Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

GESCHIEDENIS

home

SYBE RISPENS

Ze hielden zich niet bezig met politiek of rassenleer. Ze onderzochten de natuur en meldden het de overheid als daar voordeel in werd gevonden. Een Berlijns museum licht het doopceel van acht technici in het Derde Rijk. Een soortgelijke uitspraak heeft niemand uit de mond van ingenieurs als Paul Schlack kunnen optekenen. Zij dienden slechts de techniek. Te zien tot 1 oktober 1995 in het Museum Für Verkehr und Technik, Trebbiner Strasse 9, 10963 Berlijn. 0049-30-254840. Catalogus: Ich diente nur der Technik; Alfred Gottwald, Silke Klewin (red), Nicolaische Verlagsbuchhandlung, Berlin, 1995, DEM 32,- (Geb. DEM 46,-)

Die uitspraak kan model staan voor vele ingenieurs die voor het nationaal-socialistische Duitsland wapens hebben ontworpen en gebouwd. Terwijl de militaire en politieke leiders samen met enkele industriëlen na de oorlog in Neurenberg zijn berecht, bleven de talrijke wetenschappers en ingenieurs buiten schot. De oorlog was nog maar net voorbij of de meesten van hen waren al weer gewoon aan het werk, alsof er niets gebeurd was.

Kan die wel erg soepele Entnazifizierung gerechtvaardigd worden met de opvatting dat de ingenieurs maar een klein radertje in de nationaal-socialistische machine waren? Of met de overtuiging dat techniek nu eenmaal niets anders is dan een objectieve en neutrale ontwikkeling van natuurwetenschappelijke principes?

In een expositie in het Berlijnse Museum für Verkehr und Technik wordt tegen beide rechtvaardigingen stelling genomen: ingenieurs waren vaak niet als spaken in het nazistische wiel gevlochten, maar hadden als technische experts juist veel aanzien, zelfstandigheid en bevoegdheden. Bovendien laat het portret van een achttal ingenieurs tussen de periode '40-'50 zien dat het uitoefenen van een technisch beroep niet zomaar politiek neutraal wordt door alleen op technisch succes en vooruitgang te letten. Juist dit buiten beschouwing laten van de nazistische voorwaarden aan en gevolgen van techniek kan als een politieke keuze worden aangerekend.

Een van de ingenieurs wiens doopceel wordt gelicht is Paul Schlack (1897-1987). Na zijn studie scheikunde komt hij in 1924 in dienst bij de firma IG Farben, een samenwerkingsverband tussen de grote Duitse chemieconcerns BASF, Bayer, Hoechst en Agfa. Twee jaar later wordt Schlack leider van een kunstzijdefabriek in Berlijn.

Schlack heeft nauwelijks wetenschappelijke werken gepubliceerd, maar als briljante werknemer ontwikkelt hij in 1938, grotendeels op eigen initiatief, de kunststofvezel Perlon. Perlon is verwant met het eerder door het Amerikaanse bedrijf DuPont ontwikkelde Nylon, maar is goedkoper in de produktie.

IG Farben beloonde het zelfstandig onderzoek van Schlack met 20 000 Reichsmark. In de rapporten die Schlack schreef, kwamen politieke stellingnames niet voor. Wel benadrukte hij steeds het militaire belang van zijn vinding. De voorstellen van de gedreven chemisch expert bleven in militaire kringen niet onopgemerkt: de kunststof bleek uitermate geschikt voor verwerking in parachutes, gasdichte kleding, borstels voor de reiniging van kanonnen en voor touw en snoeren voor de luchtmacht en marine.

In 1939 werd Schlack wetenschappelijk leider van de militaire produktie van Perlon, die inmiddels door de aanbevelingen van ingenieurs van IG Farben de hoogst mogelijke militaire prioriteit had gekregen. In 1944 ontving hij voor zijn ontwikkelingswerk de onderscheiding Kriegsverdienstkreuz I. Klasse.

De produktie van Perlon in de fabriek in Berlijn-Lichtenberg werd hoofdzakelijk door Nederlandse en Poolse dwangarbeiders verricht. Joodse gevangenen waren sinds 1943 naar concentratiekampen getransporteerd.

Schlack was uit hoofde van zijn positie goed op de hoogte hiervan, maar besteedde er geen aandacht aan. In plaats daarvan concentreerde hij zich op zijn wetenschappelijk onderzoek: in het voorjaar van 1945 promoveerde hij nog, op een studie over Polyamide (Perlon). Nog vóór mei '45 werd het complete laboratorium van Schlack vanwege de toenemende bombardementen op Berlijn overgebracht naar het Zuidduitse plaatsje Bobingen.

Na de oorlog ontwikkelt de carrière van Schlack zich zonder enige vertraging verder. In zijn rapporten komen politieke stellingnames nog steeds niet voor. Nu benadrukt hij het economische belang van zijn vinding. Met concrete voorstellen wijst hij op toepassingsmogelijkheden van Perlon in onder andere een mengsel met wol.

Ook nu blijven de voorstellen van de chemisch expert niet onopgemerkt: de kunststof blijkt uitermate geschikt voor het maken van fijne kunstzijde. In 1950 wordt de fabriek in Bobingen overgenomen door Hoechst en met een investering van tien miljard mark wordt er met de massaproduktie van panty's begonnen.

Slechts weinig mensen hadden tot die tijd kennis gemaakt met Perlon en het materiaal wordt symbool voor een nieuw begin. In 1953 wordt Schlack met de Orde voor bijzondere verdiensten van de Bondsrepubliek geëerd. Zeven jaar later krijgt hij een benoeming tot hoogleraar aan de Technische universiteit van Stuttgart en neemt hij zitting in de wetenschappelijke adviescommissie voor de provincie Baden-Würtemberg.

In de tentoonstelling wordt Paul Schlack niet beschreven als een werktuig van het nationaal-socialisme, maar als een zelfstandig opererende wetenschapper. Hij werd niet gedreven door een verwerpelijke ideologie, een boosaardig karakter of gewetenloosheid. Integendeel: nog in 1994 werd professor Schlack beschreven als iemand met een “bescheiden, warme persoonlijkheid die door allen die hem kenden hoog werd gewaardeerd”.

Wat schrikbarend is, is dat ingenieurs als Schlack met een volstrekt gewoon karakter en een volkomen normaal geweten de directe oorzaak zijn geweest voor de dood van vele dwangarbeiders tijdens de oorlogsjaren. De Berlijnse expositie vraagt zo niet alleen voor het eerst in naoorlogs Duitsland aandacht voor de persoonlijke verantwoordelijkheid van een achttal ingenieurs, maar sluit ook aan bij de actuele discussie over de rol van technische experts in een samenleving.

Albert Speer kreeg voor zijn activiteiten als minister van defensie twintig jaar gevangenisstraf. Maar híj schreef na het uitzitten van zijn strafperiode in de Berlijnse Spandau-gevangenis over de inzet van dwangarbeiders tenminste nog: “De omstandigheden voor de gevangenen waren inderdaad barbaars en een gevoel van diep medeleven en persoonlijke schuld overmant mij iedere keer als ik er aan terugdenk - tot op de dag van vandaag.”

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.