Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Grondstoffen zijn soms een vloek

Home

Seada Nourhussen

Afghanistan heeft een oneindige hoeveelheid aan bodemschatten, zo jubelde het Amerikaanse Pentagon vorige maand. Maar is er wel reden tot blijdschap? Ervaringen in zwakke staten als Congo, Sierra Leone en Nigeria leren dat natuurlijke rijkdommen niet altijd een zegen zijn.

Voor 1000 miljard dollar (820 miljard euro) aan kostbare mineralen zitten er in de Afghaanse bodem. Amerikaanse teams van geologen en medewerkers van het Amerikaanse ministerie van defensie, het Pentagon, brachten deze blijde boodschap eind vorige maand vol trots naar buiten.

Dat er delfstoffen in Afghanistan te vinden waren, was al decennia bekend. Al toen de Sovjet-Unie er nog de scepter zwaaide in de jaren tachtig. Maar dat er zulke grote hoeveelheden koper, ijzer, kobalt, lithium (gebruikt in oplaadbare batterijen), niobium (gebruikt bij de fabricage van supergeleidend staal) en goud voorhanden waren, is nieuw. Althans, zo beweert een speciale taakgroep van het Pentagon, die eerder in Irak zakelijke ontwikkelingsprojecten opzette.

De mineralen zouden van levensbelang kunnen zijn voor het door strijd vermalen Afghanistan. De grondstoffen zouden van het arme land een van de belangrijkste mijnbouwcentra ter wereld kunnen maken. Afghanistan zou niet meer voornamelijk afhankelijk hoeven zijn van landbouw en illegale opiumteelt. Dit zou werkgelegenheid kunnen betekenen, betere infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs. Kortom, economische en sociale vooruitgang. Misschien zelfs wel vrede. Toch?

Niet per se, zeggen critici. Door de miljardenvondst zou Afghanistan ook in de val van de zogeheten resource curse kunnen trappen. Deze theorie van de grondstoffenvloek beschrijft het fenomeen van landen met een overvloed aan delfstoffen die desondanks nauwelijks economische groei en ontwikkeling kennen. De theorie staat ook bekend onder de naam the paradox of plenty – de tegenstrijdigheid van de overvloed.

Van die ’vervloekte’ landen zijn er vooral in Afrika veel. In Congo, waar ogenschijnlijk onuitputtelijke voorraden coltan, cassiteriet, wolfraam en kobalt (gebruikt in mobiele telefoons) liggen, heersen vooral conflict en armoede. Inmiddels zijn er 3,9 tot 5,4 miljoen doden gevallen in de oorlog die waarschijnlijk grotendeels draait om – en vrijwel zeker wordt betaald van – de controle over Congo’s bodemrijkdom. Soedan, waar volop olie wordt geboord door Chinese bedrijven, blinkt ook uit in gewapende strijd, armoede en onvrijheid ondanks natuurlijke hulpbronnen. Of zorgen die bodemschatten juist voor veel problemen?

Rick van der Ploeg, oud-staatssecretaris (PvdA) en nu professor economie aan de universiteit van Oxford, houdt zich sinds enige tijd bezig met precies die vraag. Naast professor Tony Venables leidt hij het Oxford Centre for the Analysis of Resource Rich Economies (Oxcarre). Zijn natuurlijk rijkdommen een zegen of een vloek? En waardoor blijven veel landen die rijk zijn aan bodemschatten toch vaak zo arm en onderontwikkeld? Het lukt de twee professoren en hun negen onderzoekers niet daarop een eenduidig antwoord te geven.

„Een van de problemen die veel landen met bodemrijkdommen ervaren, is wat we de Dutch disease noemen. Een fenomeen dat in Nederland in de jaren zestig is ontstaan na de ontdekking van aardgasreserves.” In de jaren zeventig werd tot wel tien procent van de staatsbegroting door de verkoop van aardgas gedekt. Sindsdien is de Hollandse ziekte een gangbaar economisch begrip voor overheden die fluctuerende inkomsten uit grondstoffen gebruiken voor blijvende uitgaven. Het gevaar is dat de waarde van een munt stijgt als gevolg van de verkoop van grondstoffen, legt Van der Ploeg uit. Door die waardestijging verslechtert de concurrentiepositie van het land en zakt de export in. Wat weer als gevolg heeft dat de economische productie daalt en de werkloosheid stijgt.

In Nederland zijn de inkomsten uit aardgas uiteindelijk wél ingezet voor duurzame economische ontwikkeling via een fonds, maar dat gebeurt in veel landen die vandaag nog lijden aan de grondstoffenvloek nooit. „Je zou de Dutch disease nu wel de African disease kunnen noemen. Niet alleen wordt er te veel ingezet op louter de export van grondstoffen, veel Afrikaanse overheden plunderen de grondstofvoorraden voor eigen gewin”, zegt van der Ploeg. „Dat is een van de grootste problemen van veel landen waarvan de inwoners nu niet profiteren van de natuurlijke rijkdommen: corruptie.”

Zo’n scenario ligt ook in een zwakke staat als Afghanistan op de loer, beweren kenners. Tel daarbij op de krijgsheren en talibanleiders, die zich veelal verschansen in een aantal onherbergzame gebieden waar juist de delfstoffen te vinden zijn, en je hebt een explosieve situatie. Landen als Congo en Sierra Leone met de oorlog rond de ’bloeddiamanten’ (1991-2002) hebben getoond hoe vreselijk het mis kan gaan als bodemschatten in verkeerde handen komen.

Voor veldonderzoek ging Van der Ploegs team naar Ghana, Kazachstan en Nigeria. In dat laatste land is de zuidelijke Nigerdelta goed voor dagelijks 2,5 miljoen vaten ruwe olie. In 1965 bedroeg het bruto binnenlands product per inwoner uit de olieopbrengsten 33 dollar, in 2000 ging dat al om 325 dollar, schreef Van der Ploeg vorige maand. Maar tegenstrijdig genoeg schoot het percentage Nigerianen dat van minder dan een dollar per dag moet rondkomen omhoog van 26 in 1970 naar bijna 70 in 2000.

„De enorme export van olie heeft de gemiddelde Nigeriaan niet alleen niets opgeleverd, maar zelfs gezorgd voor een slechtere levensstandaard.” Vanwege de olie is de Nigerdelta al decennia het strijdtoneel van rebellen die de overheid en olieconcerns bestrijden, zoals Shell, dat volgens Amnesty International verantwoordelijk is voor grootschalige vervuiling in de delta.

Van der Ploeg: „Veel mensen zijn hun inkomsten uit de visserij kwijt door de milieuvervuiling die de olie-industrie veroorzaakt. Kinderen worden misvormd geboren. De strijd van de Nigeriaanse rebellen is er een van wanhoop.”

Vaak wordt er een direct verband gelegd tussen de aanwezigheid van bodemrijkdommen en een gebrek aan democratie. Vooral in Afrikaanse landen met begeerlijke grondstoffen heft de overheid nauwelijks belasting, maar spekken politici de staatskas en vooral hun eigen zakken met de opbrengst van de grondstoffen. Een bevolking die geen belasting betaalt kan niets eisen van haar overheid, en een overheid die geen belasting eist hoeft geen verantwoording af te leggen aan de burgers, zo is de gedachte.

Het zou dezelfde vloek zijn als die van de ontwikkelingshulp: staatshoofden laten de oren niet naar hun eigen burgers hangen, maar naar donorlanden, zo schreef de Zambiaanse econome Dambisa Moyo vorig jaar in haar bestseller ’Doodlopende hulp’. Een bevolking wordt zo monddood gemaakt, stelt de schrijfster.

„Ik ben het niet zo met Moyo en haar theorie over de ontwikkelingshulp eens”, zegt Van der Ploeg. „Maar zoals ik eerder zei, is corruptie een groot probleem. In Nigeria bijvoorbeeld is het bijna traditie voor machthebbers om te pakken wat ze pakken kunnen in de periode dat ze aan de macht zijn. In landen met veel kostbare grondstoffen zullen regeringsleiders zoveel mogelijk vast blijven houden aan de macht, om zo toegang te blijven krijgen tot de opbrengsten van grondstoffen.”

Het lijkt haast onvermijdelijk dat landen met kostbare grondstoffen slachtoffer worden van corruptie, geweld en armoede. „Maar”, zegt Van der Ploeg, „dat is niet altijd het geval. Botswana, dat vooral diamanten exporteert, is een voorbeeld van een geslaagd Afrikaans land. Het heeft de vloek verslagen door beleid te maken dat op de lange termijn gericht is. Thailand, Maleisië en Indonesië hebben de valkuilen weten te omzeilen door hun economie diverser te maken dan alleen de grondstoffen. Abu Dhabi bereidt zich al voor op het opraken van de olie en breidt de economie uit met petrochemicaliën en kunstmest.”

Betekenen deze voorbeelden dat Afghanistan dus niet is gedoemd te mislukken met haar pas ontdekte rijkdom? „Niet als er ook aan goede instituties wordt gewerkt en er financiële instrumenten worden ontwikkeld waarmee het land om kan gaan met de grote schommelingen in grondstofprijzen. Ik ben er in veel gevallen voor om alle consumptieve uitgaven en investeringen in infrastructuur uit de belastinginkomsten te financieren en de opbrengsten uit bijvoorbeeld uranium, olie en gas in een apart fonds te stoppen, zoals in Noorwegen al jarenlang gebeurt met de opbrengsten uit olie. Die opbrengsten moeten belegd worden, zodat de komende generaties ook nog iets aan de opbrengsten hebben. Maar dat werkt alleen als er al enige vorm van ontwikkeling is. In een land als Ghana, maar ook in Afghanistan, zou ik zeggen: versnel dat ontwikkelingspad en investeer nu meteen in onderwijs, infrastructuur en gezondheidszorg. Zorg dat de schatten onder de grond kunnen worden omgezet in schatten boven de grond.”

Van der Ploeg legt er de nadruk op dat bedrijven en consumenten in landen die de natuurlijke rijkdommen van landen als Afghanistan, Nigeria en Congo afnemen óók een verantwoordelijkheid dragen. „Veel van de problemen in die landen tekenen onze hebzucht en hun grieven.”

In de Verenigde Staten is een eerste stap gedaan om bedrijven te dwingen duidelijkheid te geven over hun rol in de problematiek van ’vervloekte grondstoffen’. President Obama heeft woensdag een financiële hervormingswet ondertekend die bepaalt dat aan de Amerikaanse beurs genoteerd bedrijven bekend moeten maken hoeveel zij betalen aan buitenlandse overheden voor de winning van olie, gas of mineralen uit de mijnbouw. De transparantie moet corruptie tegengaan in landen waar de materialen worden gewonnen.

Onderdeel van de omvangrijke Amerikaanse financiële hervormingswet is een sectie die de verkoop van de zogenoemde ’conflictmineralen’ uit bijvoorbeeld Congo moet tegengaan. Bedrijven die gebruik maken van grondstoffen zoals cassiteriet, wolfraam, coltan en goud – veelal gebruikt voor elektronische apparatuur zoals mobiele telefoons – moeten kunnen aantonen dat de producten die zij verkopen geen materialen bevatten die gekocht zijn bij gewapende groepen.

Lees verder na de advertentie
In Afghanistan bestaat al mijnbouw. Zo wordt in de westelijke provincie Herat steenkool gewonnen. (FOTO EPA) © EPA
Een goudmijn in het oosten van de Democratische Republiek Congo. (FOTO AFP)

Deel dit artikel