Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Harry Reijnders volgt Cees Douma in grote harmonie op als bouwmeester

Home

SARAH-MIE LUYCKX

UTRECHT - De architectuur van de Nederlandse Spoorwegen maakte de afgelopen decennia een heftige ontwikkeling door. Kapitein op de woelige baren was ir. Cees Douma (63), die - in de hoedanigheid van NS-bouwmeester - over het uiter lijk van de 370 stations waakte. Na zijn pensionering nam NS-architect Harry Reijnders (42) deze functie over. “De grote stations worden weer wat ze ooit waren: bruisende commerciële centra.”

Bij zijn vertrek werd Douma door de hoofddirectie van NS alle lof toegezwaaid. 'Het vormgevingsgeweten van de spoorwegen' kreeg hij als eretitel mee. Maar er stonden ook critici langs de zijlijn. 'Hoe kunt u in vredesnaam tevreden terugkijken?', wilden die weten. Daarmee doelend op de vercommercialisering van de stations, die zich sinds de reorganisatie van NS - drie jaar geleden - heeft ingezet. De zure woorden maakten op Cees Douma weinig indruk. Oké, her en der was NS wat te hard van stapel gelopen, bekent hij ruiterlijk. En na enig aandringen wil hij ook wel met een voorbeeld op de proppen komen. In Arnhem CS loopt het winkelgrage publiek de haastige reizigers nog wel eens voor de voeten. Een kinderziekte echter, die in de toekomst ongetwijfeld uit de wereld zal worden geholpen. Maar verder betekent de vercommercialisering - mits de primaire vervoersfunctie niet wordt gedwarsboomd - geenszins een bedreiging, vindt de gepensioneerde bouwmeester. Integendeel. Dank zij de vestiging van diverse neringen, worden stations weer wat ze in de eerste helft van de vorige eeuw waren: bruisende commerciële centra, waar de wachtende reiziger zich niet hoeft te vervelen. Die neust bijvoorbeeld eens in de CD-rekken van de Free Record Shop. En ook niet onbelangrijk: dank zij alle economische activiteiten zijn diverse stations een groot deel van de dag bemensd, waardoor de sociale veiligheid wordt verbeterd.

Cosmopolitisch

Douma's opvolger Reijnders is het van harte met hem eens. Ooit vroeg columnist Henk Hofland zich af waar het cosmopolitische karakter van de stations toch bleef. Welnu, hij krijgt zijn zin. Vervolgens citeert de kersverse bouwmeester een nestor op het gebied van grafische vormgeving, die tijdens het afscheidssymposium van Douma de NS-architectuur voldoende kracht toedichtte om zich niet onder te laten sneeuwen door de Pizza-Hutten en Etos-drogisterijen. Het vernieuwde station Leiden Centraal, Reijnders' laatste creatie, die vorig jaar mei werd geopend, is daar een sprekend voorbeeld van, vindt zijn voorganger. Een paleis van glas en staal met ruime stationshal, waar de diverse winkeltjes en fast-foodgelegenheden - opgesteld in een lange gang - absoluut geen kans krijgen het eigen gezicht van NS aan te tasten.

Naast Leiden Centraal oogstte Harry Reijnders de afgelopen jaren ook lof voor de stations Amsterdam-Sloterdijk en Rotterdam-Blaak en vestigde daarme zijn naam als dé NS-architect van de jaren tachtig. Een decennium waarin het bouwbeleid van de spoorwegen een opvallende kwaliteitsimpuls onderging. Valt het Reijnders niet zwaar zijn succesvolle creatieve rol voor een taak als supervisor te vervangen? “Nee”, klinkt het blijmoedig. Na een dik decennium waarin de 'tachtigers' het voor het zeggen hadden, werd het tijd voor wat vers bloed. Wat niet wegneemt dat de basis-ideeën die Cees Douma erin heeft gebeiteld, recht overeind blijven. Wat dat betreft belandt hij in een gespreid bedje, vindt Reijnders. Inclusief enkele riante hoofdkussens.

Douma tovert zijn 'bijbel' ten behoeve van het interview te voorschijn. Op zo'n drie A4-tjes verwoordde hij ruim tien jaar geleden de criteria waaraan de toekomstige NS-architectuur moest voldoen, waaronder: 'herkenbaarheid, een uitnodigende uitstraling en daglicht als bouwsteen'. Zijn grote inspiratiebron? “Het fin-de-siècle-station van Boedapest-West”, klinkt het bijna in koor. Het ontwerp van Gustave Eiffel - ja, die van de toren - betreft een grote 'serre' met aan weerszijden 'boekensteunen' in de vorm van torentjes. “Ons absolute ijkpunt”, stelt Douma. “Door al het glas openbaart de functie van het gebouw zich onmiddellijk.

Destijds - rond 1900 - werd Eiffels avantgardistische creatie niet erg gewaardeerd. Deze stond haaks op de gevelarchitectuur die toen gangbaar was. Amsterdam CS is daar een duidelijk voorbeeld van. Een mooi gebouw, daar niet van. Maar wanneer het NS-logo niet op de voorkant prijkte, had het net zo goed voor het Tropenmuseum of een hoofdpostkantoor kunnen doorgaan. Eiffel wist met zijn station een dergelijke identiteitscrisis uit te bannen.''

Geen navolging

Onbegrijpelijk vinden beide heren het, dat Eiffels revolutionaire gedachtengoed tot voor kort geen navolging kreeg. Het in 1964 gebouwde station Tilburg - een zigzagvormige kap boven doorzichtige glazen gebouwtjes - vormt weliswaar een uitzondering, maar verder was het gedurende die periode armoe troef wat de stationsarchitectuur betreft. Douma omschrijft de jaren zestig en zeventig als een 'periode van liefdeloosheid ten aanzien van de negentiende eeuw en onverschilligheid op het gebied van goed design', die zich overigens in alle geledingen van de samenleving manifesteerden. Met 'een mea-culpa-gevoel' denkt hij terug aan de tientallen stations uit de sobere Waterstaat-periode van rond 1865, die hij met de grond gelijk liet maken. Daarbij moest hij zich toen - als jong architect - aanpassen aan de nihilistische opvattingen over architectuur. Een 'aquarium' met zitplaatsen en een fietsenstalling: zo luidde destijds het zuinige credo. Van de ruim honderd stations die Douma ontwierp, valt dan ook een aantal in deze categorie.

Welke van zijn toenmalige scheppingen de toets der kritiek doorstaan? De oud-bouwmeester denkt eens diep na. Reijnders doorbreekt de stilte. “Nou Cees, ik vind dat je wel erg bescheiden bent. Jouw Zwijndrecht, dat momenteel een verbouwing ondergaat, wordt door mijn voormalige collega's met veel egards behandeld. Het is een typisch exponent van een weliswaar schrale periode.” Een instemmend knikje kan er nog net af.

Waakhond

Douma heeft het liever over zijn rol van 'esthetische waakhond', die hij eind jaren zeventig pas met verve kon gaan vervullen. Er stonden diverse uitbreidingen op stapel, die honderden miljoenen kostten. Deze gingen gepaard met een herbezinning. Als er dan toch zo veel werd gespendeerd, mochten er geen minkukels van stations à la de jaren zestig en zeventig meer verrijzen. Douma: “Vervolgens kreeg ik toestemming drie jonge, veelbelovende architecten aan te stellen, onder wie Harry Reijnders. En het grote feest kon beginnen.” Dat het tij plotsklaps keerde, verbaasde Douma geenszins. In donkere ogenblikken overwoog hij wel eens op te stappen, maar hij was er niettemin van overtuigd dat het eens allemaal goed zou komen. “Ik heb een redelijk historisch besef. Gedurende de hele NS-historie zie je telkens weer een terugkeer naar kwaliteit. Het was dus een kwestie van wachten op de zeven vette jaren.”

Douma's opvolger zal tijdens zijn 'ambtsperiode' bepaald niet hoeven duimen draaien. De forse uitbreiding van het spoornet vergt een grote hoeveelheid nieuwe stations. Zal Reijnders ook met een wetmatig dal worden geconfronteerd? Douma wilde nog wel eens op zijn 'mineurtoetertje blazen', toen een nieuwe zakelijke NS zich aandiende, maar is er nu van overtuigd dat het niet zo'n vaart zal lopen. “'s Rijks geldschieters hebben NS als lichtend voorbeeld voor fraaie architectuur gesteld, met als motto: geen exuberantie, maar ga zo door. Dat hebben we toch maar mooi bereikt.”

Deel dit artikel