Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

God mag weer in de letteren

Home

JAAP GOEDEGEBUURE

Romans en poëzie met een religieus thema krijgen volgens Jaap Goedegebuure een vriendelijker onthaal. De 'koudwatervrees' van de literatuurcritici ligt achter ons - als de besproken schrijvers maar niet recht in de christelijke leer zijn.

Jaap Goedegebuure (Sint-Annaland, 1947) is Neerlandicus en emeritus hoogleraar moderne letterkunde. Hij recenseert literatuur voor Trouw.

Onlangs was Joost Zwagerman druk doende om zijn kloeke verzameling essays over de Amerikaanse cultuur aan de man te brengen. In een Haagse boekhandel hoorde ik hem daarbij iets opmerkelijks zeggen. In de VS, zo had hij vastgesteld, kon je zonder enig bezwaar religieus zijn en tegelijkertijd (of in nauwe samenhang daarmee) als vernieuwend en vooruitstrevend schilder of schrijver bekendstaan. In Nederland daarentegen heerste er op dat punt een beklemmende koudwatervrees, om maar niet van een taboe te spreken. Veel kunstkenners en literatuurspecialisten, dat wil zeggen mensen die er stelselmatig van uitgaan dat zij het verlichte en welden- kende deel van de natie vertegenwoordigen, beschouwen religie als een historisch relict dat buiten de Amsterdamse grachtengordel nog schijnt te bestaan, maar daarbinnen alleen nog maar een meewarig lachje opwekt.

Zwagerman noemde de dichter, romancier, toneelschrijver en essayist Willem Jan Otten, nu zo'n vijftien jaar geleden toegetreden tot de rooms-katholieke kerk. Hij had moeilijk een sterkere casus kunnen kiezen. Otten staat voor wat hij gelooft en draagt dat als schrijver met verve en overtuiging uit. En hij krijgt er al anderhalf decennium lang smalende commentaren over te horen, van Rudy Kousbroek ('Kom terug, Willem Jan'), Carel Peeters en Atte Jongstra in de jaren negentig, tot en met Erik Menkveld en Mark Cloosterman onlangs.

Het verhalende gedicht 'De vlek' (2011) dat op een indirecte manier de navolging van Christus verbeeldt, werd door Menkveld afgedaan als 'een te nadrukkelijke, katholieke zoekplaat'. Cloosterman kwalificeerde het als een 'mierzoete praline' die zo vol zat met katholieke elementen en symboliek 'dat het steeds moeilijker wordt haar serieus te nemen'. Terecht constateerde Otten in het Nederlands Dagblad naar aanleiding van de hem toegekende P.C. Hooftprijs, dat bij alle openheid voor religie en spiritualiteit de deuren weer dichtgaan zodra het gesprek de kant van het christelijk geloof op gaat. Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan de rabiate reacties op zijn drama 'Braambos' (2004) en de polemiek die hij uitlokte met zijn aanval op 'de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie geloof' in het essay 'Het wonder van de losse olifanten' (1999).

Een vergelijkbare bejegening ondervond Ottens echtgenote Vonne van der Meer, evenals haar man op latere leeftijd van agnost katholiek geworden. In haar geval was de recentelijk verschenen roman 'Het smalle pad van de liefde' het doelwit. Inge van der Blink (AD) noemde de religieuze wending aan het slot van dat boek 'slaapverwekkend', Marja Pruis (De Groene Amsterdammer) nam de term 'zondagsschool' in de mond, en Arie Storm (Het Parool) vond de hoofdpersoon maar een dom vrouwtje.

Ook minder religievijandige recensenten hadden moeite met de tamelijk abrupte bekering van de heldin. Maar zij hadden niet de behoefte om de schrijfster een extra trap te verkopen, een trap die werd ingegeven door andere sentimenten dan compositorische bezwaren.

Toch staan de geciteerde opmerkingen van Menkveld, Cloosterman, Van der Blink, Pruis en Storm niet op zichzelf. Ze klinken als de echo van het honende koor dat bij monde van Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek en Michaël Zeeman anno 1997 werd aangeheven toen de CPNB als boekenweekthema had gekozen voor 'Mijn God'. "'t Christendom zakt nu van slapte haast door de benen en bedelt wat bij de achterdeur", monkelde Komrij. "Wat moet een schrijver er al helemaal mee?"

Een auteur als de ongelovige gelovige Frans Kellendonk, die de christelijke erfenis niet klakkeloos aanvaardde maar om en om keerde, beklopte en er het nodige op afdong, had eerder al te horen gekregen dat hij er beter aan deed om de doodverklaarde boel de boel te laten. In zijn recensie van de spraakmakende roman 'Mystiek lichaam' (1986) liet Carel Peeters weten dat hij de door Kellendonk duchtig opgeschudde Bijbel maar een achterlijk boek vond.

Wie er frequent in las, zoals Kellendonk, liep het gevaar intellectueel te verdorren.

De aversie tegen schrijvers en dichters die een brug willen slaan tussen hun geloof en hun kunst beperkt zich niet tot de literaire dag- en weekbladkritiek. Ook de letterkundige geleerdenrepubliek is in het geweer gekomen om de schone letteren te vrijwaren van christelijke smetten.

Uitgesproken protestantse en katholieke auteurs, zoals Willem de Mérode en Jan Engelman, kregen in literatuurgeschiedenissen een bescheiden plaatsje aan de periferie toegewezen. Gecanoniseerde oeuvres, dat van Martinus Nijhoff voorop, werden zoveel mogelijk van een christelijke inslag gereinigd.

Ook de gekwelde godzoeker Gerrit Achterberg moest je liever niet in verband brengen met geloof en gelovigheid. En de overgang van Gerard Reve tot de kerk van Rome deed men lang af als de publiciteitsstunt van een komediant, totdat de schrijver zelf het nuttig oordeelde om dit gangbare verhaal het tegenwicht te geven van 'Moeder en Zoon' (1980), een bekeringsgeschiedenis in de ware zin van het woord, en meteen daarna in zijn 'Brieven aan Josine M.' (1981).

Ik werd weer eens met de academische koudwatervrees geconfronteerd toen ik me de afgelopen maanden in het werk van Nijhoff (1894-1953) verdiepte en getroffen werd door de frequentie waarmee deze dichter en criticus God ter sprake brengt. Dat neemt niet weg dat je er volgens kenners verkeerd aan doet om Nijhoff een christelijk dichter te noemen. Hoogleraar Gillis Dorleijn heeft daar jaren geleden al een taboe over uitgesproken. Dat Nijhoff tal van gedichten heeft geschreven over bijbelse onderwerpen, drie liturgische lekespelen op zijn naam heeft staan en aan het eind van zijn leven intensief meewerkte aan een nieuwe psalmberijming maakt hoegenaamd geen indruk. Hooguit wil Dorleijn een klein eindje meegaan met Gerrit Komrij die Nijhoff ooit typeerde als een 'mystieke heiden'.

Bij Komrij's karakteristiek van Nijhoff wil ik graag aantekenen dat wie de mystiek ter sprake brengt, de voordeur misschien wel dichthoudt, maar de achterdeur op een kier laat staan en zo insluipers als God of het goddelijke, of het Een en Al, of het Niets, of een andere metafysische categorie, volop gelegenheid geeft om hun slag te slaan. Nijhoff zelf zou zich daarover niet ongerust hebben gemaakt, sterker nog: hij zei zich tamelijk op zijn gemak voelde bij theologische speculaties, al maakte hij meteen ook duidelijk dat hij God liever in het hier en nu zocht dan in de ijle hoogten waar hij zijn dwaze bijen liet opstijgen en bevriezen.

Want in één opzicht kan ik het met Dorleijn eens zijn: orthodox-christelijk was Nijhoff beslist niet. De suggestie van een existentiële crisis die door zijn debuutbundel 'De wandelaar' (1916) wordt gewekt sluit twijfel aan of zelfs kritiek op Gods bedoelingen in. De ik-figuren die in 'De wandelaar' aan het woord komen, ervaren het bestaan als iets waar ze tegen wil en dank in terecht zijn gekomen en zien zichzelf als een speelbal in handen van een onkenbare en ongrijpbare macht. God is voor hen een niet te mis- of ontkennen realiteit, een muur waar men tegen te pletter loopt:

God, die ons pijlen zendt, en in dien wemel

Lacht als één onzer hoog als Babel gaat:

De zon verdedigt, vader, uw gelaat,

Blind zien uw kindren opwaarts naar uw hemel.

Het levensgevoel dat Nijhoff in de beginfase van zijn dichterschap benoemt, laat verwantschap zien met Kafka en Sartre, de een de romancier, de ander de filosoof van het twintigste-eeuwse existentialisme. Maar anders dan deze twee bleef Nijhoff niet staan bij de gedachte dat we zijn geworpen in een wereld die we niet kunnen begrijpen en maar ternauwernood aanvaarden. Kenmerkend is de manier waarop hij zich afzet tegen de befaamde claim van Tachtiger Willem Kloos, die zich een god in 0het diepst van zijn gedachten waande. Nijhoff schetste een alternatief godsbeeld. "God is in de realiteit, of Hij bestaat voor ons niet. Het Christelijk geloof is alleen nog aldus te aanvaarden: God heeft zijn Zoon (d.i. zijn voor mensen kenbare openbaring) in de wereld, in de werkelijkheid gezonden. Daar is Hij nog, of Hij is nergens. De opstanding is een geloofsdroom, gaat onze kennis als zodanig te buiten. Gods mystiek Lichaam blijft in de wereld begraven."

In 'De wandelaar' valt te lezen:

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:

Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.

Het leven breekt zich in het bont gebeuren,

En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

'Het witte licht' staat voor de ijle metafysische hoogten. Zoals ultraviolet in de dampkring uiteenvalt in de kleuren van de regenboog, zo breekt en sterft de buitenaardse god in deze wereld, wordt mens onder de mensen en stort zich uit 'in liefde en woorden'. Het is voor het eerst dat Nijhoff het christelijke leerstuk van de incarnatie (dat wil zeggen de menswording van het abstracte woord) verweeft met de overtuiging dat ook het woord van de dichter vlees dient te worden - in de werkelijkheid moet wortelen. En toch bestrijdt Dorleijn dat Nijhoff een christelijk dichter was.

Gedurende het laatste decennium is in de neerlandistiek een voorzichtig begin gemaakt met het opruimen van de weerstand, of liever de weerzin, tegen de van spiritualiteit doortrokken literatuur. Mede dankzij een sedert de jaren tachtig ontstaan klimaat waarin auteurs als Andreas Burnier, Oek de Jong, Frans Kellendonk, Willem Jan Otten, Vonne van der Meer en Désanne van Brederode weer onbekommerd over God en geloof konden spreken, zijn academische letterkundigen op zoek gegaan naar religieuze sporen in de literatuur van de twintigste eeuw.

Baanbrekend was de in 1999 verschenen studie waarin Jan Oegema betoogde dat dichter Lucebert geen mysticus bij wijze van spreken was geweest, maar een geroepen ziener die gedreven werd door het verlangen het vlees woord te laten worden en werkelijkheid en mythe in elkaar te laten overvloeien, zoals de Duitse romantici anderhalve eeuw eerder ook al hadden gepoogd.

Oegema's voorbeeld kreeg in 2002 navolging van Jef Bogman, die overtuigend liet zien hoe Paul van Ostaijen uit de traditionele christelijke mystiek poëtische vonken wist te slaan. Puttend uit tot dan toe nauwelijks benutte bronnen maakte Bogman duidelijk dat Van Ostaijen zich grondig had verdiept in Meister Eckhart en andere christelijke mystici. Van Ostaijens opvattingen over de analogie tussen het goddelijke en het bovenindividuele en het daarop gefundeerde pleidooi ten gunste van een abstracte kunst en een 'zuivere lyriek' vallen voor een belangrijk deel te begrijpen als de uitwerking van Eckharts streven naar onthechting en ontpersoonlijking. Zelf heb ik bijgedragen aan de bijstelling van een vastgeroest beeld met mijn boek Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010 en de door Oek de Jong en mij samengestelde essaybundel 'Eckhart Nu'.

Sinds enige tijd begint het erop te lijken dat ook dag- en weekbladcritici (de al genoemde negatieve reacties op Willem Jan Ottens gedicht 'De vlek' en Vonne van der Meers roman 'Het smalle pad van de liefde' daargelaten) zich wat ontvankelijker en toleranter opstellen wanneer ze worden geconfronteerd met schrijvers die hun levensbeschouwing incorporeren in hun werk. Was NRC in het verleden hét podium voor religiekritiek, nu kregen Vonne van der Meer en Stevo Akkerman er recentelijk een welwillende ontvangst van criticus Arjen Fortuin. Ze werden niet alleen literair geprezen, ook hun religieuze thematiek werd met respect behandeld. Dat Jan Siebelinks 'Knielen op een bed violen' niet alleen succesvol was bij een groot en breed samengesteld publiek, maar ook bij literaire voor- en fijnproevers en bij de jury van de prestigieuze AKO-prijs, is zeer veelzeggend.

Je mag gerust spreken van een nieuwe openheid, en dat van meer dan één kant. Onkerkelijke politici als Job Cohen en Frits Bolkestein onderstrepen het belang en zelfs de wenselijkheid van 'bezielde verbanden', omdat die in hun visie bijdragen aan de maatschappelijke cohesie. De wrok van een ex-calvinistisch auteur als Maarten 't Hart heeft plaatsgemaakt voor het bijna liefdevol omzien van de ex-calvinistische Franca Treur. En de lezers van Treur, Siebelink, Otten, Van der Meer en andere schrijvers die zich op een of andere manier met het onderwerp 'religie' inlaten, hebben nog het minst last van koudwatervrees.

Wat ik in de kantlijn van Nijhoffs poëzie en poëtica heb aangetekend, moest allereerst dienen als illustratie van een opvatting die ik nu pas, bij wijze van slotsom, formuleer: hoe onorthodoxer, vrijer, creatiever een schrijver met de hem toegevallen religieuze erfenis omgaat, des te beter dient zij of hij de zaak van de literatuur, die per definitie gebaat is bij het verleggen van grenzen en het scheppen van geestelijke vrijheid. Dogmatisch mag een schrijver nooit zijn, niet als schrijver en dus ook niet als gelovige.

De interessantste onder de religieus geïnspireerde schrijvers zijn zij die net als Nijhoff tornen aan de overgeleverde en vastgeroeste dogma's.

Ik denk dan aan Gerard Reve die God wanhoop en eenzaamheid toedichtte, aan Désanne van Brederode die in haar roman 'Wees gegroet waarlijk lichaam' even indringend als confronterend schreef over het sexappeal van de Gekruisigde, aan Willem Jan Otten die op momenten van heldere kou maar al te goed lijkt te beseffen dat geloven een kwestie is van doen alsof, acteren, iemand of iets aanwezig doen worden op een manier waarvoor je je theatrale vermogens, tot het uiterste toe, moet exploiteren.

Die laatste overweging brengt me als vanzelf bij Frans Kellendonks fameuze frase dat het geloof een kwestie is van 'oprecht veinzen'. God, zo zag een moe geworstelde Kellendonk ten slotte in, troont op de gezangen der mensen, en heilig is wat door ons geheiligd wordt.

Als er vandaag de dag, tegen de schijn van alle anti-religieuze oprispingen in, een wat milder en dus artistiek ook gunstiger klimaat heerst voor religieuze literatuur en literaire religie, dan heeft Kellendonks even sceptische als bemoedigende houding daar zeker toe bijgedragen.

Koudwatervrees voor religie in de literatuur
Eind 2003 repeteerde Het Toneel Speelt Willem Jan Ottens 'Braambos'. Het stuk draait om een verkrachting en de vraag of vergeving door opoffering mogelijk is. De première dreigde niet door te gaan, doordat de acteurs dienst weigerden, hoofdrolspeelster Ariane Schluter stond al bij de artiestenuitgang. "Toneelmensen houden niet van de geur van theologie en geloof", vertelde dramaturg Ronald Klamer later. Door zijn ingrijpen kon de licht aangepaste voorstelling alsnog doorgaan.

Deel dit artikel