Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Haat Europa zichzelf?

Home

Jean-Pierre Wils

Kardinaal Ratzinger vreest dat door de verdringing van de morele en religieuze problematiek het Europese bewustzijn zichzelf dreigt te vernietigen. Jean-Pierre Wils vraagt zich verbijsterd af of Ratzinger werkelijk meent dat onze huidige morele toestand 'ver uitstijgt boven alle gruwelen van de oorlog'. Wie haat wie nu eigenlijk?

Het essay van Joseph Ratzinger over 'De zelfhaat van het avondland' (Trouw, 6 januari) is een harde noot. Tijdens de lectuur komt spontane instemming op. Wie kan loochenen dat in de leegte van de ineengestorte communistische dictaturen een 'vernietiging van het morele bewustzijn', een 'verwoesting van de ziel' te constateren valt?

Russische intellectuelen spreken zonder schroom over een 'antropologische catastrofe' waaraan hun land onderhevig is. Is het niet zo dat wij - die vaak multiculturalisten uit louter gemakzucht zijn - eerbied voor het Heilige van anderen opeisen, maar onze eigen christelijke traditie schouderophalend prijsgeven aan een primitieve kritiek en aan een niets ontziende spot? Is de zorg van de kardinaal volkomen ongegrond dat de hypertechnologische, biomedische ontwikkeling een chaos in ons morele besef teweegbrengt? Ik denk van niet.

Maar tijdens een langzame herlezing van het essay rijzen de twijfels omtrent diagnose en therapie gestaag. Ratzingers vraag - 'Europa, wat is dat eigenlijk?' - blijft ondanks pogingen tot verheldering zonder antwoord. Want eigenlijk is Europa niets. Men kan twee redenen noemen waarom dit zo is. Volgt men Ratzingers eigen historische terugblik dan wordt al duidelijk dat Europa als continent steeds weer wisselende grenzen heeft gekend (en nog steeds kent). De geopolitieke eenheid van Europa is in voortdurende beweging. Feitelijk bestaat Europa niet.

Daarmee hangt samen dat Europa als idee niet beschikt over een constante inhoud. Tussen het Griekse, het vroeg-christelijke, het middeleeuwse, het vroegmoderne, het totalitaire en het democratische Europa zijn de breuken even scherp, misschien zelfs scherper dan de continuïteiten. Men zou samen met Jacques Derrida kunnen waarschuwen voor de opvatting dat Europa het product is van een eeuwenoude en doelmatig verlopende ontwikkeling, beginnend bij een welbepaald ideaal dat nog slechts verder ontplooid dient te worden. De motor van deze ontwikkeling zouden dan gemeenschappelijke (christelijke) 'fundamentele religieuze en morele normen' (Ratzinger) zijn.

Misschien is het daarentegen voorzichtiger om de term 'Europa' te gebruiken als een oeroude verbeelding, als een archaïsche fantasie waarvan de nieuwe betekenis steeds weer opnieuw moet worden uitgevonden.

Maar vervagen op die manier de contouren van Europa niet, zodat zijn identiteit helemaal verwatert? Het antwoord hierop is afhankelijk van wat wij onder 'identiteit' en 'cultuur' verstaan. Het gebruik van het cultuurbegrip is een uiting van zelfreflectie - van distantiëring en van constructie van de eigen identiteit. Het veronderstelt een maatschappij die de vraag naar haar identiteit stelt in de vorm van een kritische zelfbezinning. In het domein van de cultuur is de identiteit van Europa een voorlopige identiteit, op de tweesprong tussen een herinnering aan het verleden en een positiebepaling naar de toekomst. Op die manier wordt identiteit gesticht én ter discussie gesteld.

Pas laat in onze geschiedenis ontstaat een cultuurbegrip met deze functie. In de Middeleeuwen kwam niemand op het idee om over een 'Europese cultuur' te spreken. De identiteit van een cultuur is dus paradoxaal genoeg onlosmakelijk gebonden aan de constatering van een verschil, aan het inzicht dat zij niet simpel is wat zij is. Zo ook de Europese cultuur. ,,Het is eigen aan een cultuur dat zij niet met zichzelf identiek is.'' (Derrida). Wie, met andere woorden, te hardnekkig op zoek gaat naar een eigen cultuur, is op de beste weg om deze te vernietigen en dus nooit te vinden. Iedere cultuur is steeds eigen én anders.

De constructie van het 'eigenlijke avondland' (Ratzinger) maakt deel uit van een retrospectief oorsprongsverhaal dat voorbijgaat aan de complexe verstrengeling van feiten en ideeën, aan de pendelbeweging van vooruit- en achteruitgang, aan de dynamiek van de identiteitswisseling. Het ergste gevaar bij deze 'grote verhalen' ligt in de retrospectief gerichte zelfillusie - in de mythe dat 'het grote en reine' zuiver christelijk is en 'het gruwelijke en het vernietigende' een gevolg van een afkeer daarvan.

Ratzinger wijst terecht op de grote betekenis van de machtenscheiding tussen keizer en paus - het begin van zijn 'eigenlijke avondland'. Die niet-erkenning van deze scheiding was inderdaad 'een bron van oneindig lijden'. De vermenging van religieuze en politieke energieën heeft steeds een fanatiserend effect gehad. Macht moet gedeeld worden wil zij niet moordend zijn. De broodnodige en pacificerende scheiding van religie en politiek leidde noodzakelijk tot een tweede verdeling - tot de opsplitsing van de macht tussen een wetgevend, een rechtsprekend en een uitvoerend circuit. Dit proces van machtenscheiding mondt uit in het type liberale democratie waarin wij leven, een democratie van burgers die hun religieuze overtuigingen privatiseren, omdat religie in het veld van de politieke machtsuitoefening tot oorlog leidt.

De religie heeft zelf oneindig veel van deze ontwikkeling geprofiteerd. Het proces van de moderniteit als een proces van democratisering heeft zelf een zuiverende invloed op het christendom gehad. De nadruk op het christelijk geloof gaat niet vooraf aan de secularisering, maar is daarvan het gevolg. Het christendom kon zich nu niet langer als een politieke macht manifesteren, maar moest zich bezinnen op zijn wezen - op zijn transcendente heilskarakter. Wat Ratzinger als de ondergang van het 'eigenlijke avondland' bezweert, is misschien veel minder dramatisch. De ondergang is misschien slechts een overgang naar zich veranderende functies van religie.

Het zou een verdraaiing van de feiten zijn wanneer men het discours van de mensenrechten, van de vrijheid van denken, meningsuiting en geweten, van het recht op onschendbaarheid van het lichaam en bescherming tegen foltering, van de democratische controle van de macht, van de expressieve autonomie van de kunst als het rechtstreekse gevolg van het christendom interpreteert. Al deze verworvenheden moesten worden afgedwongen van de katholieke kerk. Het blijft een wereldhistorische verdienste van de Reformatie dat deze de 'vrijheid van de christenmens' voor het eerst als vrijheid van iedere institutionele dwang wist te duiden.

Maar Ratzinger zelf gaat hier nauwelijks op in. Bijna anonimiserend en in een duidelijk depreciërende toon wordt over het protestantisme gesproken als 'een nieuw, verlicht soort (sic!) christendom'. Dit past al te goed bij de opvatting van Dominus Iesus - Ratzingers omstreden verklaring van september jongstleden - dat de protestanten geen 'kerk in de eigenlijke zin' zijn. Het liberale protestantisme van de 19de eeuw is al te snel gekarakteriseerd als een 'in wezen als moraal opgevatte christelijke religie'. De 'breuk met Rome' is dan al even vlug een breuk met het 'eigenlijke avondland'. Het scenario van decadentie vergt nu eenmaal haast, want het wordt ook almaar sneller almaar erger. Amerika is pas ontdekt en reeds vertoeven wij in de Franse Revolutie.

Ratzingers analyse krijgt vanaf dit moment een verbeten karakter en haalt bijna alles door elkaar. ,,Voor het eerst in de geschiedenis ontstaat de puur seculiere staat, gevestigd op rationaliteit en de wil van de burgers, die God uitroept tot een privé-zaak. Religie en geloof in God horen bij het gevoel, niet bij het verstand. God en zijn wil houden op in het openbaar relevant te zijn.'' Vergeten is blijkbaar dat in de grote 'Europese' godsdienstoorlogen van de 16de en de 17de eeuw werd aangetoond hoe sociaal desintegratief het christendom kon zijn. Het was voortaan een kwestie van overleven om religie - maatschappelijk beschouwd - te privatiseren.

Wat is er op tegen de staat te vestigen 'op rationaliteit en de wil van de burgers', verondersteld dat men rationaliteit niet enkel technisch opvat en de wil van de burgers interpreteert als 'openbaarheid', waarin politieke meningen een kritisch forum vinden? Dat religie en geloof in God 'bij het gevoel, niet bij het verstand' behoren, is geenszins typisch voor de moderniteit. De katholieke gevoelsmystiek is voor-modern. Het tijdperk van de Verlichting kent in overvloed voorbeelden van denkers die van mening waren dat God bij het verstand, niet bij het gevoel behoort. De grote protestantse theoloog Friedrich Schleiermacher, die religie opvatte als 'gevoel van totale afhankelijkheid' zou een slecht voorbeeld zijn voor een tegen-verstandelijke gevoelsreligie. En dat 'God en zijn wil' in het openbaar ophouden relevant te zijn, kan ik met de beste wil niet inzien.

Maar dat God uit de politieke machtsuitoefening verdwijnt, betekent dat hij uit de symbolisering en de zelflegitimering van de politiek verwijderd wordt. Dat werkte heilzaam uit én voor de politiek, én voor de religie. Ratzingers europeïsering van het christendom - gevoed met de fantasie over het verdwijnen van een 'etnisch'(!) Europa - heeft bovendien een ongewild gevolg: aan de horizon doemt een nieuw particularisme op, maar deze keer niet als een modern, 19de eeuws cultuur-protestantisme, maar als een premodern eurocentrisch cultuur-katholicisme. Hij zet op deze manier het christendom met zijn universaliteitsclaim op losse schroeven. Bovendien tekenen zich nieuwe vijanden aan de horizon af: de 'waardensystemen' van de islam en de Aziatische mystiek. Maar afgezien van de humanistische en wetenschappelijke tradities van de islam, waarvan het belang voor de christelijk-katholieke Middeleeuwen bijna niet kan worden overschat, - vertoont de hedendaagse strenge islamitische ethiek geen grote parallellen met de katholieke ethiek?

Wat opvallend ontbreekt in Ratzingers 'tour d'horizon' is een positief woord over de moderne,liberale democratie. Voor een 'civil society', met zijn autonomie van de burgerlijke rede is geen plaats, of ze nu als ultieme horizon van zingeving uit diepe religieuze motieven put of niet.

Ik wil dit aan enkele tekstpassages verduidelijken. Volgens Ratzinger bestaan er in de 19de eeuw twee democratische varianten van de verhouding van kerk en staat (waarbij stilzwijgend de verregaande identiteit van kerk en religie wordt voorondersteld): als eerste is er het 'lekenmodel' (in de 'Latijnse' naties), waarin de religieuze instituties strikt zijn gescheiden van de staat en een radicaal privé-karakter bezitten. ,,De staat zelf wijst een religieus fundament af en stoelt op verstand en inzicht. Door de kwetsbaarheid van het verstand zijn deze systemen breekbaar, en gevoelig voor dictaturen; ze overleven eigenlijk alleen maar omdat delen van het oude morele bewustzijn blijven doorbestaan.''

Dit betekent: de scheiding van kerk en staat maakt gevoelig voor dictaturen. Maar zelfs wanneer het verstand kwetsbaar is (en wie zou dit loochenen?), bestaat er geen werkelijk humaan alternatief voor een staat die 'stoelt op verstand en inzicht'. Ligt het juist niet in het wezen van de democratie dat zij weet dat 'verstand en inzicht' vaak dwalen en precies omwille van deze reden instituties ontwerpt waarin aan deze dwaling zo weinig mogelijk kansen worden geboden? Behoort het waarheidsfanatisme niet tot de ergste dwalingen van 'verstand en inzicht' zodat wij behoefte hebben aan democratische instituties die dit fanatisme op afstand houden? Juist omwille van 'verstand en inzicht'? Hebben religieus verstand en inzicht niet talloze malen gedwaald - met catastrofale gevolgen? En gebeurde dit niet omwille van het feit dat er geen democratische instituties bestonden die het fanatisme konden kanaliseren en neutraliseren? Maakt de eenheid van kerk en staat niet overgevoelig voor dictaturen?

Het tweede model is het 'Germaanse' - het model van een verlichte en liberale staatskerk met een sterke morele inkleuring. Dit is volgens Ratzinger 'ineengestort' en opnieuw bood een 'vacuüm' ruimte voor dictatuur. Ratzinger vermijdt angstvallig het woord democratie in dit verband in de mond te nemen. Hij spreekt slechts over 'modellen'. Maar de liberale democratie is wel degelijk bedoeld. Het is verrassend, om niet te zeggen schokkend, dat ook deze diagnose tot consequentie heeft dat juist liberale democratieën dictatuur-gevoelig zouden zijn. In deze samenhang past dat één variant van het socialisme - en nu gebruikt de auteur voor de eerste keer het woord 'democratisch' - namelijk het 'democratisch socialisme' genade vindt in de ogen van de kardinaal. Want dit heeft sterke gelijkenissen met de katholieke sociale leer. Zijn liberale democratiën misschien daarom dictatuur-gevoelig omdat zij de katholieke moraal niet in zijn geheel incorporeren?

Insinueert Ratzinger dat de 'vernietiging van het morele bewustzijn en de verwoesting van de ziel', die de communistische dictaturen hebben achtergelaten, zonder meer toepasbaar zijn op de liberale Westerse democratie? Bedoelt hij in directe aansluiting op deze catastrofale diagnose dat 'het wezenlijke probleem van onze tijd in het feit ligt dat de morele en religieuze problematiek wordt verdrongen'? Maakt het niet sprakeloos wanneer later in de tekst over de gevolgen van de nazi- en Stalindictatuur het volgende staat? ,,Deze dictaturen brachten een nieuw soort kwaad voort, ver uitstijgend boven alle gruwelen van de oorlog, berustend op de afschaffing van Europa.''

Lees ik verkeerd, leg ik foutieve verbanden als ik concludeer dat dan onze huidige morele toestand, binnen het kader van een liberale democratie, in feite 'ver uitstijgt boven alle gruwelen van de oorlog'? Met beklemming vraagt men zich nu af op wie de 'zelfhaat' van Europa betrekking heeft.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie