Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Halina Reijn

Home

Arjan Visser

Halina Reijn (Amsterdam, 1975) is schrijfster en actrice. In 2005 debuteerde ze met de roman ’Prinsesje Nooitgenoeg’. Ze is deze maanden te zien in de speelfilm ’De Eetclub’ en tot en met 23 februari in Nederlandse en Belgische theaters met de voorstelling ’Kinderen van de zon’ van Toneelgroep Amsterdam.

„Mijn ouders hadden er alles aan gedaan om het juk van hun religieuze opvoeding van zich af te werpen. God was niet protestants of katholiek. God was overal, alles en één.

In ons huis was een lege, witte ruimte. Dat was de kamer van God. Er hing één lege lijst waarmee werd uitgedrukt dat je God niet in beelden kon vangen. Mijn ouders hadden zich aangesloten bij Subud, dat was een spirituele beweging. Ze moesten – net zoals ik later op toneelschool – ’alles laten gaan’ en dan hoorden mijn zus en ik de vreselijkste kreten uit die kamer van God komen.

Op andere momenten werd er gemediteerd. Wij deden er soms aan mee, maar ik vond het helemaal niet leuk om stil te zitten en mijn mond te houden. Mijn ouders probeerden grenzeloos, zonder dogma’s te leven. Ze stuurden ons naar de Vrije School, waar je geen lijntjes mocht tekenen en waar kleuren in elkaar over moesten gaan.

De wens van mijn zus en mij om gedoopt te worden in de katholieke kerk is waarschijnlijk, onbewust, een verlangen naar orde geweest. Ik was een jaar of zes, zeven en ik wist het zeker: mijn hart behoorde toe aan Jezus. Mijn ouders waren ontzet, wanhopig, maar ja, de kinderen hebben het nu eenmaal voor het zeggen. We kregen onze zin. De familie werd opgetrommeld, er kwam een groot doopfeest en we hebben later ook nog eerste communie gedaan.

Op zondagschool mochten we bijbelse afbeeldingen keurig inkleuren, God had een grijze baard en Jezus was Zijn zoon. Lijntjes, kaders, contouren. Heerlijk! Ik herinner me nog goed wat ik in die tijd in mijn dagboek schreef: ’Nu ben ik eindelijk een normaal meisje!’”

„Daar heb ik niks op tegen. Anders had ik ook niet in al die stukken kunnen spelen waarin nogal wordt gevloekt. Wat dat betreft ben ik totaal niet moralistisch. Wie ben ik om te zeggen hoe je je moet gedragen? Oordeel niet. Dat is de kern van mijn opvoeding geweest: oordeel niet.”

III

„Als er een première nadert, verander ik in een soort monnik. Dan zet ik het liefst mijn vriend het huis uit, zeg de hele dag niets – om mijn stem te sparen – kijk een paar dvd’s en neem mijn teksten door. Misschien dat ik in die drie, vier weken één keer met mijn beste vriendin uit eten ga, maar that’s it.

Op maandag ben ik altijd vrij. Dan blijf ik op bed liggen, gewoon gedachten laten komen en gaan, een beetje zoals een sporter die tot rust moet komen. Anders hou ik het niet vol. Ik hoor de laatste jaren steeds vaker van vrienden dat ze een geweldige ontdekking hebben gedaan: meditatie! Moet je ook eens proberen! Nee, dank je. Ik heb, toen ik op mezelf ging wonen onmiddellijk een televisie gekocht. Een verderfelijke bezigheid, volgens mijn ouders, maar voor mij is televisiekijken nog altijd de ultieme ontspanning.”

„Wat ik me van de tijd voor mijn vaders dood herinner: dat ik heel serieus genomen werd, dat ik deel mocht nemen aan gesprekken van volwassenen, dat er altijd kunstenaars, verschoppelingen, zigeuners en vluchtelingen in ons huis woonden. Mijn vader was een kunstenaar, hij had een atelier in de tuin. Hij was dominant, maar die dominantie was ook de motor voor van alles; mijn vader zorgde ervoor dat dingen gebeurden. Ik voelde me veilig bij hem. Hij was een soort Superman. Mijn bewondering was enorm, maar ik weet dat hij – als hij niet was gestorven toen ik tien was – uiteindelijk wel van zijn voetstuk zou zijn gevallen.

Hij predikte de vrijheid, maar wij moesten wel altijd ’uitstekend’ antwoorden als hij ons vroeg hoe het met ons ging. Positief denken, altijd positief denken. En hij was getrouwd met mijn moeder terwijl hij wist dat hij homo was. Hij wilde graag kinderen en hij dacht dat die liefde boven homoseksualiteit of heteroseksualiteit zou uitstijgen. Gelukkig heeft hij, kort voor zijn dood, nog iets met die geaardheid willen doen. Mijn ouders waren een jaar uit elkaar. Ik begreep later pas dat Henk, die altijd bij ons thuis kwam, niet zomaar een vriend, maar echt mijn vaders Vriend was geweest.

Hij is plotseling gestikt. Mijn moeder heeft hem zien flauwvallen. In de ambulance was hij al bijna weg, uiteindelijk is hij op de operatietafel gestorven. Longembolie. Bleek in de familie te zitten.

Ik zat op school. Ik zag mijn moeder uit de auto stappen en ik wist het meteen: er was iets verschrikkelijks gebeurd. Ik zie nog hoe ze naar me toe komt lopen. Die blik in haar ogen, de manier waarop ze zich bewoog Even later zat ik in de auto, met aan weerskanten een vriendinnetje, om de klap op te vangen. Mijn moeder en mijn tante zaten voorin. Op een gegeven moment draaide mama zich naar mij om en zei: ’Papa is dood’. Mijn vriendinnetjes begonnen verschrikkelijk te huilen. Ik kon alleen maar zeggen: ’Ik geloof het niet. Ik geloof het niet. Ik geloof het niet.’ Het was verschrikkelijk, zo heftig alles zakte weg. Ik werd vreselijk bang: wat moesten we nou? Zonder de man die alles wist, alles kon? Ik voelde me in een soort vrouwenzee gesleurd, die ene rots, mijn houvast was weg. We waren verloren. God, wat vreselijk weet je dat ik er ook nu, nu ik het je vertel, weer verdrietig van word? Na al die tijd

Ik heb hem eigenlijk helemaal niet gekend. Ik heb jaren gezocht naar mensen die mij iets meer over hem konden vertellen. Ja, mijn moeder is natuurlijk bron nummer één, maar zij hield zo verschrikkelijk veel van hem dat ze al begint te stralen als je zijn naam noemt. Haar gezicht gaat open als ze over hem vertelt, zo schattig Ik kan toch niet kritisch blijven doorvragen als zij daar als een blozend meisje tegenover me zit? En wat win ik ermee?

Ik heb die zoektocht naar mijn vader vooral tijdens therapie besproken. Mijn moeder had in het begin wel eens de neiging om er naar te vragen: ’Vertel er eens wat meer over’. ’Nee, mam, dat is mijn therapie’. Het is typisch iets wat hij óók zou hebben gestimuleerd. Zelfonderzoek.

Ik heb een flinke reis afgelegd. Jarenlang viel ik op foute mannen. Vaak leken ze verdacht veel op mijn vader: creatief en autoritair. De krachtige alfa-aap. Dat etiket plakte ik, onbewust, op iedere man, het liefst een onbereikbare – jaren getrouwd, of honderden kinderen – omdat ik zo heerlijk mijn vaderfantasieën op zo iemand kon projecteren. Ik geloof dat ik daar nu wel zo’n beetje klaar mee ben. Ik ben gelukkig met een man die goed voor me is. Wat overblijft is plotselinge angst als hij even niets van zich laat horen, en woede, soms, over het feit dat mijn vader zo snel uit mijn leven moest verdwijnen. Ik had nog wel een paar vragen, eigenlijk. Ja, gelukkig heb ik mijn moeder nog. Lieve mama als ik haar zie spelen met de kinderen van mijn zus, ach jongen, dan kan ik wel huilen van geluk; dat zij het is die mij heeft opgevoed

Zeg, ga je lekker met je diepte-interview? Weet je wel hoe heftig dit is? Ik wil gewoon niet alles toelaten, ik wil controle houden, niet geëmotioneerd raken. Daarom zou ik je het liefst bedelven onder een lawine van informatie, zodat je ophoudt met soms kan ik ook hard zijn hoor en afstandelijk, zeg ik gewoon een tijdje helemaal niets, maar in de media ben ik meestal van twiet, twiet, twieterdetwiet! Ha! Probeer hier nog maar een verhaal van te maken. Moet je me maar niet zo het vuur na aan de schenen leggen. Dat doe je wel. Welles. Wélles!”

„Ik kan me er wel iets bij voorstellen hoe het is om een ander te doden. Dat zijn dingen die bij het toneel allemaal aan bod komen, al blijven het geleide oefeningen, want zelfs als je speelt dat je door de duivel bent bezeten blijf je denken aan de boodschappen die je na de voorstelling moet doen, of aan de bekende die je in de zaal ziet zitten. Als je alles tijdens het spel zou vergeten, kom je aan de rand van een psychose te staan, denk ik.

Ik heb wel eens het gevoel gehad dat ik niet kon stoppen met huilen; dat ik die emotie niet van me kon afschudden. Of dat ik wist dat ik van een stukje boos naar een stukje blij moest, maar dat het me niet lukte om er te komen. Op die momenten ben ik me nog altijd bewust van de situatie. Het is net zoiets als XTC slikken: je weet wel waar je bent, je voelt je alleen zo anders.

Met geweld moet ik echt oppassen. Als ik op het toneel iemands keel dichtknijp, spreek ik mezelf ondertussen ernstig toe: tegenhouden, tegenhouden! Andersom kan ik me heel makkelijk overgeven. In de Feeks (’Het temmen van de Feeks’, voorstelling uit 2005, met tegenspeler Hans Kesting) keelde Hans mij een keer zo hardhandig dat ik bijna out ging. Ik zal niet zomaar stop zeggen. Misschien ga ik daarin wel te ver. Soms ben ik echt bang om gek te worden. Aan de andere kant helpt het toneelspelen me ook enorm. Ik kan overdag heel verdrietig zijn om iets wat mij in mijn privéleven overkomt en die ’huil’ in een doosje bewaren tot ik mezelf op het toneel toesta om mijn emotie te laten gaan.

Ja, in dat opzicht is de dood van mijn vader een moestuin waar ik menig plantje uit tevoorschijn heb gehaald. Ik heb mijn verdriet om zijn vroege dood eindeloos in het theater gebruikt. Er zijn mensen die zeggen dat toneel nooit therapie mag zijn, nou, jammer dan, voor mij is het één grote therapie. Ik kan er zoveel in kwijt, ik kan er dingen uitvechten, ik kan er zelfs tijdens het spel achterkomen hoe ik een probleem in het gewone leven aan kan pakken.

Nee, het is niet te vergelijken met gewone therapie. De sessies met mijn therapeut zijn genuanceerd, gedetailleerd; daar gaat mijn leven onder een enorme microscoop en bekijken we iedere vezel. Toneel is een steigerend paard. Ontembaar. Heel af en toe pak je iets, maar voor je het weet – wow! – galoppeert het er alweer vandoor en blijf je verbijsterd achter met de dingen die je hebt kunnen grijpen of worstel je nog dagen met de dingen waardoor je zelf gegrepen werd. Fascinerend. Echt, fascinerend!”

„De druk om seksueel actief te zijn was bij mij op school heel hoog. Ik begreep er niks van. Ik was laat, met alles. Pas op mijn negentiende werd ik ontmaagd. Tegelijkertijd stond ik, tijdens de jongerentheateropleiding van Josja Hamann, op mijn tiende al in mijn blootje op het toneel.

Seks is nu eenmaal één van de grote thema’s, zowel in het theater als daar buiten. Ik vind niets onkuis. Als een man een koe neemt, zal ik niet meteen de animal cops van Wilders bellen. Of het koeienalarmnummer.

Goed, pedofilie, daar ligt een grens, maar dan nóg: je hoeft je voor die verlangens niet te schamen. Laat je castreren of ga dagelijks in therapie. Zo lang je die verlangens niet in praktijk brengt, heeft niemand het recht om je erom te veroordelen.

Door het enorme aanbod van porno ontstaat er misschien wel eens een verkeerd beeld van seks – als de tederheid verdwijnt, vind ik dat ook jammer – maar in het algemeen ben ik vóór vrijheid en zo weinig mogelijk taboes. Ik vind het onzin om te zeggen dat vrouwen liever porno met een verhaal hebben. Flikker op zeg! Ik wil toch ook gewoon klaarkomen?”

VII

„Ik stal snoep omdat ik het thuis niet kreeg. Bubblegum en trekdrop. Ik at net zoveel tot ik doodziek werd. Ik heb, toen ik op mezelf ging wonen, wekenlang alleen maar speklappen gegeten omdat ze thuis, vanwege het lage trillingsgehalte van varkensvlees of zoiets, niet op tafel kwamen. Ik heb ook eens een bord eten omgekieperd, gewoon, omdat ik dat kón doen. Eerst dacht ik: nu ben ik mij geweldig aan het afzetten. Daarna begreep ik dat ik niets anders deed dan wat mijn ouders mij al die jaren hadden voorgehouden: doe wat je wil, alles is goed.”

VIII

„Soms ben ik in de gewone wereld – in de wachtkamer van de dokter, met mijn nichtjes en neefjes in de Efteling – en kan ik me ineens zo ongemakkelijk, zo misplaatst voelen Ik leef in een subcultuur die zich alleen maar bezighoudt met ’het hogere’, of wat dat ook is, maar tegelijkertijd proberen we de emotie van de straat naar binnen te halen. De angst, de lelijkheid, de achterdocht: we willen het allemaal laten zien. En toch ik weet het niet, ik vind het ongemakkelijk. Het is net alsof ik het gewone leven alleen maar na kan doen en kunst voor mij de werkelijkheid is.”

„Voor zwanen schijnt het heel natuurlijk te zijn, maar wij mensen zijn er niet op gebouwd. Het is niet normaal als je in tien, twintig, dertig jaar tijd nooit eens met een ander gaat, maar tegelijkertijd kunnen partners het niet van elkaar verdragen. Dus zijn er spelregels. En daar poog ik mij aan te houden. Ik ben nu nog pril gelukkig, maar zal ik over tien jaar niet een keer naar een andere man verlangen? Maak dat de kat maar wijs.

Ik geloof niet in een vrij huwelijk, dat werkt in negenennegentig procent van de gevallen niet, dus zit er niets anders op dan te verzwijgen dat je vreemd bent gegaan en daarna proberen het schuldgevoel – want dat komt – te verdragen.”

„Jaloezie is top! Als ik jaloers ben op iets wat jij hebt gemaakt, zal ik proberen het zelf ook te maken. En beter. Als ik in de race ben voor een rol en mevrouw X of Y krijgt hem, dan vind ik dat niet zo heel erg, maar als Carice (Carice van Houten, vriendin en collega, AV) de rol krijgt die ik had willen hebben, is er maar één remedie: eerlijk zijn. Gewoon zeggen: ik ben zó jaloers!

Ik denk nooit aan de rollen die ik ooit nog wil spelen, of aan welke prijzen ik in de wacht moet kunnen slepen. Eerlijk gezegd geloof ik dat alles wat ik nodig heb vanzelf wel op mijn pad komt. Het heeft echt geen zin om elke dag met Paul Verhoeven te bellen, eindeloos te oefenen, er altijd, overal te zijn. Ze bellen mij maar. Ik ben gewoon goed. Als je morgen tijdens de repetities komt kijken, zul je me horen jammeren: ik kan ook helemaal niks, ik leer het nooit Maar vandaag ben ik goed! Huur mij in. Of niet. Huur Carice. Ook best. Snap ik wel.

Vroeger dacht ik dat het vooral mijn streven was om een goed mens te worden. Mijn carrière stond daar los van. Nu begrijp ik dat die twee met elkaar vervlochten zijn. Het is één bolletje. Voor sommige vrouwen lijkt die gedachte onbegrijpelijk. Eerst vroegen ze me nog schattig of ik op den duur misschien een baby zou willen. De laatste tijd stappen ze bijna boos op me af en beschuldigen me ervan dat ik voor mijn carrière kies. Ik ben jaloers op mannen. Die zeggen wel dat ze minder zullen gaan werken, maar er zijn er weinig die dat ook echt gaan doen. Nee, mannen stomen lekker door. Ze komen thuis, lachen even naar de baby, krijgen te eten, gaan slapen en dan weer aan het werk. Dat wil ik ook. Lekker doorstomen.”

Lees verder na de advertentie
Halina Reijn: 'De dood van mijn vader is een moestuin, waar ik menig plantje uit tevoorschijn heb gehaald.' ( FOTO MARK KOHN)

Deel dit artikel