Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

God van de Bijbel nam trekken aan van godin Asjera

Home

COKKY VAN LIMPT

'De Verbeelding van God', Bijbels Openluchtmuseum, Heilig Landstichting, t/m 2-11, dagelijks 9-17.30u.

Bij de samenstelling van de expositie in de Heilig Landstichting heeft hij zich laten leiden door het geloof dat (een-en-dezelfde) “God zich sinds onheuglijke tijd bezighoudt met de mens en werkzaam is in de vele religies die onze wereld kent en heeft gekend.” In de wijze waarop in al die verschillende religies mensen zich voorstellingen maken van God en goden vindt hij overtuigende aanwijzingen voor dit geloof. Die verbeeldingen vertonen zozeer gemeenschappelijke trekken dat hij daarin zoiets als een 'gemeenschappelijke waarheid' ontdekt - haast 'archetypische' godsbeelden, misschien wel ingebouwd in de menselijke psyche. Godsbeelden zijn niet zozeer religie- als wel tijd-gebonden zijn, meent hij.

Van Laarhoven probeert aan te tonen hoe het jodendom godsbeelden van andere religies heeft overgenomen, het christendom weer van het jodendom en de islam van beide. Er is archeologisch materiaal te zien, vroegchristelijke ivoren en sculpturen, middeleeuwse beeldhouwwerken, manuscripten en gebruiksvoorwerpen - 130 objecten in totaal. 'De Verbeelding van God' bestrijkt in totaal 4 000 jaar godsbeelden in de drie monotheïstische godsdiensten, maar besteedt om te beginnen ruim aandacht aan het polytheïsme dat eraan voorafging. Op basis van bijbels en niet-bijbels bronnenmateriaal en archeologische vondsten komt Van Laarhoven tot de conclusie dat Abraham volgens de bijbelse overlevering weliswaar aan het begin staat van het oud-testamentische monotheïsme, maar dat de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob in werkelijkheid nog polytheïstisch waren.

Het is aannemelijk, aldus Van Laarhoven, dat de vroege Hebreeuwse stammen religieus nauwelijks verschilden van hun omgeving en dat de aartsvaders een variant aanhingen van de Kanaünitische godsdienst uit de periode 1700-1100 voor Christus - met El als oppergod en Asjera als zijn vrouwelijke tegenhanger en medebestuurster en daaronder de overige drie lagen van het pantheon, lagere goden (helpers) en goddelijke dienaren en boodschappers.

Ook in de Bijbel vindt Van Laarhoven aanwijzingen voor deze veronderstelling, bijvoorbeeld in Exodus 6, waar God tegen Mozes zegt: Ik ben JHWH. Aan Abraham, Isaak en aan Jakob ben ik verschenen als God Almachtig; mijn naam, JHWH, heb ik hun niet geopenbaard. “Het lijkt er bijna op”, schrijft Van Laarhoven in een uitvoerige inleiding bij de tentoonstelling, “dat de auteur zich realiseerde dat JHWH niet de God van de aartsvaders geweest kón zijn. Maar belangrijker is dat ook een God met een andere naam beschouwd mag worden als openbaring van één zelfde God. Dat die God deel uitmaakte van een polytheïstisch pantheon deerde de auteur niet.”

Ook in Genesis zijn er aanwijzingen dat de auteurs van dit bijbelboek vertrouwd waren met de Kanaünitische religieuze gebruiken, bijvoorbeeld in teksten over heilige stenen en bomen, die goden symboliseerden en/of in meer algemene zin een rituele rol vervulden. Jakob richtte bijvoorbeeld een heilige steen op na zijn verbond met Laban.

Bovendien is er op meerdere plaatsen in de bijbel sprake van afbeeldingen van goden, zoals Genesis 31, of I Samuel 19, waar Davids vrouw Mikal David helpt vluchten voor haar vader Saul. Ter misleiding van de boden van Saul legt Mikal dan op Davids plaats in het echtelijk bed de huisgoden en een vlechtsel van geitenhaar.

Hieruit leidt Van Laarhoven af dat zowel het monotheïsme van Abraham als het verbod op het maken van gesneden beelden dat op Mozes teruggaat, veel jonger zijn (8e, 7e eeuw voor Christus) dan de Bijbel doet vermoeden. Hoe dat kan? Van Laarhoven: “De definitieve redactie van het Oude Testament kwam tot stand in een periode waarin de monotheïstische visie rond JHWH concreet vorm had gekregen en een geïdealiseerde visie op de geschiedenis van Israël en Juda was ontstaan. Vooral wat in strijd was met de gewenste monotheïstische identiteit werd bijgesteld.”

Het beeld van de God van Israël verliest door de historische benadering van Van Laarhoven onvermijdelijk zijn exclusieve luister. JHWH zou zich niet, zoals de Bijbel wil, in één keer hebben geopenbaard als 'de enige echte' God van het volk Israël, maar zou die positie pas na verloop van tijd, vanuit een polytheïstische context hebben verworven.

Historisch is het volgens Van Laarhoven ongeveer als volgt in zijn werk gegaan. Rond 1200 trokken Hebreeuwse stammen Kanaün binnen. Een of meer van hen vereerde de woestijngod JHWH. De oudste bronnen gaan in de richting van het bergland van Edom, waar de Midianieten de naam JHWH gebruikten voor hun weergod, de evenknie van Baül, zoon van oppergod El. Ook was JHWH in deze tijd een God met een militair karakter, een beschermer van zijn volk en waar nodig een strijder en veroveraar. Die strijdende rol is in deze tijd ook terug te vinden bij de goden van de omliggende volken, zoals wederom Baül en de Fenicische vechtjas Resjef. Baül en Resjef werden ook afgebeeld als strijdende goden.

De expositie toont daar mooie voorbeelden van: bronzen beeldjes van oorlogsgoden, met opgeheven hand en sterke arm. Volgens Van Laarhoven hebben de stammen die JHWH als veroveraar vereerden niet geaarzeld om hem op dezelfde wijze af te beelden. Bijbelteksten, ook nog in latere tijd, beschrijven hem ook in die gedaante: Want Ikzelf strijd tegen u met opgeheven hand, met sterke arm, in hevige toorn en verbolgenheid. Alles wat in de stad woont sla Ik neer, mens en dier; door een vreselijke pest komen zij om (Jeremia 21).

Van strijdende god, op één lijn met goden als Baül en Resjef, schoof JHWH langzaam maar zeker op naar de hoogste trede van de goddelijke hiërarchie, die van de oppergoden. Hij nam de plaats in van oppergod El, naast Asjera, en evenals El werd hij voortaan 'koning' genoemd. Op de tentoonstelling is een ivoren inlegwerk te zien uit Megiddo (Israël) met een God of een vorst op een troon met een cherubs. Dit beeld van een tronende god wordt aangetroffen bij andere Kanaünitische goden en is vertrouwd uit de Fenicische en Syrische kunst, maar is ook terug te vinden in de Bijbel: JHWH de God die op de cherubs troont (2 Koningen 19 en Psalm 80).

In Jesaja 6 heet JHWH Heer van de machten en in Jozua 22 God der goden. Dat kan betekenen dat JHWH verheven was boven de goden van andere volkeren, maar ook dat hij de oppergod was van een jahwistisch pantheon. Van Laarhoven neigt op basis van buitenbijbels en archeologisch bronnenmateriaal naar het laatste. Teksten en inscripties uit de 8e en zelfs 5e eeuw maken melding van JHWH en zijn Asjera. En een tekst van de profeet Bileam, opgegraven in de Jordaanvallei, beschrijft een visioen waarin de Sjadaj-goden voor een vergadering bijeenkwamen. Was Asjera, vraagt Van Laarhoven zich af, misschien de Koningin van de hemel voor wie de inwoners van Jeruzalem offerkoeken bakten? (Jeremia 7). Of staat zij voor de 'Wijsheid' (Spreuken 8)? Hoe het ook zij, Van Laarhoven concludeert dat JHWH onder de koningen van Juda en Israël zijn hemelse troon deelde met een godin met op de vruchtbaarheid gerichte taken. De expositie toont een verzameling in Israël gevonden vrouwenbeeldjes van klei uit circa 700. Hun enorme borsten kunnen duiden op de vruchtbaarheidscultus rond Asjera, die waarschijnlijk een belangrijke rol speelde in oude liturgische praktijken. In diezelfde tijd liet koning Manasse een beeld van Asjera opstellen in de tempel van Jeruzalem (2 Koningen 21).

Na het beeld van de 'strijdende god', gevolgd door de 'God der goden' doet in de periode 750-586 v. Chr. de oriëntatie op astrale symboliek haar intrede in de joodse religieuze beeldtaal. De zon, de maan en de achtpuntige ochtendster waren karakteristiek voor de religies van Mesopotamië in dit tijdvak. Deze lichtsymboliek is ook weer terug te vinden in de oud-testamentische beeldtaal: God als licht der wereld; JHWH, U bent mijn lamp; JHWH die mijn duisternis verlicht (2 Samuel 22). Het bij uitstek joodse lichtmotief is natuurlijk de zevenarmige kandelaar, de menora.

De zon, die in Egypte en Mesopotamië werd gezien als een van de belangrijkste goden, wordt ook in het Oude Testament gebruikt als symbool voor God: Uit de ene einder klimt hij omhoog en zijn omloop reikt tot de andere einder. Niets kan zich onttrekken aan zijn gloed (Psalm 19) en De Heer is een zon, de Heer is een schild (Psalm 84). Het zonnemotief als aanduiding van JHWH is ook terug te vinden in de gevleugelde zonneschijf, die prijkt op het koninklijk zegel en symbool voor Juda. Op de expositie zijn enkele oren van voorraadkruiken te zien, die dit stempel dragen.

De lichtsymboliek keert later terug in de islam. En dit islamitische godsbeeld - God als het Eerste Absolute Licht - heeft dan weer invloed op middeleeuwse Europese denkers, zoals de 12e-eeuwse mystica Hildegard von Bingen. Ook in de huidige, 20e eeuw is licht weer populair in de religieuze beeldtaal.

Na de Babylonische ballingschap (538-300 voor Christus) werd het monotheïsme steeds belangrijker. Slachtoffer van dit nieuwe, mannelijke godsbeeld was Asjera. Het verdwijnen van het vrouwelijke element lijkt, aldus Van Laarhoven, gecompenseerd te worden doordat JHWH de kwaliteiten van Asjera naar zich toe trekt door voortaan de zorg voor de vruchtbaarheid als zijn taak te beschouwen. De expositie toont een curieus miniatuur uit het Engelse 'Gebedenboek van Aelfwine' (ca. 1025), waarop de Drie-eenheid en de moeder Gods zijn afgebeeld. Het miniatuur toont de Vader en de Zoon met naast hen Maria met haar kind. De Heilige Geest is als een duif op Maria's hoofd neergestreken, een toespeling op haar middeleeuwse aanspreektitel 'Zetel der Wijsheid', en zij draagt de kroon van de 'Koningin van de hemel', een titel die, zo merkt Van Laarhoven op, in een ver verleden óók werd gebruikt voor Asjera.

Is het monotheïstische godsbeeld eenmaal stevig gevestigd, dan wordt God steeds vaker geroemd om zijn barmhartigheid en liefde. Vanuit dit beeld ontstaat dat van God de Vader, een beeld wat zich weer voortzette in het christendom. God als barmhartige, erbarmer keert weer nadrukkelijk terug in de islam, die er het meest bekaaid afkomt op de tentoonstelling.

De ontwikkeling van de christelijke beeldtaal krijgt daarentegen ruim aandacht: non-figuratieve beelden van God - de alfa en de omega, de hand van God, de lege troon - en figuratieve beelden van Christus de Zoon - de goede herder, Christus als leraar, rechter en heerser, Christus de gekruisigde, de lijdende, strijder tegen onrecht en voorvechter van onderdrukten.

De aparte afdeling voor de verbeelding van de Drie-eenheid is bijzonder interessant en curieus. Het is duidelijk dat kunstenaars met de weergave van de 'Ene God in drie personen' nogal wat moeite hebben gehad. Dit leidde onder andere tot voorstellingen van een God met drie hoofden of driehoeken met daarin het 'oog van God', zoals in de Bossche St. Jan.

Deel dit artikel