Gekleurd door twee culturen

home

IRIS PRONK

Krachtig kijken ze de camera in, de veertig volwassen geadopteerden in het nieuwe fotoboek 'Gekleurde identiteit'.

Ze heeft felrood gestifte lippen en een leren jackie in dezelfde brandweerkleur. Haar donkere ogen dwingen respect af: deze Christina Kraaijveld is geen doetje, denk je onwillekeurig, maar een heel sterke vrouw.

Alle veertig geportretteerden in 'Gekleurde identiteit', een nieuw fotoboek van Ton Hendriks, lijken sterke persoonlijkheden. Dat komt door de open en indringende manier waarop ze de camera in kijken. 'Dit ben ik', spreekt er uit tachtig ogen, 'bekijk me maar rustig, ik kijk niet weg'.

Fotograaf Hendriks wil de 'uiterlijke schoonheid' en 'innerlijke kracht' van volwassen geadopteerden tonen, schrijft hij in het nawoord van zijn boek. Dat doet hij ook in tekst: hij interviewde alle geportretteerden over hun identiteit. Die wordt gekleurd door twee culturen: hun geboorteland en het milieu van de Nederlandse adoptieouders. Soms botsen die hevig, zoals bij Christina, die zich gevangen voelde in Bensdorp, een kleine christelijke gemeenschap bij Den Haag. "We keken thuis altijd braaf televisie met een zak chips en een glaasje cola", vertelt ze. Ging ze verplicht naar de kerk, dan waaide haar geest vanuit de banken naar buiten, "naar de lucht, naar de vrijheid". Terug naar de bron in Libanon.

Christina was in Bensdorp "een bezienswaardigheid"; voor haar een akelig gevoel. Het besef anders te zijn keert terug in alle veertig verhalen. Zo werd Céline van Dormalen (Chili) als kind vaak 'dat Indiaanse meisje' genoemd. "De buitenwereld attendeerde me steeds op mijn uiterlijk. Als kind zag ik mezelf niet als gekleurd; de omgeving gaf me een kleur." Ferewe van Vugt (Ethiopië) identificeerde zich als puber met Surinamers en Antillianen terwijl hij "dacht als een blanke Nederlander". Heel verwarrend allemaal.

De zoektocht naar de biologische ouders is een ander belangrijk thema. Een enkeling is niet nieuwsgierig, zoals Dennis van der Helm die zichzelf "te nuchter" vindt om zijn Haïtiaanse ouders te zoeken. Maar verreweg de meeste geadopteerden doen wel veel moeite om hun levensgeschiedenis te reconstrueren, soms met hulp van het tv-programma 'Spoorloos'. Lukt dat, dan levert dat weer nieuwe vragen op: moet je je hervonden familie financieel steunen?

Ook de adoptieouders spelen een hoofdrol in deze 'gekleurde levens' en lang niet altijd een glansrijke. Zo zijn opvallend veel ouders uit het boek gescheiden na de komst van hun adoptiekind. Ferewe bleef daarna bij zijn adoptiemoeder wonen en constateert achteraf dat hij een vader heeft gemist. Het Nederlandse leven van Monisha Malini Yedge (India) wordt al gauw vergald door een klassiek figuur: de boze stiefmoeder, compleet met psychiatrisch dossier.

Het ouderlijk gerommel en gemiskleun doet adoptiehoogleraar René Hoksbergen, die het voorwoord schreef, verzuchten dat "aan adoptieouders bijzondere eisen worden gesteld. Adoptieouders mogen niet scheiden en mogen niet doodgaan".

Soms doen ze dat toch. Hun kinderen worstelen, bijna alle adoptiekinderen worstelen. De meesten komen krachtig boven, als je de foto's van Hendriks mag geloven.

'Gekleurde Identiteit' van fotograaf en auteur Ton Hendriks wordt vandaag om 15 uur gepresenteerd in Amsterdams cultureel centrum De Balie tijdens het programma Tweedehands kind? Kaarten online verkrijgbaar via www.debalie.nl. Het boek kost 22,50 euro en is verkrijgbaar in de boekhandel.

Lees verder na de advertentie

Ik noem me geen Nederlander omdat ik me nooit geaccepteerd heb gevoeld

Pas op mijn derde werd ik samen met mijn broer geadopteerd uit een kindertehuis in Port-au-Prince. We groeiden op in Capelle aan den IJssel waar we als enige donkere jongens erg opvielen en dat was niet altijd in ons voordeel. De basisschool bij ons in de straat liet ons niet toe vanwege onze huidskleur. We moesten naar een 'zwarte school' een heel eind verderop in Capelle. Daarom moesten we gebracht en gehaald worden. Als kind begreep ik dat helemaal niet omdat ik bij blanke ouders opgroeide en me blank voelde.

In de documenten die mijn adoptieouders hadden bewaard, ontdekte ik de namen van mijn biologische ouders. Onze ouders hadden niet de behoefte dat aan ons te vertellen zolang wij er niet om vroegen. Vanaf de middelbare school ontstond bij mij de sterke behoefte mijn biologische ouders te leren kennen. Ik ging beseffen dat al mijn vrienden op hun ouders leken zowel uiterlijk als in hun gedrag, maar ik had geen enkele referentie. Ik wilde weten op wie ik leek. Ik wist niet hoe ik mijn behoefte aan kennis van mijn biologische oorsprong moest uiten. Zelfs wanneer mijn ouders vroegen of ik naar Haïti wilde, ontkende ik dat. In die periode scheidden mijn ouders. Ik zocht mijn heil in uitgaan, drinken en roken. Veel van mijn allochtone vrienden hadden sociale problemen die ik herkende, waardoor ik me bij hen thuis voelde. Antillianen en Surinamers zagen mij ook als een van hen. Tot op heden heb ik me altijd met allochtonen geïdentificeerd, mede omdat ik te weinig weet van Haïti. Ik kan me ook geen Nederlander noemen omdat ik me nooit volledig geaccepteerd heb gevoeld. Maar mijn identificatie met Surinamers en Antillianen is problematisch omdat zij een eigen taal spreken die ik niet begrijp. Omdat ik nog niet in Haïti geweest ben, heb ik mezelf nog niet gevonden.

Ik voelde me alsof ik afgekapt was van de rest van de wereld, ook van Libanon

Mijn ouders kwamen uit grote families maar konden zelf geen kinderen krijgen. Na drie miskramen besloten ze te adopteren. Het was hun enige optie en tevens een goede daad, althans dat vonden zij. Ze adopteerden mij en daarna nog twee kinderen uit Libanon en kregen nog een eigen kind. Hun keuze kwam uit op Libanon omdat zij een dominee kenden die in contact stond met de Libanese vrouw Atla die daar de adopties regelde. Zij werkte samen met de christelijke kerk in Beiroet. In de islam is adoptie verboden, maar bij de christelijke Libanezen was het mogelijk.

Er zijn totaal geen papieren en die zijn waarschijnlijk ook nooit officieel opgemaakt. Bij mijn overhandiging werd niets verteld en blijkbaar hebben mijn ouders ook niets gevraagd. Ik had niet eens een visum voor Nederland maar een piloot van de KLM sluisde me door de douane.

Ik kwam terecht in Bensdorp, een kleine christelijke gemeenschap in de buurt van Den Haag. Mijn vader was directeur van een school. Hij ging alle klassen met mij rond. Als een bezienswaardigheid werd ik binnengehaald. En dat heeft mijn jeugd gekenmerkt. Ik voelde me altijd anders in het dorp. Ik heb me altijd een Libanees gevoeld en ik heb ook altijd gevoeld dat Nederland mij heeft willen veranderen. Je moest overal in de pas lopen. Als we naar de kerk moesten, ging ik met mijn geest naar buiten, naar de lucht, naar de vrijheid. Ik voelde me alsof ik afgekapt was van de rest van de wereld, ook van mijn land van afkomst, Libanon. Op mijn achttiende ging ik het huis uit, zocht mijn eigen vrienden en ging mezelf ontdekken. Van de wereld wist ik op dat moment helemaal niets. We keken thuis altijd braaf televisie met een zak chips en een glaasje cola. Nu ik zelf moeder ben, heb ik eindelijk een basis omdat het kind biologisch van mij is. Nu heb ik eindelijk wortelgeschoten.

Van mijn biologische ouders weet ik niets. Ik ben als ondervoede baby bij een ziekenhuis in Addis Abeba gebracht en van daaruit is mijn adoptie in gang gezet. Op Schiphol werd ik als negen maanden oude baby overhandigd aan mijn adoptieouders bij wie ik in Nieuwerkerk aan den IJssel kwam te wonen. Mijn jeugd was gelukkig maar toen ik zeven jaar was, scheidden mijn ouders. Ik ging bij mijn moeder wonen en achteraf kan ik zeggen dat ik een vader heb gemist; iemand die me kon leren om in het leven te staan, iemand naar wie je kon opkijken. En ook iemand die me discipline had kunnen bijbrengen en tegengas had kunnen geven. Daarbij kwam dat ik niet met mijn moeder kon opschieten. Zij had een chronische ziekte waardoor ik altijd voor haar moest zorgen.

Zelf vond ik niet dat ik er anders uitzag maar door de opmerkingen van mijn klasgenoten ging ik wel begrijpen dat ik een andere huidskleur had. Capelle, waar ik met mijn moeder woonde, was een blank dorp dus ik viel erg op. Het liefst wilde ik op mijn moeder lijken, dus als de zon scheen bleef ik in de schaduw om niet donkerder te worden.

In mijn tienerjaren identificeerde ik me met allochtonen. Hoewel ik me in alle culturen kon bewegen, van Marokkaans tot Surinaams, wist ik niet wie ik zelf was. Die identiteitscrisis is minder geworden maar ik voel nog steeds een dubbelheid.

Op mijn zeventiende begon ik me te verdiepen in muziek mede onder invloed van mijn adoptiefamilie. Mijn adoptievader is heel muzikaal en mijn broer heeft een muziekschool. Ik ben nu rapper en produceer muziek. Door mijn adoptie heb ik een bepaald groeiproces kunnen doormaken dat anders niet mogelijk was geweest. Het leven zit goed in elkaar.

Door mijn adoptie heb ik een bepaald groeiproces kunnen doormaken

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie