Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gerbrand Bakker

Home

arjan visser

Gerbrand Bakker (Wieringerwaard, 1962) is schrijver, columnist voor De Groene Amsterdammer en hovenier. In 2006 won hij de Debutantenprijs en het Gouden Ezelsoor voor ’Boven is het stil’. In juni werd door Cossee zijn roman ’Juni’ uitgegeven.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Wij waren thuis niks. Mijn vader sowieso niet en mijn moeder was ooit‿hervormd, dacht ik. Dat geloof, het zegt me helemaal niets. Laatst las ik de recensie van een boek over de vrouw van een of andere Romeinse keizer. Zij werd daarin ’een tijdgenootje van Maria’ genoemd. Dan denk ik: ho ho, mensen! Een tijdgenootje? Voor mij is Maria toch een soort Roodkapje. Die hele bijbel is natuurlijk quatsch. Net zoals de Koran quatsch is. Ik snap wel dat mensen het fijn vinden om hun leven aan zo’n boek op te hangen, maar het ergert me ook dat ze daarmee hun eigen verantwoordelijkheden willen afschuiven. God heeft het zo bedoeld. Geen homo’s voor de klas – dat staat kennelijk zo in de Bijbel. Dat mensen niet naar elkaar kijken als mensen, maar dat ze naar elkaar kijken – gevoelens hebben voor elkaar – op basis van waar zij in geloven. Mijn verstand staat erbij stil. Steun zoeken bij God? Schei nou toch uit! Je kunt mij toch ook vastpakken? En die vragen over zingeving: ik kom er niet eens aan toe. Ik ben te verbijsterd om alles wat er om mij heen gebeurt een beetje te begrijpen. Verwerken. Volgens mij is het leven niets anders dan één grote pot verwerken.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Vroeger was ik een bewonderaar. Ik vind het nog steeds fijn om naar een film te kijken waar Harrison Ford in speelt en ik lees ook wel eens een boek waarvan ik denk: oj, hoe kan ik mij hier ooit aan meten? Maar ik voel nooit de behoefte om die schrijver op te zoeken en zijn handtekening te vragen. We zijn allemaal gelijk. Ik ben de ander. Ik ben Harry Mulisch. Ik ben Kluun. Weet je wie ik wel een keer zou willen ontmoeten? Beatrix. Gewoon, om te zeggen dat ik van haar houd. Het is niet hoogmoedig bedoeld – en zeker niet deemoedig – maar ik denk dat wij het hartstikke leuk gaan hebben samen. Ik ben blij met het koningshuis. Ik word boos op mensen die roepen: ’En dat allemaal van onze belastingcenten!’ Hoezo? Eet jij er een snee minder om? Nee, het is geen toneelstuk, het is een wezenlijk onderdeel van wie wij zijn, van wat ons land is. Het koninklijk huis staat voor veiligheid, geborgenheid. Beatrix bekleedt een bijzonder ambt, maar ik voel me daardoor niet minder belangrijk. We hoeven voor elkaar niet onder te doen. Precies: ik ben de koningin.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Voor bepaalde personages is ’goddomme’ een prachtig woord. Wat is daar nou zo vreselijk aan? Ik begrijp het niet. Iedereen is de hele tijd maar gekwetst over van alles, ik krijg er een sik van. Mijn vader zei vroeger altijd: ’Je moet mensen in hun waarde laten.’ O, oké. Pas na een paar jaar begon ik me af te vragen of hij eigenlijk wel gelijk had. Als je iedereen in zijn waarde laat, ga je iedere discussie uit de weg. Respect! Ook al zoiets. Iedereen wil respect. De kutjochies die op scholen in Amerika en Finland leerlingen doodschieten: ze willen respect. Er is iets fundamenteel mis met hoe wij leven, met wat wij doen. Er is een cultuur ontstaan waarin iedereen voortdurend denkt recht te hebben op van alles en nog wat. Alles kan. Alles moet. Hebzucht. Dat je met Kerst volop aardbeien kunt kopen bij Albert Heijn is daar een symptoom van. Ik heb onlangs aardbeien gegeten uit de tuin van mijn moeder. Die waren heerlijk. In juni zijn er aardbeien. In december zijn ze er niet.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik begrijp niet waar mensen over praten als ze het hebben over week zoveel of week zoveel. Voor mij is de tijd een zee. Op zondag werk ik vaak in tuinen. Dat hoveniersgedoe van mij, dat doe ik vaak voor familie en vrienden, voor niks, of voor een lekker bord eten ’s avonds. Omzagen, snoeien, planten – heerlijk. Ik kan er helemaal in verzinken. Met schrijven gaat dat nóg beter: als ik eenmaal in een verhaal zit, ben ik weg, echt helemaal weg. Zo op te gaan in mijn werk kan van een buitensporig genot zijn.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Of ik een goede zoon ben? God‿ je treft me op een moeilijk moment. ’Juni’ heeft tot nu toe twee goede recensies gekregen, de rest was slecht. Vrienden en familie praten me moed in. Op mijn weblog probeert iedereen me op te krikken. En dan kom ik bij mijn ouders, mijn lieve ouders, die me ook zo graag willen troosten en wat doe ik? Ik zit voorovergebogen, zeg af en toe ’jaja’ of ’nee’ en verder niks. Terwijl ze zo hun best doen‿en ik ben zo’n hufter, zo’n verschrikkelijke hufter. Daar ga ik weer‿ sorry hoor, maar het is ook zo pijnlijk allemaal. Tekort schieten, altijd maar tekort schieten‿the story of my life. Je moet dit niet opschrijven – of schrijf het wel op, wat maakt het eigenlijk uit? – maar ’Juni’ is ook één brok autobiografie. Ik heb voor het eerst mijn‿verdriet wil ik het niet noemen, maar toch, mijn gevoel over wat er toen is gebeurd gebruikt. Mijn broertje was twee. Ik was zeven. Ik heb altijd gedacht: het is voor mijn vader en moeder véél erger dat hun kind is verdronken – daar mag ik niets over zeggen, zeker niet in het openbaar. Ik had het van te voren gezegd, ik heb goedkeuring gevraagd. Ik wil erover schrijven. Mijn moeder zei: ’Het is een boek. Een boek is een boek.’ Tot ze, een week voor de presentatie, ineens toch zenuwachtig werd. En toen was er geen weg meer terug. De eerste slechte recensie was al binnen. ’Het gaat toch niet over Ariën?’ vroeg ze nog. ’Ja, dat wéét je toch?’ Zo pijnlijk‿ Ik zou het boek aan haar aanbieden. ’Wat moet ik jou dan geven?’ ’Niks, je hoeft me niks te geven.’ ’Maar je vader gaf je nog zo’n mooi tuinboek toen je hem het eerste exemplaar van ’Boven is het stil’ aanbood.’ ’Dat kwam toevallig zo uit, echt, het hoeft‿’ ’Ik heb nog een paar mooie antieke bordjes, met jachttaferelen.’ ’Ik wil geen antieke bordjes!’ Afijn, ze kwam huilend bij de presentatie aan. Gelukkig hernam ze zich. En ik hield me ook goed. Achteraf hoorde ik van allerlei mensen dat het heel gezellig was geweest. Terwijl ik alleen maar kon denken aan de slechte bespreking en aan het gevoel dat alles mis zou lopen. Weet je nog wat ik in het begin zei? Het leven is één pot verwerken. Dat is echt zo. Het komt wel goed, dat weet ik wel, maar misschien moet ik toch weer in therapie gaan. Ik ben al eens eerder in therapie geweest. Gedragstherapie. Tweeënhalf jaar lang. Die man viel tijdens de sessies steeds in slaap. ’s Middags, om half vier. En ik durfde hem niet eens wakker te maken. Ik kan wachten tot dit gevoel voorbij gaat, maar ik zou ook wel eens willen weten hoe het komt dat ik zo’n verschrikkelijke hekel aan mezelf heb.

Het is ook wel vreemd dat ik hier met jou kan bespreken wat mij thuis, bij mijn ouders, niet lukt. We houden zielsveel van elkaar, maar we zijn geen praters. We voelen het, we weten het, maar we uiten het niet.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Ik was negentien. Mijn broertjes hadden een buks. Ik zei: ’Geef eens hier dat ding’ en schoot, boem, zo een mus uit de vlier. En het ergste kwam nog: het musje was niet helemaal dood. Kees-Jan heeft hem voor mij afgemaakt. Vreselijk, vréselijk. Ik ben niet zo’n bikkel, niet zo’n typische boerenzoon. Het gaat zelfs zo ver dat ik spinnen uit de verfpot vis en die netjes neerzet in de hoop dat zich nog kunnen schoonwassen of wegkruipen‿ Waanzin, ik weet het. Ik ben gewoon dol op dieren. Ja, ik eet ze wel op. In die zin ben ik een grote huichelaar. Zo lang de slager het dier opsnijdt in kleine stukjes, – zodat ik niet kan zien wat het ooit is geweest – heb ik er kennelijk geen moeite mee. Alleen een paard zal ik niet opeten. Laatst stond ik in de tuin van mijn broertje. Een buurvrouw kwam langs. Haar dochter zat op een prachtig groot paard. We stonden wat te kletsen toen het dier ineens een beetje aan mijn hoofd begon te knabbelen – een groter geluk vind ik ondenkbaar. Ik voel me één met het paard. Zoals ik me ook kind voel bij kinderen. Mus met de mussen. Spin met de spinnen. Ik voel me boven niets verheven.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Er is iets aan mij‿ ik weet het niet. Zodra ik denk dat het wel wat kan worden met een of andere leuke jongen, holt hij ineens keihard weg. Ik ben het niet waard, denk ik dan. Het is psychologie van de allerkoudste grond, maar toch: hoe kun je, als je zo’n hekel aan jezelf hebt, ooit iemand echt tot je toelaten? En toch word ik iedere maand opnieuw ongelooflijk verliefd. Op de verkeerde mensen natuurlijk; op mensen die ik tóch niet kan krijgen‿ Laatst gaf ik een interview aan Libelle. Ik zei dat ik weleens behoefte had aan een lieve man op de bank, iemand die, zodra ik thuis kom van een lezing of iets dergelijks, een glas whisky met – tinkeltinkel – ijs komt binnenbrengen en vraagt hoe het ging die avond... Afijn, het blad ligt nog maar één dag in de winkel of de eerste mailtjes komen binnen. Nooit geweten dat zoveel heren Libelle lezen. ’Hier ben ik!’, ’Kom maar op’, ’Wanneer kan ik langskomen?’ Maar dáár heb ik dus geen zin in. Voor je het weet haal je een seriemoordenaar in huis. Ik ben een seksbeest. Ik ben enorm lijfelijk – in erotiek kan ik mezelf helemaal laten gaan – maar het moet niet geforceerd tot stand komen. Geen Libelle-lezers, geen mannen die ik heb opgepikt in de kroeg. Ik wil het knabbelende paard waar ik net over sprak; een vanzelfsprekende intimiteit. Laatst heb ik iets moois gehad met een achttienjarige Canadees die als wofer – dat is iemand die door de Worldwide Organisation for Organic Farming wordt uitgezonden – werkte op een boerderij waar ik vaak kom. Leuk joch, maar ik was helemaal niet op hem uit. Ik had juist mijn oog laten vallen op een andere wofer. Maar goed, deze wofer belde een dag later op. Hij was in de stad, wilde afspreken, maar ik zou pas ’s avonds thuis zijn. Hij zou in zo’n jeugdherberg gaan slapen. Ik zei: ’Doe niet zo gek, pak de tram en kom deze kant op. Maak ik een bed voor je klaar en‿’ Nou ja, dat is een toestand geworden met die jongen – heerlijk! Mooi, onverwacht, twee zieltjes bij elkaar, heel intens. Twee dagen later moest hij weg. Zoiets, maar dan voor altijd, dat zou ik wel willen. Ik snap het wel: je moet werken aan een relatie, maar ik vind het zo’n gedoe. Ik vind het al moeilijk om me te verhouden met mensen met wie ik géén relatie heb. Het zou mooi zijn als ik, af en toe, die diepte mag blijven aanboren; en de rest – al die liefde, al mijn verlangens – probeer ik een beetje te sublimeren. Misschien ben ik daarom wel schrijver geworden.”

VIII Gij zult niet stelen

„Vroeger kwam één keer per jaar de politie bij ons op school om te praten over diefstal. Heel intimiderend, zo’n bezoek. Ik heb een keer opgebiecht dat ik iets had gepikt, terwijl ik dat helemaal niet had gedaan. Puur uit angst. Ik kan me goed voorstellen dat mensen op die manier zelfs een moord bekennen. Het zou mij ook kunnen overkomen. Ik heb een tijd een jas gehad waar nog ergens zo’n veiligheids-chip in zat opgeborgen en iedere keer als ik in die winkel door zo’n poortje liep, begon het alarm te piepen. Pas na de derde of vierde keer durfde ik te zeggen: ’Ik heb echt niks gestolen hoor!’ maar ik ben daarna niet meer in die winkel geweest.

Ik zal nooit met een pakje shag dat ik net bij de sigarenboer heb gekocht een supermarkt binnen stappen. Ik breek het pakje aan, rol een shaggie, of ik breng het thuis. Ik kan het idee dat ze mij ervan zouden verdenken die shag gestolen te hebben niet verdragen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Als ik die recensies lees, of ’s nachts wakker lig in mijn bedje, denk ik: ze hebben gelijk. Ik bén een hopeloos slechte schrijver, het ís ook een kutboek. Tegelijkertijd mág ik dat natuurlijk niet denken, want ik geloof in dat boek. ’Juni’ deugt wél. Ik moet de boer op met mijn boek, er zijn lezingen, verwachtingen‿ Ik probeer er een uitdaging in te zien. Hoe krijg ik mensen aan het lezen? Hoe overwin ik die haast fysieke onpasselijkheid die ik voel als ik mijn boek zie? Hoe vind ik terug wat ik zelf goed vond aan ’Juni’? Ik moet het rechtbreien, rechtpeinzen. Het is zó moeilijk om je eigen werk goed in te schatten. Ik heb er lang aan gewerkt. Bij de uitgeverij waren ze enthousiast. Hoe komt het dat recensenten het dan toch een totaal mislukt boek vinden? Voor mij heeft ’Juni’ dezelfde sfeer als ’Boven is het stil’. Ik heb altijd gedacht dat ’Boven’ daarom zo’n succes werd. Nu begrijp ik dat die sfeer alleen misschien niet genoeg is geweest; mensen willen een verhaal, een plot‿ik weet het niet.

Door het succes van ’Boven is het stil’ werd ik een goudhaantje. Daar kon ik ook niets aan doen. Radio, televisie, lezingen – het kon niet op. Misschien ben ik mezelf in dat hele proces wel een beetje verloren. Ik ben nu van mijn sokkel gestoten en moet de zaak weer in perspectief krijgen. Hoe ga ik verder? Geef me een paar maanden. Dan komt zeker het positieve – ik heb ook van veel lezers gehoord die het wél een mooi boek vinden – bij me binnen. Weet je wat mijn probleem is? Ik kan niet doen alsof. Ik kan hier niet vrolijk tegen je gaan zitten doen, terwijl ik zo geraakt ben. Ik kan niet doen alsof mijn neus bloedt.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Het is nu niet moeilijk om jaloers te zijn op, bijvoorbeeld, Tommy Wieringa wiens boek ’Ceasarion’ ook niet al te malse recensies heeft gekregen, maar toch heel goed wordt verkocht. Maar dat moet ik loslaten. Het is leuk voor hem. Prima. Het zegt niets over mij. Dat moet ik steeds voor ogen houden: het gaat niet over mij. Dat gold zowel voor de lovende kritieken toen als voor het commentaar nu: mijn werk wordt besproken, niet mijn persoon. Het gaat om het product. Dat zal ik op den duur wel gaan beseffen. Nee, ik ben door de ontvangst van ’Juni’ niet bewijsdriftiger geworden. Ik heb helemaal geen plan. Nooit gehad. Als je te ambitieus bent, kan je keihard in je bek geslagen worden. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik was best een goeie schaatser. Iedereen zei: ’Jij kunt straks, tijdens die wedstrijd in Italië, geweldige tijden gaan rijden.’ Ik liet het allemaal binnenkomen. En wat gebeurde er een week later in Italië? Ik, die nooit valt, ging bij alle afstanden onderuit. Had ik me toch door de verwachtingen van anderen laten opfokken. Dat doe ik niet meer. Ik wil de dingen het liefst organisch laten ontstaan, een beetje zoals Winnie the Pooh door het leven heen blundert. Je zult het nu misschien niet geloven, maar ergens in mij schuilt een Zen-mannetje dat weet: niet het doel, maar de weg er naartoe is belangrijk. Iedere dag is een nieuw, leeg blad.”

Lees verder na de advertentie
Gerbrand Bakker: ¿Als ik die recensies lees, denk ik: ze hebben gelijk. Ik bén een hopeloos slechte schrijver. Dat mág ik natuurlijk niet denken, want ik geloof in dat boek. (FOTO MARK KOHN) © Mark Kohn



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie