. Julius Streicher, die bekend stond als de 'jodenvreter' van het Derde Rijk, maakte handig gebruik van de geschriften van de evangelisten en de kerkvaders. In 1935, tijdens een toespraak tot de Hitler Jugend, zei hij: 'Jongens en meisjes, voor jullie hebben wij gevangenschap getrotseerd. Voor jullie bonden wij de strijd aan met het joodse volk, met die wereldwijde organisatie van misdadigers waartegen reeds Christus, de grootste antisemiet aller tijden, gestreden heeft.'

Op de voorpagina van Der Stürmer liet Streicher een citaat afdrukken uit de derde eeuw. Het was afkomstig van de heilige Cyprianus: 'De bijbel zegt zelf dat de joden een vervloekt volk zijn. De duivel is de vader der joden.' In 1936 werd deze zinsnede leidmotief en ondertitel van

Streichers antisemitische weekblad.

Ook bij de berechting van oorlogsmisdaden werd menigmaal het evangelie geciteerd, bijvoorbeeld tijdens het proces dat in 1958 in Ulm werd gevoerd tegen een SS-Einsatzkommando. Toen aan de protestantse legerpredikant werd gevraagd waarom hij stilzwijgend had toegezien bij de wreedheden die het kommando tegen joden had bedreven, antwoordde hij dat hij er geen kwaad in had gezien omdat hij meende dat 'deze daden de vervulling waren van de zelfvervloeking die de joden voor het hof van Pilatus over zich hebben afgeroepen'. Daarmee doelde hij op Mattheüs 27 vers 25, waar de evangelist de Israëlieten laat zeggen: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen'.

Volgens de joodse historicus Lapide is het verwijt aan de joden 'apert belachelijk'. Wie de joden van nu verantwoordelijk stelt voor de kruisiging van Jezus, zo zegt hij, kan net zo goed de tegenwoordige Grieken aanklagen voor de gifdood van Socrates of alle huidige Italiaanse katholieken het tragische lot van Galilei aanrekenen. Het is allemaal even onzinnig. Geen enkel bestaand gerechtshof zou de aanklacht tegen de joden willen onderschrijven, ten eerste omdat het onmogelijk is een heel volk in staat van beschuldiging te stellen, ten tweede omdat de misdaad duizenden jaren oud is en ten derde omdat het bewijsmateriaal onmiddellijk zou worden afgekeurd als waardeloos.

Lapide staat in die mening niet alleen. Bijbelgeleerden uit zowel katholieke als protestantse richting geven volmondig toe dat de beschuldiging aan het adres van de joden iedere redelijke grond mist. Het Nieuwe Testament, zo stellen zij, rammelt aan alle kanten. Het verhaal over de kruisdood en wat eraan voorafging is op een aantal doorslaggevende punten volkomen ongeloofwaardig. Volgens dit verhaal werd Jezus 's nachts op bevel van het Sanhedrin gearresteerd, omdat hij de menigte niet had tegengesproken toen die hem als een messias in Jeruzalem verwelkomd had. Ten huize van de joodse hogepriester werd hij voor deze godslastering berecht en ter dood veroordeeld. Vervolgens werd hij uitgeleverd aan stadhouder Pilatus, die het vonnis van het Sanhedrin met tegenzin bekrachtigde. Tot hier het verslag uit het Nieuwe Testament.

Maar de arrestatie van Jezus kan onmogelijk 's nachts hebben plaatsgevonden. Volgens de joodse wet van die tijd was het verboden om 's nachts arrestaties te verrichten. Er werd na zonsondergang, op de sjabbat of op feestdagen geen recht gesproken van welke aard dan ook. Een bijeenkomst van het Sanhedrin in de week van het Pesachfeest, en dan nog wel bij donker, is net zo onvoorstelbaar als een zitting van de Nederlandse Hoge Raad op kerstavond.

Bovendien was het Sanhedrin niet eens gemachtigd om oordeel te spreken. In het door Rome bezette Palestina had alleen de Romeinse landvoogd jurididische bevoegdheid. Het Sanhedrin zou overigens niet de minste aanstoot hebben genomen aan het messianisme van Jezus. Er bestonden op het moment van zijn kruisiging vierentwintig dissidente joodse sekten, allemaal met een messianistische boodschap, en geen ervan werd door het Sanhedrin vervolgd. Ook de bestraffing van Jezus was onjoods. Joodse doodvonnissen werden altijd voltrokken door middel van steniging. Opvallend is bovendien, dat hij niet werd begraven op de grond die het Sanhedrin voor veroordeelden had bestemd.

De precieze toedracht van de zaak is inmiddels niet meer te achterhalen. Waarschijnlijk werd Jezus door degenen die in het Nieuwe Testament als 'de overpriesters' worden aangeduid, dat wil zeggen door de corrupte tempelkaste, aan Pontius Pilatus uitgeleverd. Waarschijnlijk heeft er helemaal geen proces plaatsgevonden, noch onder leiding van joodse priesters, noch onder leiding van het Romeinse gezag. Waarschijnlijk is Jezus door Pilatus schuldig bevonden aan rebellie, omdat hij door de Israëlieten 'Koning der Joden' werd genoemd en daarmee de macht van Rome ondermijnde. Pilatus stond wegens zijn grote wreedheid bekend als een 'slager'. Hij maakte er een gewoonte van om verdachten zonder een voorafgaand proces ter dood te laten brengen. Het was in elk geval deze Romeinse landvoogd die het doodvonnis over Jezus velde en die hem liet kruisigen. Het waren vervolgens Romeinen die Jezus geselden. Het waren Romeinen die hem een doornenkroon op het hoofd drukten en hem bespuugden. Het waren Romeinen die zijn lichaam aan het kruis spijkerden. Het waren Romeinen die om zijn onderkleed dobbelden. Het waren daarentegen joden die hem met 'een grote menigte van volk' vergezelden, toen hij de heuvel van Golgotha beklom. Het waren joden die zich 'op de borst sloegen en over hem weeklaagden'. Het waren joden die zijn lichaam liefdevol van het kruis namen, het in doeken wikkelden en het vervolgens begroeven. Het waren joden die hem na zijn dood trouw bleven, zoals het ook joden waren geweest die hem tijdens zijn leven volgden.

Want dat is het navrante van de hele geschiedenis: het is een uitsluitend joodse aangelegenheid, die het christendom zich achteraf heeft toegeëigend en die nu al eeuwenlang door christenen naar believen wordt gemanipuleerd en geïnterpreteerd. De joden hebben Jezus niet verguisd. Hij was en is voor hen nog steeds een lid van de familie, een kind van het volk. Goddelijk is hij voor hen niet, netzomin als hij zichzelf voor goddelijk hield. Elke jood gaat ervan uit dat God enig en ondeelbaar is. Ook Jezus was daarvan ten diepste overtuigd. Het is een ongelukkige speling van het lot dat de geestelijke erfenis van deze joodse timmerman in handen is gevallen van vreemden.

Van alle smart die de Man van Duizend Smarten heeft doorstaan, moet deze smart wel de bitterste zijn: dat dezelfde vreemden die zijn naam zouden heiligen zijn volk zouden vervloeken en het uit de gemeenschap der mensen zouden verstoten.

Inmiddels is de legende van de godsmoord over de drempel van het derde millennium heen getild. In Nederlandse kerken wordt het Beklag Gods gezongen, alsof er niets is voorgevallen. 'Want ik heb u uitgeleid uit Egypte, maar gij hebt een kruis bereid aan uw Redder.' Om die kruisiging te vergelden werden joden geschandvlekt, geplunderd, onder dwang naar het doopvont gedreven en massaal gedood. Wraak aan de godsmoordenaars! Maar wie zijn hier eigenlijk de godsmoordenaars? Je hoeft maar een van de vele afbeeldingen van een pogrom te bekijken, of je haalt de moordenaars er met gemak uit. Voor iedereen die er nog aan twijfelt: het zijn niet degenen die tot bloedens toe worden mishandeld, het zijn de lieden die de knuppels hanteren. Je kunt je nauwelijks aan de indruk onttrekken dat ze, met elke slag die ze een jood toebrengen, de spijkers waarmee hun verlosser is gekruisigd vaster in het hout drijven.

Deel dit artikel