Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Geloof in leeg iets is geen geloof

Home

Koert van der Velde

Bijna veertig procent van de Nederlanders is 'ietsist', blijkt uit een onlangs gepresenteerd onderzoek (Trouw, 21/10). Kardinaal Simonis maakt zich al druk over 'het oprukken van het ietsisme'. Maar is 'ietsisme' werkelijk een nieuwe, hippe ontwikkeling? Over een marginaal verschijnsel en de capitulatie voor een te moeilijke opgave.

Vroeger hadden we nog gewoon gelovigen, ongelovigen oftewel atheïsten, en agnosten, mensen die niet geloven, maar ook niets uitsluiten. Sinds kort wordt het 'ietsisme' naar voren geschoven als spectaculair opkomend verschijnsel. Anders dan agnosten en atheïsten zouden ietsisten wel geloven, namelijk in iets.

Net als veel moderne christenen geloven ietsisten niet in een persoonlijke God, maar 'hangen zij een geloof aan zonder God', zegt men. Ietsisten hebben wel wat weg van moderne theologen zoals Theo de Boer en Gerrit Manenschijn die, zo lijkt het, ook nog maar weinig te geloven over hebben. Sommigen sjansen dan ook openlijk met ietsisme. Misschien zou je ietsisme kunnen zien als een minder gearticuleerde en wellicht postchristelijke variant van hun theologie.

Maar deze theologen geloven welbeschouwd nog best veel.

Theo de Boer bijvoorbeeld neemt het in Trouw (17/11) op voor het ietsisme en belijdt te geloven in 'het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid', alleen zou je dat volgens hem niet me-tafysisch moeten verstaan.

Ook is er een heleboel wat moderne theologen expliciet niet geloven. Manenschijn bijvoorbeeld stelt dat ,,niet meer betwijfeld kan worden dat met de lichamelijke dood ook ziel en geest ophouden te bestaan”. Zulke stelligheid lijkt op die van atheïsten als Herman Philipse, die stellig geloven in het niet-bestaan van God en zijn attributen. Ietsisten zijn anders. Zij geloven in 'iets', heet het, en dat iets heeft geen inhoud. Maar zoals een doos zonder inhoud leeg is, geldt dat ook voor geloof. Leeg geloof is geen geloof. Ietsisme 'geloof zonder God' noemen (Theo de Boer), doet aan het bedoelde verschijnsel dan ook geen recht. Het probleem zit niet in God of in welk religieus beeld dan ook. Geloven in iets is even problematisch als geloven in God, en dat is niet eens alleen omdat je je door een iets minder gemakkelijk zou kunnen laten aanspreken. Het probleem zit hem in het geloof, in de geloofsmanier van omgaan met een religieus beeld, namelijk in vertrouwen dat het waar is. Als ietsisten zulk vertrouwen konden hebben in hun 'iets', dan zou er binnen de kortste keren een ietsistenkerk ontstaan. Een ietsist, iemand die bij een enquête de mogelijkheid 'er moet iets zijn' aankruist, spreekt alleen een vage hoop of een vaag gevoel uit, zonder dat hij dit verder onder woorden zou kunnen of willen brengen. Een ietsist is een stamelaar. Hij beseft dat alle beelden tekortschieten, en dat er evengoed ook niets kan zijn.

De hele term ietsisme is welbeschouwd een gedrocht. Ismen duiden geloofssystemen aan, en dat is bij iemand zonder geloof en zonder aangehangen geloofsinhoud niet van toepassing. Ismen worden tegenwoordig als negatief beschouwd, ze duiden op ideologieën waarmee gedweept kan worden. Mensen die worden aangeduid als ietsisten kunnen we daarvan niet beschuldigen.

De introductie van de term ietsisme wordt door columnist Ronald Plasterk geclaimd, en deze atheïst probeerde er inderdaad iets negatiefs mee te bestempelen, namelijk 'een vaag geloof in iets omdat het mét iets plezieriger is dan zonder', dit om 'de angst voor de leegte' te bestrijden.

De aanvankelijk grappig bedoelde term bleek al snel ook serieus bedoeld levensvatbaar. Christenen zoals kardinaal Simonis zijn tegen. ,,Daar mag Onze Lieve Heer het dan mee doen, dat Hij gereduceerd is tot 'iets”, reageerde hij beduusd op de recente enquêteuitslag die veertig procent ietsisten zou hebben gemeten.

Andere christenen zijn er positiever over, en schuiven, met gevoel voor de tijdgeest, dat wat ze zelf mooi en heilig vinden eronder, zoals Theo de Boer: ,,Naar mijn idee draait het ietsisme om de vraag of er nog rechtvaardigheid is.”

'Oprispingen van gelovigheid', zijn het volgens socioloog Hijme Stoffels;

'een boertje met maagsap', verklaart het woordenboek bij 'oprisping'. De protestantse zendingsman Jan van Butselaar ziet de zuurkijkende ietsisten al voor de kerkdeur staan. ,,Zouden we ze kunnen helpen? Zouden we kunnen helpen met een Naam, met Christus?” Het ietsisme-debat staat aldus bol van het onbegrip.

Zijn ietsisten niet gewoon agnosten? Agnosten worden door gelovigen van theïstische en atheïstische kant even hard beschimpt als ietsisten. Gerrit Manenschijn noemt hen 'oppervlakkig', Herman Philipse vindt agnosticisme of agnosme gewoon 'onzin'. Mensen zonder geloof zijn kennelijk bedreigend voor de gelovigen. Ietsisten en agnosten cultiveren het besef dat ze niets weten. Beiden kunnen niet geloven, hebben geen voorstellingen waarvan ze vertrouwen of verwachten dat ze waar zijn.

Toch kunnen we een verschil verzinnen dat een term als 'ietsisme'

(geef het beestje toch liever een andere naam) rechtvaardigt.

Een ietsist is in ieder geval in theorie meer bereid de mogelijkheid dat er wellicht toch wel meer is, een rol te laten spelen in zijn levensbeschouwelijke leven. Hij voelt zich door dit gegeven aangesproken. De agnost niet, die blijft passief.

Mensen die zichzelf als ietsist neerzetten, zoals de publiciste Marjoleine de Vos, houden van traditionele religieuze vormen, zitten soms in de kerk en laten zich optillen en troosten door de religieuze muziek die er klinkt. Ze gaan erin mee, al is het maar even, om de beleving op te wekken van iets wat, toegegeven, misschien wel niets is.

Dit blijft voorlopig iets elitairs.

Want als werkelijk veertig procent van de bevolking ietsist zou zijn, dan zou je vollere kerken mogen verwachten, met relishoppers die zich misschien dan niet willen binden, maar die wel iets komen zoeken, in de hoop iets te beleven. Waar zijn de ietsisten in de kerk en in het new-agecentrum? Waar blijven de ietsisten met hun zelfgeknutselde rituelen, mythen en symbolen?

Ze zijn er nauwelijks. De meeste ietsisten blijven passief, net als agnosten. Maar anders dan agnosten ontberen ze niet alleen het vermogen te geloven, ze hebben ook een zeker religieus verlangen. De vervulling van dit verlangen wordt echter geblokkeerd. Ze zouden best graag iets religieus willen beleven, maar dat lukt ze moeilijk zonder geloof. De Vos bijvoorbeeld, gaat niet meer naar de kerk. ,,Dat heeft een heel eenvoudige reden”, schreef ze vorig jaar. ,,De liturgie is veranderd, en als vast onderdeel is nu het credo opgenomen, de geloofsbelijdenis waarin aan de parochie gevraagd wordt om te beweren dat men van alles en nog wat gelooft.”

Ietsisme is een teken van verlegenheid met ongeloofwaardige maar tegelijkertijd waardevol gevonden religieuze beelden.

De theologen die geheel onterecht nog niet verlegen zijn geworden als reactie op het geloofsprobleem dat ietsisten wél onder ogen durven gezien, buitelen over elkaar heen met hun van onbegrip getuigende analyses van de 'ietsistische tijdgeest'. Dit terwijl ietsisme helemaal geen nieuwe ontwikkeling aanduidt, en er al helemaal geen groei van het aantal ietsisten is te zien. Sinds 1979, toen men mensen die beaamden dat 'er iets moet zijn' nog geen ietsisten noemde, neemt hun aantal in enquêtes zelfs licht af.

'Ietsist' zijn is niet leuk of hip, het is op levensbeschouwelijk gebied een marginaal, onzichtbaar bestaan, een capitulatie voor een misschien wel te moeilijke opgave.

Koert van der Velde werkt aan een proefschrift over 'religiositeit zonder geloof'.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie