Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

God is dood en in Zijn kielzog neemt hij de koning mee

Home

door Paul Cliteur

De monarchist is eeuwenlang ervan uitgegaan dat God bestaat en dat God de koning helpt. De koning, in het bijzonder de grootste kluns van een koning, wordt altijd nog geholpen door de Almachtige. Maar nu God dood is, kan de koning niet langer de pretentie hebben voor de Grote Roerganger te spreken, dan is hij niets anders dan iemand uit een goede familie. En hoe je het ook wendt of keert - dat is veel te weinig grond om iemand met 'majesteit' aan te spreken. De filosoof Paul Cliteur over de verwoestende legitimatiecrisis van het koningshuis.

Voor de navigatie van een schip kiest men van de passagiers niet degene die van de beste familie is', schreef de Franse wiskundige en filosoof Blaise Pascal (1623-1662) drie eeuwen geleden. Het is een voor de hand liggende gedachte. Men vindt dit inzicht regelmatig verwoord in de politieke filosofie, onder andere in de dialogen van Plato. Het besturen van een schip vergt een speciale kunde - stuurman of kapitein, niet iedereen heeft daarvoor de vereiste kwaliteiten.

Nu zal wel duidelijk zijn dat de politieke filosofen die hierop wijzen, niet beogen om een bijdrage te leveren aan theorievorming over zeemanskunst. Hun opmerking heeft een bredere strekking. Wat men tot uitdrukking wil brengen is dat ook voor het besturen van het schip van staat men over bepaalde kundigheden zou moeten beschikken.

Maar wanneer men dat inzicht eenmaal heeft geformuleerd is nog niet duidelijk wat het precies betekent. Men kan er twee kanten mee uit. Het argument wordt bij Plato gebruikt als punt van kritiek op democratie. Immers, hoe kan het gewone volk competent worden geacht in politieke aangelegenheden wanneer men van de politiek geen speciale kennis heeft? Het inzicht van Pascal wordt dus tegen de democratie gebruikt. Men kan het echter ook gebruiken om een aristocratisch bewind of om de monarchie mee te kritiseren. Republikeinen vragen aan de monarchisten wat voor dunk zij hebben van het koningschap wanneer zij van mening blijken te zijn dat elke telg uit een geslacht, zelfs de domste, het ambt van koning krachtens geboorterecht kan vervullen.

Theocratie als basis voor monarchie

De republikein maakt hier een punt, denk ik, maar hij geeft zich ook onvoldoende rekenschap van het wereldbeeld waarvan de monarchie als essentieel onderdeel werd gezien. De republikein gaat ervan uit dat de koning alleen staat in zijn zware taak. Maar dat is nu juist de vraag. De monarchist is eeuwenlang ervan uitgegaan dat God bestaat en dat God de koning helpt. De koning, in het bijzonder de grootste kluns van een koning, wordt altijd nog geholpen door de Almachtige. Elke monarchie is au fond een theocratie. We vinden de echo van die gedachte op het randschrift van de gulden. Het staatshoofd regeert 'bij de gratie Gods'. In de gehele geschiedenis van de mensheid is dan ook altijd een relatie verondersteld tussen koningschap en God, troon en altaar. Dat komt niet alleen tot uitdrukking in het 'God, Nederland en Oranje' van onze lage protestantse landen, maar men vindt het ook in het katholieke Frankrijk van de zonnekoning. 'De staat, dat ben ik' betekende niet: 'Ik, Lodewijk de veertiende, zit op de troon om mijn hoogstpersoonlijke grillen bot te vieren'. Nee, de pretentie was altijd: 'Ik, koning, heb een speciale band met de Allerhoogste en krachtens die band kan ik de zware taak die op mijn schouders rust met succes volbrengen'.

Daar is natuurlijk ook geen speld tussen te krijgen. Wie regeert terwijl een almachtige, algoede Grote Regeerder meekijkt, bijstuurt, corrigeert of zelfs een incompetent vorst van zijn troon ontheft (bijvoorbeeld door hem met een dodelijke ziekte te slaan), heeft een ijzersterke legitimatie voor zijn bestuursmacht. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat alle grote apologieën voor het koningschap de relatie tussen de vorst hier beneden en de vorst daarboven zwaar hebben aangezet.

Volgens mij is deze relatie tussen koningschap en God een in republikeinse kringen altijd wat onderschat punt. Men vraagt zich verontwaardigd af hoe het nu toch mogelijk is dat monarchisten ervan uitgaan dat de grootste kluns het ambt van staatshoofd kan bekleden. Maar zij vergeten dat die kluns - althans in de voorstelling van de monarchisten - nooit op eigen gezag opereert. Hij is als het ware 'geïnspireerd'. Hij treedt op als buikspreker van God en vandaar ook die verstandige dingen die koningen plegen te vertellen.

Men moet die koningen vergelijken met de apostelen van Jezus Christus. Hoe konden die arme vissers die Jezus zomaar van haard en huis had weggeplukt ineens het evangelie uitdragen? Ontbrak het hen daarvoor niet allereerst aan zoiets prozaïsch als talenkennis? Geen nood, God schiet te hulp. Hij laat de Heilige Geest op hen neerdalen en ineens hebben zij de gave van het woord.

Iets dergelijks geldt ook voor koningen met de geestelijke bagage van een visser. God helpt.

De vraag is dan natuurlijk wel hoe dat moet in een tijd van secularisatie. 'God is dood', zegt Nietzsche en zelfs de theologen lijken hem dat tegenwoordig na te zeggen. Wat betekent dat voor onze staatshoofden? Die moeten nu op eigen kracht, zonder goddelijke leiding en raadgevingen, hun ambt vervullen. Zijn zij daartoe wel in staat?

Daar zijn vaak vraagtekens bij geplaatst en zeker niet alleen door anarchisten en socialisten van het Domela-Nieuwenhuis-type. Om de christelijke apologeet Pascal, bepaald geen revolutionair, nog een keer aan te halen: 'De macht van de koningen berust op het verstand en op de dwaasheid van het volk, en verreweg het meest op de dwaasheid'. Aldus Pascal. Maar we kunnen het ook iets dichter bij huis zoeken, bij het standpunt van de door mij vanwege zijn stijl en trefzekere typeringen bewonderde gereformeerde historicus A. Th. van Deursen.

In ga even een paar jaar terug, naar 1997. Toen schreef Van Deursen een intrigerend stukje naar aanleiding van een interview door Paul Witteman met kroonprins Willem-Alexander op 11 september van dat jaar. Van Deursen neemt dan de visie op de korrel dat het mysterie van het koningschap niet meer zou bestaan. Van Deursen ontkent dat. Hij meent dat al die duizenden mensen die rouwden toen prinses Diana bij een ongeluk omkwam niet rouwden om de dochter van een Engelse graaf of de minnares van een Egyptische miljonair. Nee, er werd een prinses ten grave gedragen. 'Daarom alleen was de belangstelling zo massaal', zegt Van Deursen. Het koningshuis is in de vorige eeuw sterk in populariteit gedaald, maar 'dankzij het mysterie bleef het voortbestaan', meent Van Deursen.

Ik vraag mij af of dit juist is. Immers in het vervolg van zijn stukje wordt ook door Van Deursen het mysterieuze van het koningschap trefzeker ontmaskerd. Hij gaat daar namelijk in op de relatie tussen koningschap en godsdienst - het punt waarom het ons nu gaat. Van Deursen prijst de prins omdat deze als essentieel voor het koningschap wees op drie zaken. Allereerst: kennis van zaken. Als tweede: een stabiel thuisfront. En als derde: een persoonlijke geloofsovertuiging. Het gaat mij nu om dat laatste. De interviewer Witteman opperde nog dat het wellicht geen pas zou geven in een pluriforme samenleving dat een koning voor één geloofsopvatting zou kiezen. Deze opmerking schoot Van Deursen in het verkeerde keelgat. Hij citeert Groen van Prinsterer: onpartijdig kan slechts hij zijn die partij kiest. En daarbij kan ook een koning zijn eigen geloof nooit onder stoelen of banken steken. Ook voor de koning of aanstaand koning geldt dat hij er een religieus geloof op na moet houden. Maar wat voor religieus geloof?

Hier moest zelfs Van Deursen zich over de prins toch enigszins kritisch uitlaten. De prins had zich namelijk nogal personalistisch over dat geloof uitgelaten. Hij had geen melding gemaakt van het officiële orthodoxe geloof ('God, Nederland en Oranje' - woorden die bij Van Deursen overigens niet vallen), maar hij bleek een aanhanger van de meer persoonlijk getinte geloofsbeleving waarvan zo velen tegenwoordig in de ban zijn. Van Deursen wijst dat af; 'Geloof zal altijd gemeenschap zoeken', zegt hij. En verder: 'Gelovig en onkerkelijk gaan moeilijk samen'. Dat laatste punt zou de prins nog moeten ontdekken, zegt Van Deursen subtiel, maar toch onmiskenbaar belerend.

Wat maakt deze visie nu zo interessant? Van Deursen voert eerst op dat de aantrekkingskracht van de vorst berust op een mysterie. Maar naar mijn idee is de luister van het koningschap helemaal niet zo mysterieus. De aantrekkingskracht van een koning is gebaseerd op een heel duidelijk en rationeel te begrijpen idee. De aantrekkingskracht van een koning berust op de idee dat hij iets hogers representeert, iets bovenmenselijks. En dat bovenmenselijke heeft hij krachtens zijn band met God. Als je d t, die band met God, van een koning afhaalt, blijft er niet veel van over. Of liever; er blijft een gewoon mens over, met al zijn beperkingen en fouten. Dat hogere, dat bovenmenselijke is dus onontbeerlijk voor de legitimatie van het koningschap. Haal d t ervan af en wat resteert is - om met Pascal te spreken - iemand uit een goede familie.

Maar over de aard van dat 'hogere' moeten we dan nog wel enige helderheid verschaffen. Hier wordt het tweede deel van het stukje van Van Deursen relevant, het deel waarin hij kritisch constateert dat de prins nog moet ontdekken dat gelovig en onkerkelijk moeilijk samengaan. Wat bedoelt Van Deursen daarmee? Hoe kan hij dat zeggen? Het is toch duidelijk dat tegenwoordig talloze mensen niet meer naar de kerk gaan, maar wel een of ander soort religiositeit kennen? Waarom zou de kroonprins zich dan niet mogen overgeven aan die ongebonden religiositeit?

Het antwoord op die vraag is eenvoudig: omdat een dergelijk soort geloof niet toereikend is voor het verschaffen van de bovenwillekeurige legitimatie van het koningschap dat het koningschap nodig heeft om te kunnen voortbestaan. Het koningschap vaart alleen wel bij een bepaald soort geloof.

Het soort religieus geloof dat nodig is ter ondersteuning van het koningschap

Zoals bekend is het de religie die zich bezighoudt met dat hogere. Religie is echter een heel breed fenomeen. Volgens sommigen houdt de religie zich met het 'mysterie' bezig. De Duitse theoloog Rudolf Otto (1869-1937) schreef in 1917 een boek over het 'heilige' (Das Heilige). Hij probeerde daarin het verschijnsel religie te omschrijven. Kenmerkend voor religie zou zijn 'het numineuze'. Dat manifesteert zich in een tweetal gedaanten; als een mysterium tremendum, een mysterie van het 'geheel andere' dat de mens in zekere zin angst zou aanjagen, en als een mysterium fascinosum, een mysterie dat de mens aantrekt en dat hem fascineert.

Mijn vraag is nu deze. Kunnen wij met een dergelijk begrip van religie iets beginnen als legitimatie voor het koningschap? Ik denk het niet. Het is veel te breed en te vaag. Wat heeft een koning aan een mysterie dat de mens aantrekt en hem fascineert? Wat hij nodig heeft zijn concrete raadgevingen.

We zullen ons religiebegrip dan ook moeten inperken om de relatie tussen troon en altaar op het spoor te komen. Bij religie in de voor het koningschap relevante vorm gaat het, denk ik, om godsdienst; het dienen van een als een persoonlijke macht voorgestelde god.

Nu dienen zich ook dan weer verschillende mogelijkheden aan: verschillende goden of één god. Dat meervoud, de goden, brengt ons bij de Grieken.

Bij de oude Grieken komen we regelmatig tegen dat koningen bij de goden te rade gaan. Maar zoals men kan nalezen bij Homerus hadden die Grieken wel een probleem. Die goden van de oude Grieken waren het met elkaar oneens. Zij bevochten elkaar, net zoals mensen dat doen. Er viel op hun aanwijzingen voor het menselijk bestuur dan ook geen staat te maken. Het is, denk ik, dit feit dat heeft bijgedragen aan de gedachte dat we als mensen moraal en recht op een andere dan goddelijke grondslag moeten grondvesten. Men vindt dat bijvoorbeeld duidelijk bij Socrates wiens gedachten op dit punt worden verwoord in Plato's dialoog Euthyphro. Het centrale thema van die dialoog is de vraag of we ons voor morele beslissingen kunnen oriënteren op goddelijke dictaten als de goden allemaal verschillende opdrachten aan ons opleggen. En Socrates zegt 'nee'. Als we worden geconfronteerd met verschillende goddelijke decreten zullen we als mensen toch moeten kiezen. En welke decreet volgen we dan? Het decreet dat ons het meest redelijk en wijs voorkomt. Kortom, we varen op ons eigen kompas.

Veel duidelijker is die band tussen godsdienst en politiek bestuur bij de monotheïstische godsdiensten, in onze cultuur vooral tot uitdrukking komend in het christendom. Daar, in het christendom, vinden we dan ook de meest innige band tussen koningschap en godsdienst. Het begint met Constantijn de Grote (dat laatste, de kwalificatie 'de Grote', is een product van christelijke loftuiting) die aan de hemel het kruisteken ziet staan en dan weet dat alleen als hij het christendom zal accepteren, hij een belangrijke veldslag met vertrouwen tegemoet kan zien. Sindsdien is er één God, de christelijke god, die een speciale relatie onderhoudt met de vorst. Hij, God, vertelt wat moet gebeuren. En de vorst moeten we gehoorzamen, omdat hij niet namens zichzelf of zijn familie spreekt, maar namens één specifieke god die een speciale band onderhoudt met het betreffende koningshuis. We spreken dan ook wel van God met een hoofdletter.

Essentieel voor een overtuigende legitimatie van het koningschap is het geloof in een god als persoon. Die persoon moet het bovendien goed voor hebben met zijn volk. Ook moet hij wat kunnen. Wat heb je aan een onmachtige god? En zo krijgen wel langzaamaan de contouren in zicht van het orthodoxe godsbegrip van een almachtig, algoed heerser die zijn bedoelingen aan mensen communiceert, althans een bepaald soort mensen: priesters, koningen en een paus. Niet aan iedereen dus. Dat was wel een gevaarlijke trek van het protestantisme natuurlijk, namelijk dat in zijn meest radicale vorm er geen 'interpreten' meer nodig waren van de goddelijke boodschap.

Vervolg op pagina 46

God is dood en in Zijn kielzog neemt hij de koning mee

Vervolg van pagina 47

De vrijdenker en anarchist Constandse heeft daarom - in navolging van een Duits filosoof, Eduard von Hartmann - beschreven hoe het protestantisme in zijn logische consequenties doorgedacht moet leiden tot een verdamping van het geloof zelf. Immers wanneer iedereen, los van een gemeenschap die wordt geleid door speciale zieleherders zou gaan uitmaken wat de inhoud is van de boodschappen die God naar de mensheid uitzendt dan dreigt anarchie.

Het is dus wel van belang dat niet jan en alleman zich kan opwerpen als interpreet van die goddelijke openbaringen. Er moet dus iets zijn van orthodoxie die slechts door een beperkt aantal competente personen en organen kan worden uitgelegd. Vanuit die gedachte is het dan ook geheel consistent dat Van Deursen kritiseert dat de vorst op zijn eigen houtje denkt te kunnen geloven. Vanuit het standpunt zoals hier uiteengezet is dat ook volkomen redelijk. Met een soort van Oibibio-geloof zou het koningschap natuurlijk op drijfzand gebaseerd zijn.

Tot zover de band tussen godsdienst en de legitimatie van het koningschap. Maar wat is nu het geval? We hebben het al geconstateerd:God is dood. En in Zijn kielzog dreigt hij ook de koning mee te slepen. Als de koning niet langer de pretentie kan hebben voor de Grote Roerganger te spreken dan is hij niets anders dan iemand uit - terug naar Pascal - een goede familie. En hoe je het ook wendt of keert - dat is veel te weinig grond om iemand met 'majesteit' aan te spreken. Of het nu gaat om onverbloemd atheïsme of om Oibibio-geloof - het is allemaal fnuikend als legitimatie voor koningschap.

Welnu, het is deze verwoestende legitimatiecrisis die zich met name de laatste jaren heeft voltrokken. In de negentiende eeuw waren slechts enkelingen te vinden die zich als atheïst beschouwden. Tegenwoordig is een aanzienlijk deel van de bevolking ongelovig. Maar als het traditionele godsgeloof verdwijnt zal de monarchie steeds meer ontaaarden tot een ritueel, een façade, een ceremonie.

Het probleem voor de republikein

Het probleem voor de republikein is echter dat de monarchist tegenwoordig openlijk toegeeft dat de grondslag is verdwenen. Hoe vaak horen we niet het volgende. 'Ja, dat kan nu allemaal wel zo zijn dat het koningschap politiek en staatkundig niet echt meer iets voorstelt, maar wat geeft dat? Het is een ritueel, het vasthouden van een band met het verleden. Inhoudelijk heeft het koningschap eigenlijk geen betekenis meer. We houden eraan vast, zoals we vasthouden aan een nationaal feest, Sinterklaas of Kerstmis of Bevrijdingsdag. Het koningschap drukt niet een staatkundige waarheid uit, maar een symbolische band.'

Heeft de republikein dan enig verweer?

Politiek heeft de monarch niet heel veel macht. Je kunt zelfs zeggen: politiek zijn we helemaal geen monarchie meer. Wat betekent immers letterlijk 'monarchie'? Dat is de heerschappij door één persoon. Een monarch is dus eigenlijk een alleenheerser. Wel, dat is zeker in de moderne monarchie niet het geval. De koning moet op zijn minst regeren met de minister.

Daarbij hebben we dan nog wel het merkwaardige gegegeven dat wat precies het aandeel van de koning en wat het aandeel van de minister is in het beleid niet valt te zeggen, omdat ministers en koningen worden geacht daarover geen informatie te geven. Zo bezien zou dat betekenen dat het voor ons moeilijk valt vast te stellen in wat voor systeem wij leven. Als het aandeel van de minister in het overleg koning-minister maximaal is leven we in een overwegend democratische ordening. Als het aandeel van de koning in het overleg koning-minister maximaal is leven we in een monarchie. Er zijn verhalen bekend van ministers die de koning weinig ruimte geven. Dat zijn dus de kampioenen van de democratische idee. Maar er zijn ook ministers die hun mandaat van het volk eigenlijk verloochenen en de koning veel ruimte geven.

Een voorbeeld van die laatste categorie is voormalig premier Lubbers. Bij het twaalf en een halfjarig jubileum van het koningschap van Beatrix in 1992 presenteerde premier Lubbers een opvallende visie op de constitutionele positie van het staatshoofd. Lubbers wilde de koningin, zoals hij zei 'meer de ruimte geven'. Ik citeer: ,,Een royale, en geen angsthazige interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid blijkt de moeite waard. Het wordt ons duidelijk in tal van redevoeringen. Daarbij blijft het boeiend dat, hoezeer ook ministers altijd politiek verantwoordelijk blijven, toch vaak voelbaar is dat koningin en prins iets extra's in hun redevoeringen weten te leggen.''

Het is moeilijk uit deze passage een logisch consistente gedachtegang te destilleren, maar de teneur lijkt duidelijk; de premier wil meer macht en bevoegdheden aan de koningin overdragen. Hij leidt dat in met een woordgrapje over een 'royale' interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid, waarbij royaal dan in de dubbelzinnige betekenis kan worden opgevat van (a) passend bij de koning en (b) groot. Als reden voor het overdragen van bestuursmacht terug in de schoot waaraan deze eens ontrukt werd, voert Lubbers aan dat in de redevoeringen van het staatshoofd 'iets extra's' blijkt te liggen.

Het is een opvallende argumentatie. Immers de premier gaat geheel voorbij aan het feit dat de bevoegdheden van het staatshoofd niet afhankelijk kunnen zijn van zijn of haar redenaarskwaliteiten. Het is denkbaar dat men de ministeriële verantwoordelijkheid voor het koninklijk optreden anders regelt dan nu het geval is, maar dan zou men daarvoor toch betere redenen moeten aandragen dan door de premier geschiedt in deze passage. Bevreemdend is ook dat de oud-premier van mening is dat de ministeriële verantwoordelijkheid niet behoeft te verminderen door het royale gebaar van de premier. Maar hoe is dat denkbaar? Men kan zich toch moeilijk voorstellen dat een minister wordt aangesproken en eventueel de consequenties heeft te dragen van een verkeerd gevallen koninklijke toespraak terwijl hij niet de bevoegdheid zou hebben de koninklijke meningsuiting te breidelen. Dat is inconsistent. Als je verantwoordelijk bent, moet je ook bevoegd zijn.

Vanuit democratisch perspectief is de meest bevredigende verhouding van minister tot staatshoofd een systeem waarbij de minister duidelijk het primaat heeft over het staatshoofd. Dat kan het beste door elke meninguiting van het staatshoofd volledig te binden aan ministeriële goedkeuring. Een dergelijke opvatting geeft, denk ik, geen blijk van 'angsthazigheid', zoals Lubbers in zijn stoere woorden opmerkt, maar van nuchter inzicht in de voorwaarden onder welke een democratie alleen maar kan functioneren.

Gelukkig lijkt het overigens het geval te zijn dat het staatshoofd van groter inzicht in de grondslagen van het Nederlandse staatsrecht blijk geeft dan de oud-premier. De Nederlandse koningin horen we zelden met meningsuitingen naar buiten treden waarmee zij de ministers compromitteert. Natuurlijk zijn er wel voorbeelden, zoals 'de leugen regeert', peppersprey, de Zuid-Afrikaanse ambassadeur en nog wel wat incidenten, maar dat blijft beperkt. Wilhelmina gedroeg zich heel wat monarchaler dan haar opvolgers Juliana en Beatrix. Dat heeft zelfs de hofhistoricus Fasseur niet weg kunnen poetsen, hoewel die toch terecht een grote reputatie heeft alle oneffenheden in het functioneren van Wilhelmina als democratisch opererend vorst met de mantel van zijn grote liefde te kunnen bedekken.

Mijn conclusie ten aanzien van het koningschap is dan ook deze. Natuurlijk is het een vreemde figuur in een democratie. Strikt genomen onaanvaardbaar. Vandaar ook de juistheid van het republikeinse streven - een zaak die onze steun verdient.

Maar de echte uitdaging voor het verder ontwikkelen van de democratie ligt op een ander terrein dan het bestrijden van symbolen. De vraag die democraten - en dat zijn republikeinen tenslotte - zich zouden moeten stellen is of het vacuüm dat de vorst heeft achtergelaten is opgevuld. Naar mijn idee is dat het geval. Het vacuüm is opgevuld door 's konings voormalige dieren; het ambtelijk apparaat.

Bureaucratie als historische opvolger van monarchie

Het is al vaak gezegd: tegenover het gigantische apparaat dat geacht wordt ondersteunend te werken ten aanzien van de volkswil, zoals gerepresenteerd door kabinet en ministers, staat eigenlijk nauwelijks een tegenmacht. De vorst staat alleen tegenover een heel kabinet. Maar een minister staat alleen tegenover een gigantisch apparaat aan kennis en ervaring dat is samengebald in zijn departement. Als dat apparaat bovendien strak hiërarchisch georganiseerd is onder de straffe leiding van een secretaris-generaal die lange tijd op dezelfde positie zit is een minister, zoals men dat pleegt te noemen, een 'incident in het leven van een ambtenaar'.

Wat kunnen we daaraan doen? Het antwoord daarop is juridisch en cultureel van aard. Juridisch is het antwoord: het radicaleren van de ministeriële verantwoordelijkheid. De ministeriële verantwoordelijkheid is een uitvinding uit de negentiende eeuw. Wij zijn doorgaans geneigd te denken dat alleen in de exacte wetenschappen uitvindingen worden gedaan. Maar dat is onzin. Ook in het recht of in de ethiek breken soms gigantische inzichten door, zoals de gelijkheid van vrouwen aan mannen, de verwerpelijkheid van de slavernij, het discriminatoire karakter van een huwelijk dat alleen voor heteroseksuele partners openstaat en zo voorts. Ministeriële verantwoordelijkheid is ook zo'n uitvinding. Zoals zo vaak met uitvindingen is er niet één uitvinder, maar gaat het om een collectief. Thorbecke behoorde tot het collectief. Hij zag dat wanneer men zegt: 'Koning ga rustig slapen want wij, ministers, zijn verantwoordelijk' daarmee eigenlijk ministers de baas zijn geworden. Immers geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid.

Precies datzelfde mechanisme van de ministeriële verantwoordelijkheid kan ook gelden om het bureaucratisch apparaat onder controle te houden. 'Geen verantwoordelijkheid' zonder bevoegdheid geldt dus niet alleen in de verhouding tussen minister en koning, maar ook in de verhouding tussen minister en bureaucratie. Nooit treedt de bureaucratie op op eigen naam en titel op, maar altijd op naam van een ander, de verantwoordelijke minister die weer aan ons, volk, verantwoording aflegt.

Er is nog een tweede instrument dat ons, burgers, kan helpen om de staatsbureaucratie onder controle te houden en dat is cultureel van aard. Het is het cultiveren van een bepaald ethos. Men zou het een dienstbaarheidsethos kunnen noemen dat we van de bureaucratie verwachten ten aanzien van onze dienaren, de ministers. Men noemt dat ethos ook wel ambtelijke loyaliteit. Van een ambtenaar wordt verwacht dat hij een minister helpt, in zijn geest verder denkt - zelfs wanneer hij persoonlijk een andere overtuiging is toegedaan dan zijn minister.

Het grote probleem waarmee de hedendaagse republikein en ware democraat mee te maken heeft, is dat zowel het radicaal concept van ministeriële verantwoordelijkheid alsook het concept van ambtelijke loyaliteit aan erosie onderhevig is geraakt.

Een gevaarlijke rol in dit verband spelen de mensenrechten. Nu zijn mensenrechten een schone zaak. Voor burgers. Sind de jaren zeventig is het echter steeds meer courant geworden die rechten ook in te roepen in wat wordt genoemd 'functionele verhoudingen'. Zo zou bijvoorbeeld een ambtenaar zich kunnen beroepen op vrijheid van meningsuiting en vervolgens in de krant de plannen van zijn minister of van het kabinet onderuit halen, zoals voormalig secretaris-generaal Van Wijnbergen of zijn voorganger Rutten deden.

Ook is ambtelijke loyaliteit onder druk komen te staan. Men doet voorkomen alsof dit identiek zou zijn met de houding van Eichmann die een soort kadaverdiscipline praktiseerde ten aanzien van de meest weerzinwekkende bevelen.

Door deze ontwikkelingen is ons juridisch systeem, maar ook de culturele context waarin dit moet functioneren onder druk komen te staan. Naar mijn idee moeten we terug. We moeten terug over de ontaarding van het systeem naar de grondslagen. Is dat conservatief? Misschien wel, maar dan ben ik maar conservatief. Misschien is het republikeinse streven ook wel conservatief. Premier Lubbers doet met zijn 'moderne' opvattingen van ministeriële verantwoordelijkheid het graag zo voorkomen alsof bij een modern koningschap een 'niet angsthazige' conceptie van de ministeriële verantwoordelijkheid past. Maar is dat wel zo modern? Zet dat in feite de klok niet terug naar de negentiende eeuwse royale suprematie?

Waar we ons de komende jaren op moeten gaan toeleggen is op een restauratie van de ware grondslagen van ons politieke bestel. Daartoe behoort het herstel van de republiek en het elimineren van ondemocratische elementen uit ons systeem. Het koningschap is zo'n ondemocratisch element, maar het zal min of meer vanzelf verdwijnen doordat de secularisatie voortschrijdt en het koningschap als het ware steeds 'gewoner' wordt. Dat 'gewone' zal op de lange duur desastreus blijken te zijn voor het voortbestaan van de monarchie.

Veel gevaarlijker is het ondemocratisch element in ons systeem dat bestaat in de vorm van de bureaucratie. Het lastige daarvan is dat deze zich legitimeert met een beroep op bij uitstek moderne en daarmee verleidelijke ideeën. Iedereen moet toch kunnen zeggen wat hij wil? Je wilt mensen toch niet monddood maken? We moeten het bevrijden van een aantal uitwassen die daarin sinds de jaren zestig en in het bijzonder sinds de jaren zeventig zich hebben vastgehecht. Of dat conservatief is of progressief weet ik eigenlijk niet zo goed. Misschien is het progressief conservatisme.

Deel dit artikel