Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hans Westra Anne Frank zal een icoon blijven

Home

Sytske van Aalsum

Na 36 jaar Anne Frank Stichting houdt directeur Hans Westra het voor gezien. Hij kijkt terug op ’een wonderlijk avontuur’. De contacten met overlevenden van de Holocaust waren het waardevolst. „Het bezoek aan de kampen vreet aan je evenwicht. Je bergt het op, en het komt weer naar boven als je met overlevenden spreekt.”

Bij binnenkomst van het pand van de Anne Frank Stichting aan de Westermarkt in Amsterdam, wordt het oog van de bezoeker meteen getrokken naar een plaquette die aan de muur hangt en die herinnert aan de Tweede Wereldoorlog: ’In dit pand zat de garage en woning van Theo en Nel Storck. Ze verborgen wapens, gaven onderduikers onderdak en plakten fietsen van talloze verzetsstrijders. Ook de illegale kranten Trouw en De Waarheid werden van hieruit verspreid’. „Een broeinest van verzet”, merkt Hans Westra glimlachend op.

Hij is net 65 jaar geworden en van de Raad van Toezicht van de Anne Frank Stichting had hij waarschijnlijk nog wel vijf jaar door mogen gaan, maar algemeen directeur Hans Westra houdt het voor gezien. Begin volgend jaar neemt hij officieel afscheid en meteen daarna vertrekt hij voor een wereldreis van drie maanden. Bestemming: Hawaï, Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid Afrika. „Ik wil mijn opvolger niet voor de voeten lopen en zo kan ik ook afstand nemen van het werk.”

Want dat werk is eigenlijk ook zijn kindje: bij zijn vertrek heeft hij er maar liefst 36 jaar bij de Anne Frank Stichting op zitten. Zijn eerste en – naast een uitstapje als docent maatschappijleer op een middelbare school – ook enige werkgever. „Zo ging dat vroeger in Twente, je ging na de middelbare school in de textielindustrie werken, en daar bleef je tot je 65ste”, zegt hij gekscherend met een accent waarin zijn Twentse afkomst nog is te horen.

Niet dat er in de tijd dat hij opgroeide, nog veel werk was in de textielindustrie. Eind jaren zestig moesten veel Twentse fabrieken hun deuren sluiten. Westra: „Mijn vader heeft als personeelschef van een textielfabriek honderden mensen moeten ontslaan.” Die vader had zich – met enkel zes klassen lagere school en wat boekhouddiploma’s op zak begonnen bij Palthe in Almelo – inmiddels aardig opgewerkt.

Toen het gezin Westra op een gegeven moment naar Goor verhuisde, kwam het dan ook in het ’goede deel’ van het dorp te wonen. En dat had weer consequenties voor de schoolkeuze van de jonge Hans: „Je had op de lagere school drie rijtjes kinderen: de kinderen die uit de gegoede stand kwamen, want in het goede deel van Goor woonden; de kinderen uit de middenstandsgezinnen en de arbeiderskinderen. Alleen het eerste rijtje werd klaargestoomd voor de hbs of het gymnasium. De rest kreeg die aandacht niet. Zo ging dat toen.”

Hans Westra werd geboren op 11 april in 1945 in het Overijsselse Nijverdal. In vrijheid, want de dag ervoor was Nijverdal bevrijd. „Ik ben geboren in de roes van de bevrijding, er was een uitbundige stemming.” Want in Twente werd weliswaar geen honger geleden zoals in de Randstad, er vielen wel oorlogsdoden. Zo’n tachtig alleen al in Nijverdal, schat Westra. Omgekomen bij een bombardement van verdwaalde geallieerde vliegtuigen die Duitse doelen dachten te raken.

De Tweede Wereldoorlog speelde in het gezin Westra – vader streng Nederlands hervormd, moeder gereformeerd – nauwelijks een rol. „Bij een borrel kwamen er wel herinneringen op tafel. De beste vriend van mijn ouders zat in het verzet, en daar vertelden ze dan over. Die vriend heeft er altijd over gezwegen.”

„Mijn vader zat niet actief in het verzet, nee. Maar hij werkte op een distributiekantoor, en als er een overval was van het verzet, liet hij zich gewillig vastbinden. Hij behoorde tot de hele grote kring van Nederlanders die zich niet actief verzetten, maar een andere kant opkeken. Zonder deze mensen had het verzet zijn werk niet kunnen doen. Zo moeten er rond het Achterhuis wel honderd mensen hebben gewoond, die vermoedden dat er onderduikers zaten. Ze moeten hebben gezien dat er voedsel en drinken werd aangevoerd. Dan hoeft er maar eentje te zijn die de hele boel verraadt.”

Westra groeide op in Goor: „Je had de rooien, de katholieken en de christelijken. Die verzuilde samenleving gaf veel houvast. Het maakte Nederland beter bestuurbaar dan nu. Maar het was ook wel beklemmend, want autoritair. Dáár heeft mijn generatie actie tegen gevoerd. Maar de onderlinge solidariteit en zorg voor elkaar was toen wel veel groter. Mensen die nu in een inrichting belanden, die liepen toen gewoon over straat, daar werd voor gezorgd.”

Hoewel opgegroeid in een christelijk gezin, voelde Westra zich toch meer thuis bij de ’rooien’. Hij werd – en is nog steeds – lid van de PvdA. Die keuze is, denkt hij zelf, ontstaan in zijn jeugd. „Ik heb in mijn schoolvakanties vaak in de Twentse textielfabrieken gewerkt, en dat heeft doorgewerkt in mijn politieke voorkeur. Maar in verband met mijn functie heb ik mij verre gehouden van partijpolitieke functies.”

Hans Westra belandde op de kweekschool in Hengelo en kreeg van een neef elke twee weken een blaadje toegestuurd. ’Provo’ heette dat blaadje en er ging een heel andere wereld open voor de Twentse student. „Ik wist het zeker: ik móest naar Amsterdam.” Maar eerst wachtte de militaire dienstplicht. En daar had hij geen zin in. „Het leger was voor mij het symbool van een samenleving die ik veel te autoritair vond.”

Hij greep een ontsnappingsmogelijkheid aan: „Als je twee jaar ontwikkelingswerk deed, dan werd je buitengewoon dienstplichtig verklaard.” Dus vertrok hij naar Zambia, om daar ontwikkelingswerk te doen. „Het werk zelf in een onderwijsproject was erg slecht georganiseerd, maar het was een enorme ervaring om mee te maken wat armoede en onderontwikkeling in de praktijk betekenen. Veel van de kinderen met wie ik werkte liepen ’s morgens op blote voeten zonder ontbijt 10 kilometer naar school. Ik kan daardoor nog steeds erg slecht tegen klagende Nederlanders.”

Toen Zambia erop zat, kon hij eindelijk naar Amsterdam.

Hij viel er, in september 1969, met de neus in de boter. In mei dat jaar deed de Maagdenhuisbezetting de hoofdstad op zijn grondvesten schudden. Hans ging opvoedkunde studeren en betrok een hutje op het Amsterdamse studentenschip Caladonië. Vrijwel meteen werd hij actief in Asva, de Amsterdamse studentenvereniging.

Maar in 1974 vond hij het welletjes. „Het was sektarisch geworden, overgenomen door de CPN. Ik ging me richten op mijn studie. Ik moest stage lopen en belandde bij de Anne Frank Stichting. Daar hadden ze een project voor werkende jongeren.” Wel meer projecten trouwens, want medewerkers van de Anne Frank Stichting gingen in die tijd ook langs scholen, voorzien van een koffer met voorbehoedmiddelen en folders over abortus, om seksuele voorlichting te geven.

Maar de belangrijkste boodschap was gericht tegen het fascisme. Of faksisme, zoals het toen werd geschreven in linkse actiekringen. Westra: „Let wel: er was toen heel weinig aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Je had grote opwinding gehad rond de vrijlating van de vier van Breda, en je had de kwestie rond Pieter Menten. Daar kwamen veel emoties bij naar boven. Maar daarna was het stil. Het Anne Frank Huis trok toen vooral Amerikanen, zo’n 200.000 per jaar.”

Werken bij de Anne Frank Stichting was voor Westra „een verademing in vergelijking met de Asva. Er was een hele leuke sfeer hier.” In 1980 kreeg hij een eigen project onder zijn hoede. „Samen met de Groningse popband Werk in Uitvoering trokken we langs de vormingscentra.” Het bleek een succesvolle combinatie. Westra: „Eerst rockmuziek spelen en dan gesprekken voeren met jongeren.” Het was een halve baan, de andere helft was hij docent maatschappijleer op een streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs in Noord-Holland.

Het driejarig project met Werk in Uitvoering was net afgerond, en Westra keek uit naar een andere baan, toen hij door zijn voorganger werd voorgedragen als de nieuwe directeur van de Anne Frank Stichting. „De Anne Frank Stichting was toen wel heel erg actiegericht. En intern had de directeur geen enkele macht.”

Westra heeft de verhoudingen in zes jaar tijd ’genormaliseerd’. Hij vroeg Han Lammers – de toenmalige commissaris van de koningin in Flevoland – als voorzitter van het bestuur, met als opdracht de bestuursstructuur te wijzigen. „In het bestuur zaten vijf mensen van buiten en vier medewerkers. Maar één buitenlid stemde altijd mee met de medewerkers. Daar is heel langzaam verandering in gekomen.”

Er moest nog een andere ommezwaai worden gemaakt. De Anne Frank Stichting stond in die tijd te boek als een linkse club, die zich zo’n beetje tegen alle onrecht in de wereld keerde. In 1984 liet staatssecretaris Ploeg van landbouw zich in een interview ontvallen dat hij de Anne Frank Stichting maar een ’cryptocommunistische organisatie’ vond. „Wat dat betekent, weet ik tot op de dag van vandaag nog niet”, klinkt het een beetje verbeten uit de mond van Hans Westra. „Ploeg kreeg een reprimande van premier Lubbers en minister Brinkman.”

Maar de kwalificatie zette Westra wel aan het denken. „Ik ben gaan praten met de mensen van het voormalig verzet. Wij hadden wel contact met linkse voormalige verzetsgroepen, maar niet met de rechtsere. In gesprekken met hen maakten ze duidelijk dat ze zich ook verbonden willen voelen met de geschiedenis van Anne. Dat heb ik mij heel erg aangetrokken. Ik ben er intern over gaan praten. En er zijn inhoudelijk veranderingen aangebracht. Nee, ik heb er geen spijt van dat we destijds zo activistisch bezig waren. Vergeet niet, extreem-rechts was destijds echt in opkomst. Niet alleen in Nederland, maar ook in België en Frankrijk. Maar het duurt heel lang voordat je zo’n imago kwijt bent.”

Dat bleek toen in de eind 2008 uitgebrachte monitor ’Racisme & Extremisme’ van de Anne Frank Stichting de PVV de kwalificatie ’extreem-rechts’ kreeg. In een reactie enige tijd later noemde Geert Wilders de Anne Frank Stichting „een linkse club die een vermoord joods meisje gebruikt voor de eigen agenda”.

Hans Westra wordt er ogenschijnlijk niet warm of koud van: „We hebben een wetenschappelijke afdeling die onderzoek doet naar racisme en extremisme. Acht jaar geleden probeerden wij Pim Fortuyn te duiden. Die was in zijn verhalen niet extreem-rechts. Hetzelfde hebben we bij Geert Wilders gedaan. We hebben gezegd: hij is niet antisemitisch of neonazistisch, maar hij is populistisch en heeft wel een duidelijke verwantschap met extreem-rechts. Dat is geen moreel of politiek oordeel. Wij geven onze waakzaamheid op een wetenschappelijke manier vorm. Eind van dit jaar komt er een nieuwe monitor.”

„Er is wel een kentering gaande”, voegt hij eraan toe. „Met de Centrum-Democraten van Janmaat wilden de meeste Nederlanders destijds niks te maken hebben. Janmaat riep: ’Als ik het voor het zeggen krijg, dan schaf ik de multiculturele samenleving af’. Dat mocht niet van de rechter. Wilders roept veel ergere dingen, en dat mag wel.”

De normalisering van de bestuursstructuur van de Anne Frank Stichting was nodig voor de vernieuwing van het museum die in 1989 werd ingezet. „Het museum moest fundamenteel op de schop. We hadden geen geld, maar we maakten een goed plan en kregen uiteindelijk veel steun van de gemeente Amsterdam, het toenmalige ministerie van CRM en een aantal grote fondsen. Door heel zuinig te zijn en de prijs van de entreekaartjes iets te verhogen, is het ons gelukt. Onze begroting bedroeg in 1989 16 miljoen gulden. Toen het nieuwe museum in 1999 klaar was, zijn we daar binnen gebleven.” Het museum is in die tijd geen dag dicht geweest.

De Anne Frank Stichting draait op de entreegelden en bedruipt zichzelf voor 97 procent. Bij grote projecten doet ze een beroep op fondsen, of op de Bank-Giroloterij, die veel culturele projecten, vooral musea, financieel steunt. „Om papier te redden, de plaatjes bijvoorbeeld die Anne Frank in haar kamer heeft opgeplakt, moest het hele museum geklimatiseerd worden. Dan doen we een beroep op fondsen. Maar we verkeren in een geweldige situatie, we zijn onafhankelijk.”

Het Anne Frank Huis trekt inmiddels jaarlijks 1 miljoen bezoekers. Dag in dag uit staat er een lange rij wachtenden voor het museum. Niet alleen maar Amerikanen, ze komen tegenwoordig ook uit Europa en Azië. Westra: „In 1975 dachten we nog: waar gaan we naar toe? We hadden nooit gedacht dat het hierop zou uitlopen. Ik kan niet voorspellen hoe het Anne Frank Huis er over tien jaar voor staat. Maar Anne blijft een icoon. Vergelijk het met Robbeneiland. Iedereen die naar Zuid-Afrika gaat, wil naar die plek. Zo wil iedereen die naar Amsterdam komt, ook naar het Anne Frank Huis.”

Dat Westra geen joodse achtergrond heeft, is nooit een probleem geweest in zijn functie. „Otto Frank, de grondlegger van onze stichting, wilde ook nadrukkelijk dat het niet een joodse organisatie zou worden, maar een organisatie voor de hele mensheid. Wel is geregeld dat van de zeven toezichthouders er twee of drie zijn met een joodse achtergrond. Daar houden we ons aan.”

Hans Westra noemt het een ’wonderlijk avontuur’ waar hij 36 jaar geleden in is beland. Een avontuur met ’een hele grote dynamiek’. „Er is geen dag geweest dat ik tegen mijn zin naar mijn werk ging. Geen dag is hetzelfde, en je hebt veel internationale contacten. Vorige week zat ik nog in Berlijn, en dan praat je met je Duitse collega’s over de opkomst van extreem-rechts. Je vindt ook een identiteit in dit werk die heel waardevol is.”

Maar het ’meest waardevolle’ in zijn werk als directeur van de Anne Frank Stichting vindt Westra toch wel de contacten met de overlevenden van de concentratiekampen. „Het bezoek aan de kampen vreet aan je evenwicht. Je bergt het op, en het komt weer naar boven als je met overlevenden spreekt. Door hun levenskracht kom je weer in evenwicht. Het is ook verfrissend. Laatst was de klas van Anne Frank bij elkaar, voor een documentaire. Die mensen geven hun leven een 8, of een 9. Het is een voorrecht dat ik die mensen heb mogen leren kennen.”

Deel dit artikel