Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gepraat tegen de wind in

Home

Henri Beunders

Populaire intellectuelen en BN’ers verzetten zich luidruchtig tegen het nieuwe kabinet. Maar waarom heeft het allemaal geen enkel effect, vraagt historicus Henri Beunders zich af? „Misschien zouden die alarmisten meer in de Bijbel moeten lezen. Daarin staat tenslotte de kern van de makke waar links momenteel aan lijdt.”

Het kabinet Rutte-Verhagen heeft het bordes bereikt. De eerste bijnamen zijn er al: van ‘rollator-regering’ tot ’kabinet Bruin I’. Edoch, vriend en vijand zijn het hier nu al over eens: deze ministers zullen individueel niet zo maar omver te blazen zijn.

De ’ferme wil’ die informateur Lubbers de politici Rutte, Verhagen en Wilders toedichtte, bleek waarheid. Het werd een staaltje machtsvorming dat duidelijker te aanschouwen was dan in welk ooit nog op te richten Nationaal Historisch Museum of Huis van de Democratie kan worden uitgelegd. We konden het bijna allemaal live zien: wat de Wille zur Macht vermag.

Maar de echte reden van hun succes ligt dieper, en heeft bovendien het geluid van de anderen doen verwaaien tot ’onverstaanbare klanken’.

Succesvolle en nadenkende politici noemen hun vak ’riding the tiger’ of ’de kunst van het mogelijke’. Ze weten hoe krachtig de ’stroom van de geschiedenis’ is. Ze werpen soms een ankertje uit, maar weten dat zij het schip van staat hooguit een beetje kunnen bijsturen. En als de stroom te sterk is, wordt het anker toch gelicht. Deze vergelijkingen willen niet zeggen dat politici altijd machteloze dobbers zijn op het wilde water. Integendeel, de politiek speelt zich ook af op de vaste grond. En daar geldt het gezegde: waar een wil is, is een weg. Zoals Dries van Agt als premier ooit zei over de dissidenten in zijn partij: „de honden blaffen, de karavaan trekt verder.”

Bij het aantreden van dit kabinet rijst de vraag: is het de wilskracht van een groepje politici die tot hun overwinning heeft geleid? Is het de zwakte van hun tegenstanders? Of is het de wind die over het land blaast, waarbij ’links’ de wind in het gezicht heeft, en ’rechts’ de wind in de rug?

Hoge- en lagedrukgebieden elders bepalen de wind hier in ons land. In de geschiedenis noemen we dit de forces profondes. We kunnen hier de bekende trits opsommen: turbokapitalisme, globalisering/Europeanisering, immigratie. Ik voeg er een vierde aan toe: de technologische revoluties, met instant communicatie als kern. Die laatste factor droeg ertoe bij dat we de afgelopen maanden bijna alles live hebben kunnen volgen, en dat elke Nederlander met een mening over de gedoogsteun door de PVV die ook kon uiten.

Maar wat is de dominante windrichting? Slechts ten dele kunnen we die de ’publieke opinie’ noemen. ’Opinies’ die publiek geuit worden zijn iets anders dan ’gevoelens’. Wat mensen diep in hun hart voelen, en hooguit binnenskamers tegen intimi zeggen, maar niet tegen een Nipo-opbeller, dat telt dus niet mee.

Al deze gevoelens kunnen ondertussen wél een belangrijker stempel drukken op ’het klimaat’ dan al die Nipo-peilingen bij elkaar. Zo heeft Maxime Verhagen slechts één keer zijn gevoelens laten blijken over een mogelijk middenkabinet met VVD en PvdA. Hij herhaalde in de Tweede Kamer wat zijn verre voorganger Mgr. Nolens in 1925 zei: dat zijn partij ’alleen bij uiterste noodzaak’ wilde samenwerken met links. Wie dus alleen afgaat op de ’publieke opinie’, onderschat de kracht van de emoties achter datgene wat – uit beleefdheid, berekening of uit angst – niet wordt gezegd.

Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de verliezers, de linkse partijen en de partij die overal tussenin zweeft, D66. Ik denk namelijk dat ’links’ wel hard roept over ’Bruin I’ maar in feite blij is met dit centrum-rechtse kabinet. Waarom? Omdat dit kabinet hen verlost van allerlei standpunten die ze buiten nog wel verkondigen, maar binnen al lang niet mee zo voelen. De kern ervan is dat segregatie intussen a fact of life is, en dat voortaan de mensen ’maar op hun eigen wijze zalig moeten zien te worden’ (Kant). Het liefst in hun eigen buurt.

Wat opvalt in de machtsstrijd van de afgelopen maanden is dat ’de mannen van de ferme wil’ meer profijt hadden van die wil dan van de kracht en precisie van hun argumenten. En dat de hoorbare tegenstanders in de media getalsmatig veruit in de meerderheid waren. Maar wat ze ook riepen, schreeuwden of scholden, of hoezeer ze ook in zachtere bewoordingen de blaren op hun tong praatten, het maakte allemaal niets uit. Cabaretier, columnist of commentator, prominent of oud-premier, ze sorteerden geen effect.

Neem het CDA, de partij van de Bijbel en andere canonieke teksten. Waarnemend partijvoorzitter Henk Bleker, dat lot uit de loterij voor de partij, begon het zo emotionele partijcongres in Arnhem met een citaat van kerkvader Augustinus, de ’zoekende denker’ uit de vierde eeuw: „Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zijn de tijdenWaarom teleurgesteld zijn, waarom mopperen? De wereld is slecht, jazeker, slechtWat is er dan zo slecht aan de wereld? Want de hemel, de aarde en het water zijn niet slecht, en alles wat daarin is, vissen, vogels en bomen ook niet. Al die dingen zijn goed. Nee, het zijn de slechte mensen die de wereld slecht maken!”

Bleker kreeg een ovatie.

Niemand van die bijna 5.000 CDA-ers stond op, en zei: „Broeder Bleker, u misbruikt die tekst. U liet de woorden ’op God’ weg.” De echte zin luidt: „Waarom teleurgesteld zijn, waarom mopperen op God?” Die ovatie bewees al aan het begin van het congres de stelling over alles wat met perceptie en publieke opinie te maken heeft: we horen wat we willen horen.

Later op de dag sloot Piet Hein Donner zijn korte pleidooi ’ik ben voor’ af met de woorden: „Apostel Paulus zei: ’Niet wat de mond binnenkomt, maakt de mens onrein, maar wat uit de mond komt, dat maakt de mens onrein’.” Hij kreeg zelfs een staande ovatie. Terwijl het volgens het evangelie van Matteüs toch echt Jezus was die dit zei. Tegen Petrus, die het niet begreep, verduidelijkte hij: „Weet je niet dat alles wat de mond binnen komt naar de buik gaat en er weer uitgaat op het gemak? Wat uit de mond komt, komt uit het hart, en dat verontreinigt de mens. Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. Dat zijn de dingen die de mens onrein maken; met ongewassen handen eten maakt de mens niet onrein.”

Bleker manipuleerde de boel een beetje, Donner bleek even niet zo bijbelvast als iedereen dacht. Maar de boodschap kwam over: we kunnen beter zelf de zaken in de hand nemen en, inderdaad, daarbij vuile handen maken dan dat we Wilders en zijn partij nog groter maken dan ze al zijn.

Hoe deze ’mannen van de ferme wil’ hebben geopereerd is – in termen van politieke krijgskunde – fenomenaal. Zij handelden in de betekenis van het woord ’elite’ uit de Oudheid: de aaneengesloten groep best getrainde soldaten die gevaarlijke klussen uitvoert in vijandelijk gebied. En trouwens ook volgens de leer van het marxisme-leninisme over de noodzaak van ’de voorhoede’ die gewapenderhand de macht diende te veroveren. Wat in Rusland in 1917 ook gebeurde. De manier waarop de Haagse weerspannigen (’de oude elite’ van de informateurs Lubbers en Tjeenk Willink, en ook de koningin) opzij werden gezet, getuigde van een bijna militaire vechtlust. Macht en autoriteit hangen nauw samen. Een kenmerk van ’autoriteit’ is het kunnen negeren van tegenstanders die er, op dat moment, even niet toe doen. Bleker, Verhagen en Donner lieten de prominente tegenstanders gewoon praten. De VVD-top reageerde niet eens op de tegenstem van partijleden als Winsemius, De Grave en Weisglas.

Tegenover dit gesloten peloton van ferme fietsers konden al diegenen die riepen dat we de andere kant op moeten, niets uithalen. Waarom niet? Deze vraag is belangrijk voor het begrip van machtsvorming, omdat het bon ton is te beweren dat we in een ’mediacratie’ leven. De media hebben de toegangsmacht: zij bepalen wie wel en niet een platform krijgt om wat te toeteren. De media hebben de ’discursieve macht’: zij bepalen in welk frame gebeurtenissen en opvattingen worden gezet en dus vanuit welke invalshoek wij het allemaal zien en horen. En ten slotte hebben de media ook nog ’de macht van de hulpbronnen’. Dat betekent dat zij, in dit geval, geld genoeg hebben om vijftig journalisten en camera’s permanent voor een dichte deur te stationeren.

En toch. Toch hebben al die massamedia, en al die tegenstanders van ’Bruin I’ die aan het woord mochten komen, niets uitgehaald. De huidige uitkomst zegt veel over de kracht van ’de wind’, in vergelijking met de kracht van de, meest kritische, opinieleiders. Die kracht wordt als zeer groot gezien, en terecht. Krantenonderzoek dat ik in 2005 deed met studenten naar het debat over het referendum over de Europese Grondwet wees uit dat het debat uiteindelijk werd gedomineerd door twee columnisten: Bob Smalhout in De Telegraaf en Ronald Plasterk in de Volkskrant. Beiden waren tegen. Zij waren de centrale personen waar de meeste schrijvers van opiniestukken, en ook journalisten zelf, aan refereerden. Waarom? Omdat zowel de rechtse Smalhout als de linkse Plasterk de kunst verstond de zaken zo te beschrijven ’dat medeburgers begrijpen wat er is voorgevallen’ – om te citeren wat de deze week overleden nestor van de Haagse journalistiek Willem Breedveld als zijn vak zag.

Van de lezers van de enerzijds-anderzijds-krant NRC Handelsblad, toch uitgesproken pro-Europeaans, bleek de helft voor en de helft tegen de grondwet. Dit bewijst dat het onzin is te menen dat meer informatie altijd tot betere besluiten leidt. Meer informatie kan ook verwarrend werken, waarna mensen toch hun gevoel laten spreken. En: hoe chaotischer ’de tijden’, hoe duidelijker die boodschap moet zijn.

Inzake Wilders’ gedoogsteun waren de verhoudingen voor-tegen nog veel eenzijdiger dan in 2005. Alleen columnist Smalhout en advocaat Bert Hiddema spraken zich unverfroren voor Wilders uit. De meeste andere opinieleiders fulmineren tegen Wilders en deze gedoogvariant. Een uitputtende lijst van voorbeelden zou een hele krantenpagina vergen. Afgezien van De Telegraaf heb ik in geen krant een hoofdartikel gelezen dat concludeerde: ’Ik zeg: doen!’ Trouw zette het manifest van verontruste CDA’ers op de voorpagina.

Belangrijke en zeer populaire intellectuelen en BN’ers verklaarden zich op televisie bijna unisono en luidruchtig tegen dit politieke experiment met Wilders. Dat Maarten van Rossem Wilders steevast als ’kermisgast’ ridiculiseerde: what’s new. Als lijstduwer van de PvdA in Utrecht zegt hij in wezen nooit iets anders dan ’stem toch maar PvdA’. Evenmin verbaast het dat Neêrlands populairste historicus Geert Mak vorige week bij onze oosterburen in Die Zeit het buitenland opriep in te grijpen. Opmerkelijker is het feit dat de man die ongeveer de populairste Nederlander is (of was) onder de Wilders-aanhang, Peter R. de Vries, ook niets klaarmaakte met zijn steeds uitgesprokener verzet tegen de PVV-voorman.

De vraag is waarom al die waarschuwingen van al die BN’ers tegen die ’verknipte Mozart’ nu vervliegen als snippers papier in de wind? Welnu, omdat ze de wind tegen hebben. Maar vooral omdat veel burgers kennelijk vinden dat zij makkelijk praten hebben, zelf lekker wonen, en ook niet met een doortimmerd alternatief komen om aan al die onlustgevoelens een einde te maken.

Misschien zouden al die alarmisten ook meer in de Bijbel moeten lezen. Daarin staat tenslotte de kern van de makke waar links momenteel aan lijdt, en wel in I Korintiërs, hoofdstuk veertien. Dat gaat over ’Profetie en klanktaal’. Een citaat: „Broeders en zusters, welk nut zou ik voor u hebben als ik bij u in klanktaal zou spreken zonder u tegelijk iets te openbaren, zonder kennis door te geven of iets te profeteren, of zonder u te onderwijzen? Het is als met een instrument, bijvoorbeeld een fluit of citer. Als er geen verschil tussen de tonen is, hoe kan men dan horen welke melodie er wordt gespeeld? En als een trompet een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd? Voor u geldt hetzelfde: hoe moet men u begrijpen als u in onverstaanbare woorden spreekt? U spreekt tegen de wind in!”

Het citaat slaat voor de linkse partijen de spijker op zijn kop. Allen roepen wat anders, nu eens dit en dan weer dat, en nog tegen de wind in ook. Een duidelijk alternatief ’verhaal’ is er helaas niet. Cohen zegt: ’iedereen telt mee’, maar sluit de ’Wilders-tokkies’ uit; allen zijn tegen een immigratiestop, maar zeggen niet hoeveel er per jaar dan wél bij mogen; Pechtold bestrijdt Wilders als ’onfatsoenlijk’ en heeft zelf als slogan ’Anders, Ja’. Maar gevraagd naar dat anders, zei hij onlangs in Paradiso: daar moeten we over gaan nadenken. En Halsema? Zij, vasthoudend bestrijder van Wilders in de Kamer, is tegen diens hoofddoekjesverbod, maar meldde afgelopen dinsdag dat ze nu een hoofdoekjesverbod voor minderjarige scholieren steunt. Duidelijk is anders.

Al die tegenstanders van het kabinet Rutte-Verhagen spreken niet alleen ’tegen de wind’, de vraag is intussen gewettigd of hun verzet authentiek is, of zij in hun hart niet eigenlijk blij zijn met al die rechtse maatregelen, met als kern immigratiebeperking en veiligheid op straat. Want laten we niet vergeten: het waren niet alleen de autochtonen in de ’Vogelaarwijken’ die lang geleden in verzet kwamen tegen de Überfremdung van hun wijk. Het waren ook de welgestelden binnen de Amsterdamse grachtengordel die vanaf medio jaren negentig protesteerden tegen feestgangers die ’wildplassen’ tegen hún pui.

Herman Vuijsje heeft in zijn anti-gedoogboek ’Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig’ (1997) precies beschreven hoe de strijd werd aangebonden met wildplassers en junks door blauwe neonbuizen op te hangen en de portieken af te sluiten met stalen hekken. Deze ’rot-op-acties’ duren onverminderd voort. Bewoners van de Concertgebouwbuurt stuurden op 16 september de gemeente een klaagschrift over alle overlast op ’hun’ Museumplein door grote evenementen en feestpartijen, zoals het WK voetbal. Het voorgenomen popevenement op Oudjaar moet verboden worden, „en zeker het soort volks feestgedruis daarvoor en daarna”. NRC Handelsblad publiceerde vorige maand een aanklachtreportage over de festivallisering van de grachtengordel, waar dag en nacht feestvierende studenten en anderen in hun sloepjes zingend en drinkend doorheen varen. Conclusie: rot op, deze buurt is van ons, de culturele elite.

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van maart heeft deze terugtrekking binnen de eigen buurt hardhandig duidelijk gemaakt. Steeds meer stemmen kiezers volgens hun eigen postcode: in Amsterdam-Centrum domineren GroenLinks en D66, in Amsterdam-Noord en -West behaalt Wilders al 20 tot 25 procent. Hetzelfde geldt voor andere steden en plattelandsgebieden. Columnist Frits (’Stem toch maar PvdA’) Abrahams riep in de NRC al op om de staatsgrens maar te verplaatsen naar déze kant van Brabant en Limburg.

De progressieve babyboomers dachten misschien, na de mislukte antikapitalistische arbeidersrevolutie van ’68, met een multiculturele samenleving een nieuw middel te verkrijgen om de gevestigde orde omver te werpen. De vraag is of ze het nu wel zo erg vinden dat die praktische segregatie een feit is. Ze wonen immers intussen zelf niet onaardig, en zijn bang om hun privileges te verliezen. Het grote verschil met ’de opstand der burgers’ van 2002 is dat nu boze burgers én elite denken: okay, we accepteren die multiculturele samenleving nu wel. Maar we willen er vanaf nu geen énkele last meer van ondervinden.

De woede van velen over de komst van Wilders binnen ’de invloed van de macht’ is ten slotte ook zo opmerkelijk omdat deze een verkapte woede lijkt over het ontbreken van een daadkrachtig antwoord van de eigen linkse partijen. Daarom richtte de woede van veel progressieve intellectuelen – Meindert Fennema, Jos de Beus, Joost Zwagerman, René Cuperus, Sylvain Ephimenco – zich in afgelopen jaren op ’de ondraaglijke leegte van links’.

Zo noemde Geert Mak een jaar geleden het verlies aan vertrouwen in onze politieke cultuur door onder andere het AOW-akkoord te bestempelen als „zorgelijker dan het verlokkende fluitspel van een Kamerlid dat zich heeft ontpopt als de nieuwe rattenvanger”. Volgens hem „voelen de verpleegster, de onderwijzer, de handarbeider, zich vernederd door de PvdA”. Nu roept Mak het buitenland op om in te grijpen om de rechtse wind te keren. De woede over de PVV is dus ook een verkapte woede op de eigen, dominant gewaande beschermheer die niet langer in staat blijkt de ideeën en belangen van een generatie die na 1968 aan de macht kwam te verzekeren.

Toch zou een wrokkige terugtrekking in een innere Emigration een gemakzuchtig wachten zijn tot de wind is gaan liggen. Juist links zou zich nu, met welke bijbel ook, moeten ’herbronnen’. Om dan te komen met een stevig en vooral duidelijk verhaal, vol ’profetie en klanktaal’. Wat Den Uyl in 1973 zei, en president Clinton in 1992, citerend uit bijbelboek Spreuken, geldt nog onverminderd: „Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk”.

Deel dit artikel