Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

God boven de ikken

Home

Antoine Bodar

Meditatie tijdens een flash mob op het Amsterdamse Museumplein, aan het begin van de Maand van de spiritualiteit op 11 januari 2013. © Rob Huibers
Essay

In de 'Maand van de spiritualiteit' legt priester Antoine Bodar uit waarom hij zo allergisch is voor wat zich als spiritualiteit aandient. En welke vorm die naam wél verdient.

Begrippen als 'spiritualiteit' of 'mystiek' zijn heden de meest gebezigde woorden waarin zoekers elkaar aanreiken hoe innerlijk zij wel bezig zijn en hoe goed zij het zich daarin met zichzelf hebben getroffen. Mensen die zichzelf spiritueel noemen, of zelfs mystiek, kunnen bij mij rekenen op een onmiddellijk uitbrekende allergie die zich nauwelijks of liever niet laat genezen en ternauwernood is te beheersen.

Ik proef in beide begrippen het huidige ik-tijdperk eminent vertegenwoordigd. Zijn beide al niet leeg geworden, dan zijn zij beide toch ten minste teruggebracht tot containerbegrippen, die alles kunnen beduiden en dus niets meer zeggen - behoudens dan veel 'ik'.

Dit najaar viel het mij te beurt, op uitnodiging van een groep christelijke zoekers in Heemstede en Aerdenhout, te spreken over spiritualiteit. Ik liet derhalve niet na de Heilige Geest Zelf in het midden te brengen - Spiritus Sanctus - en op grond daarvan uit te weiden over verscheidene wegen daarbinnen.

Ik bracht het lezen en overwegen van de Heilige Schrift in het midden, het gaan naar de kerk op zondag - want geloven doen we niet slechts alleen maar ook samen - en het bidden. Zonder te blozen legde ik uit dat bidden allereerst verkeren met God beduidt en dat klassiek onderscheid gemaakt wordt tussen danken en prijzen, belijden en smeken. Is bidden niet allereerst naar het woord van de psalmist als het kind dat zit op moeders schoot waardoor het stil wordt en geborgen is?

Waarom is het momenteel in onze streken zo beroerd gesteld met het geloof van het christelijke volksdeel? Crisis in de instituties om meer redenen. Lauwheid en slapheid onder katholieken. Al te grote vrijzinnigheid bij menig protestant.

Ik beluisterde daar in Aerdenhout veel van de hand steken in de boezem van de Kerk en weinig of niets van de hand steken in de eigen boezem. De gelovige als consument. En toen kwam de zondagochtend - toch vanaf het begin van het christendom bedoeld om samen ons te scharen rond Christus in de liturgie - ter sprake: "Maar daarvoor hebben we helemaal geen tijd. Wij moeten dan naar het hockeyveld." Nu houdt God van sport. En de hockeyers blijven kinderen van God. Maar heeft niet alles zijn tijd?

De eenvoud van het voorspelbare
Het boek 'Eindelijk thuis. Gedachten bij Rembrandts "de terugkeer van de verloren zoon"' van de op 21 september 1996 gestorven priester-schrijver Henri Nouwen had ik als eerste druk - die is van 1991 - geschonken gekregen maar nooit eerder gelezen, omdat het mij niet terstond smaakte. Daarin vind ik nu het in memoriam van Pieter van der Ven in Trouw terug: "Nouwen mediteert in een voortdurende wisselwerking tussen persoonlijke ervaringen van leven, geluk, crisis, twijfel, hoop en God.

Wie bij zichzelf de toon voelde resoneren kon er om zo te zeggen geen genoeg van krijgen; wie dat niet gegeven was kon zich met al even veel recht ergeren aan het ikkerige, de eenvoud van het voorspelbare, de herhalingen ook in Nouwens werk."

Dat 'ikkerige', door Van der Ven vastgesteld, herinnert mij aan de Aerdenhoutse en Heemsteedse hockeyspelers die op zondagochtend deels God door sport vervangen maar evengoed zoekers blijven. Helemaal begrijpelijk: Spel is weldra uit en bevredigt kort. God is bestendig en geeft vrede altijd.

Maar sportief als ik als liefhebber van spel zou willen zijn: Nouwens toon resoneert bij velen. Zijn wijze van schrijven spreekt klaarblijkelijk velen aan. Hij moet iets vertolken dat aansluit bij de levensinstelling van velen. Zou daarmee misschien juist het 'ikkerige' te maken kunnen hebben? We zijn immers in het ik-tijdperk bij uitnemendheid. En die 'ik' is niet slechts het middelpunt van de aarde maar die 'ik' wil ook voortdurend geëmotioneerd worden, vermaakt en geamuseerd. We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering. Een uur zonder emotie is een verloren uur.

Bij de analyse van Rembrandts terugkeer van de verloren zoon en de overweging van de parabel van Lucas brengt Henri Nouwen zichzelf mede in het midden en troost en bemoedigt zo zijn lezers. Ik ontken dat niet en wil gesticht zijn door het boek dat naar verluidt in 2011 hier te lande is uitgeroepen tot het beste spirituele boek (van het jaar, vermoed ik). Heb ik het ervaren als een meditatief geschrift over bidden en verenigd worden met God? Ik heb het ervaren als een richtingwijzer een beter mens te kunnen worden. Hoe moeten wij leven? Wij zijn geroepen te leven naar het voorbeeld van de vader in de parabel die verwijst naar de Vader in de hemel. Hij is barmhartig, vergevend, mededogend, edelmoedig, soms verdrietig, meestal vreugdevol.

Individualisme
Vaststaat dat in het huidige tijdperk de 'ikken' aanspreken. Die geschriften slaan aan die de ervaringen van de wereld betrekken bij het beoogde aan de man te brengen betoog. Pastoraal kan dat niet anders dan juist zijn. In de huidige ervaringswereld is menigeen meer dan ooit ervan overtuigd dat hij zelf goddelijk is. Hij is immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Dit stemt hem tot dikke tevredenheid.

Maar verwijdert de indringendheid van deze overtuiging de mens ten slotte niet van God Zelf? Hij ontwaart God in zichzelf, in de ogen van de medemens, mogelijk ook in de natuur en in de kunst, maar kent hij nog de Heer als de volledig Andere, Die boven ons is, Die in de hemelen woont, Die ons vraagt de blik omhoog te heffen, Die de eeuwige Majesteit is, voor Wie wij in ontzag huiveren - niet omdat Hij streng en oordelend of veroordelend zou zijn, maar omdat Hij huiveringwekkend is in Zijn ons overrompelende eigenheid, verte, grootheid.

Die gewaarwording ontberen wij heden. De gewaarwording van de Heilige. Laat niet - algemeen gesproken - de hedendaagse mens zich de zin voor het heilige ontnemen?

Is godsdienst - de dienst aan God - niet al te huiselijk en te banaal geworden? Zo gewoon dat het begrip ervan in gewoonheid teloorgaat? Zijn de christenen in onze streken niet zo verburgerlijkt dat het besef van de oneindige God te gemakkelijk is teruggebracht tot de burgervader zonder daadkracht? En is godsdienst niet zo prettig betrekkelijk geworden - eventueel uitwisselbaar met een andere - dat het eigenlijk meer een te begrijpen leefregel betreft dan een fascinerend ideaal waardoor wij worden gegrepen?

Zouden onze kerkgebouwen ook niet daarom zo leeggelopen kunnen zijn en gereed voor de verkoop of de sloop?

Een familiegeschiedenis
Vorig jaar verscheen de familiekroniek van de historicus en Trouw-recensent Jos Palm - 'Moederkerk. De ondergang van Rooms Nederland'. Weemoedig, vrolijk, ironisch, met humor, met nabijheid en afstand is het verslag van Palm, maar hij mengt dooreen een familiegeschiedenis, die aanvangt rond 1919 met de jeugd van zijn moeder in Arnhem, enerzijds en anderzijds de gehele geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland met de verandering daarin na het Tweede Vaticaans Concilie, toen eerst een tweede beeldenstorm uitbrak en tegelijk het kamerbrede tapijt in de bedehuizen werd binnengerold - kortom het gezin Palm als exemplum, waarvan de moeder was opgevoed met de zekerheid dat 'de huiskamer' toen 'in het ideale geval min of meer een afdeling van Rome' was. Op die wijze karikaturiseert de historicus Palm de geschiedenis enigszins.

Aandoenlijk niettemin blijft zijn verhaal. De ouders die zich ten slotte een onderkomen vinden in de Utrechter Willibrordkerk van de Assumptionist Winand Kotte en de kinderen die het rode Nijmegen opzoeken, waar - zoals eerder in Parijs na de Franse Revolutie - de heiligenbeelden uit de nissen waren gehaald, dit keer dan niet om de rede te vieren maar ten gunste van Marx, Engels en Lenin. Het debat daar was 'het voertuig van de zelfontplooiing en zelfemancipatie', zoals het kerkgebouw was veranderd van bidhuis in praathuis.

Met mededogen tekent Palm wat die kerkelijke revolutie in onze streken heeft teweeggebracht bij de generatie van zijn ouders, maar naar mijn oordeel ook in die van daarna: "Het hele bouwwerk dat het katholicisme had opgetrokken om de gelovige te behoeden, was gesloopt, maar op zo'n ijverige wijze dat menigeen meende met lege handen te staan. Nooit was het in de kerk ook ingewikkelder geweest dan in deze tijd van vereenvoudiging. De hele ideologie van de denkende elite was te abstract en te moeilijk voor de doorsneeparochiaan.

Wat de merendeels vooruitstrevende priesters aan de kerk wonnen, was wat de doorsneegelovigen eraan verloren, namelijk vertrouwdheid. De priester scheen geen priester meer te mogen zijn, het ritueel - of het nu de wijding van een huis, auto of fiets betrof, of de biecht - scheen geen ritueel meer te mogen zijn.

Wie vroeger een kerk binnenstapte, werd opgenomen in een wolk van licht; voortaan moest iedere gelovige zijn eigen lantaarnopsteker worden."

Palms constatering wordt bevestigd door het vorig jaar aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde proefschrift 'Verlangen naar vernieuwing. Nederlands katholicisme 1953-2003', geschreven door de niet gelovige historicus Maarten van den Bos: Het waren de bisschoppen en de priesters van de lokale, dus Nederlandse kerk - samen met de theologen en andere intellectuelen - die ervan overtuigd waren dat onverkort afscheid genomen moest worden van het eigen religieuze verleden.

Die binnenkerkelijke ontwikkelingen hebben geleid tot de ontkerkelijking. 'Niet omdat het geloof zodanig werd aangepast dat de gewone gelovigen na ampele overweging besloten dat het onzin was, maar omdat de kern van het geloofsleven, gelegen in een dagelijks herhalen van rituelen en praktijken binnen de eigen wereld, als achterhaald werd bestempeld.

'Bittere ironie van de leegloop' kopt het Nederlands Dagblad naar aanleiding van de promotie: "Niet de behoudzucht van Rome, maar de vernieuwingen zélf in katholiek Nederland leidden tot leegloop."

Het was toen in de late jaren zestig en de jaren zeventig dat het mysterie uit de kerk werd verwijderd en de zin voor het heilige eens te meer verdween. Al hetgeen daarnaar verwees, werd met de vuilnisman meegegeven. De vermeend bevrijde katholiek zou voortaan in geestelijke armoede groeien en de Kerk van de Christus mijden.

De zin voor het heilige en meer nog voor de Heilige wordt heden ontbeerd. Wederkeer van benul van de kleinheid van de mens jegens de Heilige kan hem daartoe opnieuw ontvankelijk maken.

Passen niet de christen dienstbaarheid en deemoed en aanhankelijkheid jegens de eeuwige God, in Wie hij geborgen kan zijn, zo hij weer bescheidenheid leert?

Stilte
Stilte is ruimte waarin geheimen tussen God en mensen kunnen oplichten, schrijft Nouwen in zijn boek 'Met open handen.De weg naar onszelf, de ander en God'. "Het woord van God voert ons de stilte binnen en stilte maakt aandachtig voor Gods woord. Het woord wordt in stilte geboren en stilte is de diepste weerklank van het woord."

Elke christelijke spiritualiteit is ten minste Bijbels en elk bidden vangt eerst recht aan in stilte. Niet het schietgebed, dat velen bezigen, maar wel meditatie die kan voeren tot contemplatie.

Zijn wij niet vergeten dat het sacrale tegenover het profane staat, het uitzonderlijke tegenover het alledaagse? Het zijn eigen gebieden, van elkaar gescheiden. Vermenging van beide profaniseert het sacrale en doet het ondergaan. En met het sacrale gaat het heilige teloor.

Die scheiding zou moeten worden hersteld om het sacrale opnieuw gewaar te kunnen worden. Op het terrein van het sacrale vermoeden we iets van het transcendente, het bovenwereldlijke, het eeuwige en hetgeen voorbij eeuwigheid reikt.

In vaderlandse katholieke kerken staat sedert de jongste beeldenstorm niet alleen het mysterie van het geloof buiten de poort maar is ook de stilte uitgebannen. Het Godshuis echter is geen mensenhuis. Het is een sacrale ruimte, geen profane. En liturgie moge een ritueel zijn, maar elk ritueel is nog geen liturgie. Sacrale rituelen zijn andere dan profane rituelen. De scheiding tussen beide dient terug te keren. Alleen zo kan het sacrale het profane weer echt bevruchten.

'Niemand is heilig zoals de Heer.' (1 Sam 2,2) Heilig is de Heer, onze God.' (Ps 99,9)

Het heilige is een eigen grondbegrip, zoals de godsdienstgeleerde Rudolf Otto bijna een eeuw geleden heeft geleerd. Het staat dus op zichzelf. Pas dan komt de ethiek aan de orde: godsdienst valt niet samen met ethiek, maar is meer.

De aanraking door God is het eerste en die aanraking vervolgens houdt in Zijn geboden te onderhouden en Zijn wil te doen: 'Weest gij heilig; want Ik ben heilig.' (Lv 11,44)

God beminnen is het eerste gebod. Geven we ons daarvan voldoende rekenschap?

Deel dit artikel