Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Geen lichtvaardige hobby

Home

SHIRAH LACHMANN

Wie is de ware liefhebber van kunst? De beroeps die veertig keer om den brode hetzelfde stuk speelt? Of de amateur die weliswaar gedijt bij publieke aandacht, maar die genoegen neemt met een expositie in de plaatselijke bibliotheek? De Tweede Kamer wil meer aandacht voor de beoefening van amateurkunst, en staatssecretaris Aad Nuis is het daarmee eens. Maar waarom, omdat de amateur, soms 'de kunstzinnige burger' genoemd, een intensieve bezoeker van professionele kunst blijkt? Of vanwege de eigen merites van de amateur? De komende weken onderneemt Trouw een speurtocht naar de oprechte liefhebber. Vandaag: De Plankeniers.

Nederland functioneert op halve kracht tussen Kerst en Oud & Nieuw, maar in de foyer van het eigen theater is de artistieke commissie - van wie Inez Bronsing al sinds 1956 bij de Plankeniers speelt - druk aan het vergaderen; over iets meer dan een maand gaat de derde produktie van het seizoen in première, 'De revisor' van Nicolai Gogol. Boven ons hoofd in het 150 stoelen tellende zaaltje wordt druk getimmerd. Medewerker Ruud Brakelé maakt een podiumuitbouw voor 'De revisor'.

Voor zijn theater betaalt de stichting de eigenaar, uitgeverij Strengholt, de symbolische huur van één gulden per jaar. Leon Prins: “Het is tamelijk uniek. Alleen in Vlissingen schijnt er nog een gezelschap te zijn met een eigen theater.” Daarnaast hebben ze ook een eigen bespreekbureautje, waar wel eens mensen binnenlopen die denken dat ze er ook kunnen reserveren voor voorstellingen in het Bussumse theater 't Spant. Tenslotte heeft de Plankeniers een mailingbestand van zo'n 900 abonnees. Hanneke Poelstra: “In die zin zijn we semiprofessioneel, maar de medewerkers zijn allemaal amateurs.”

Per seizoen brengen de Plankeniers vier à vijf produkties. Meestal starten ze met twee lichtere stukken, dan volgt het stuk 'voor onszelf', aldus Poelstra, en vervolgens weer een blijspel of komedie. De vijfde produktie kan bestaan uit een paar eenakters, een kindervoorstelling of een gastproduktie.

Twee commissieleden, Marita Delfos en Theo Hoogsteder, vinden dat dat 'voor onszelf' nadere uitleg behoeft. Delfos: “We laten wel eens een stuk schieten omdat we denken dat de abonnees het mogelijk niet zullen waarderen, maar we staan achter àl onze stukken. 'Het verjaardagsfeest' van Pinter kan moeilijk zijn, maar het is een fascinerend stuk en daarom hebben we het toch gedaan. Een aantal bezoekers was inderdaad minder enthousiast.”

Het repertoire-overzicht van 1946 tot 1994 vertoont een bonte mengeling. In de begintijd veel stukken van de oprichter, mr. H. M. Planten die hoofdredacteur was van het Algemeen Handelsblad, maar ook 'Volpone' van Ben Jonson en 'De getemde feeks' van Shakespeare. In later jaren duiken stukken op van Tsjechov, Van Eeden, Coward, Anouilh en Huxley.

Bontsje Breen: “Wat we spelen moet wel enig niveau hebben. Daarnaast moeten we rekening houden met de medewerkers die graag willen spelen èn we moeten denken aan onze abonnees: als die weglopen, kunnen wij niet meer spelen.”

De Plankeniers kunnen zichzelf bedruipen en zijn daar ook trots op, maar er zijn wel degelijk financiële zorgen. Hoogsteder: “Voor de exploitatie kunnen we ons redden met de contributies, abonnementsgelden en losse verkoop. Maar er komt een moment dat we bijvoorbeeld de theaterstoelen moeten vervangen.” Poelstra: “Daar komt bij dat de drie gemeenten hier onze verzoeken naar elkaar doorschuiven. Officieel vallen we onder de gemeente Huizen, maar we hebben de meeste abonnees in Naarden en ons bespreekbureau zit in Bussum. We worden van het kastje naar de muur gestuurd.” Hoogsteders verzoek aan staatssecretaris Nuis zou zijn: “Richt een speciaal fonds op waar amateurgezelschappen terecht kunnen voor eenmalige subsidies; die zouden de continuïteit moeten waarborgen.”

Voor de realisatie van het vijftal produkties - die ieder gemiddeld tien keer worden gespeeld - kan de Plankeniers beschikken over 150 medewerkers, van wie er zo'n zeventig op de planken willen staan. Dat maakt het mogelijk dat er soms voor drie stukken tegelijk wordt gerepeteerd, al valt het niet altijd mee voldoende mannen te vinden in de leeftijd van dertig tot vijftig voor de dragende rollen. Als hobby laat het zich moeilijk combineren met een volledige baan of als je jonge kinderen hebt. Poelstra: “Bij ons speelt dat probleem heel nadrukkelijk, omdat we zo lang spelen.”

Dick Woudenberg (67) - nog op sjiek, omdat hij naar het nieuwjaarsgala van Het Nationale Ballet is geweest - en Roeli Westerbeek (65) zijn respectievelijk zo'n 35 jaar en 17 à 18 jaar verbonden aan de Plankeniers. Spelen doen ze echter al sinds de middelbare school. Voor Woudenberg lag nieuwsgierigheid aan de bron van zijn interesse. “Ik wil weten hoe mensen in elkaar zitten en met elkaar omgaan. Daarnaast wil ik mensen ontmoeten en het geeft je bevestiging dat je iets goed doet.”

Westerbeek raakte geïnteresseerd via het declameren. “Daar had ik blijkbaar wel aanleg voor. Met Kerst deden we op school een keer het gedicht 'Beatrijs' van Boutens. Ik droeg voor en op het toneel werd het gedicht in pantomime uitgevoerd. Teksten zijn voor mij belangrijk. Je moet ook dingen van jezelf laten zien die je in het dagelijks leven niet zo snel blootgeeft. Ik vergelijk het wel met bergbeklimmen; toneelspelen heeft ook iets engs, je moet niet bang zijn.”

Toen hij in zijn studietijd bij het studententoneel ging, was Woudenberg definitief verkocht. “Het eerste stuk dat we speelden, was 'Antigone'. Dat was zo boeiend; ik werd gegrepen en ben er ook niet meer van losgekomen. Sindsdien heb ik bijna ieder jaar een rol gespeeld. De regie was van Arend Hauer en zijn vrouw Teuntje. Zij waren een begrip in Amsterdam. Dat waren toneelpedagogen van de goede soort.” Westerbeek knikt enthousiast ja. Ik heb veel van ze geleerd.

Allebei investeerden ze veel in hun hobby. Beiden hadden zangles, Woudenberg volgde onder andere ook balletlessen en Westerbeek nam onder meer toneellessen bij Elise Hoomans. Beiden hebben ook ervaring opgedaan met het beroepstoneel, maar toch of juist daarom bleef hun keuze bij het amateurtoneel.

Westerbeek studeerde economie en kwam terecht in het bedrijfsleven. “Ik deed dat met veel plezier, maar dat was niet mijn hobby. Er zíjn beroepsacteurs die van hun hobby hun beroep hebben gemaakt. Misschien is het ook angst: ik speel liever een mooie rol bij het amateurtoneel dan een oninteressant rolletje bij de professionelen.”

Woudenberg vond het niet interessant genoeg als levensvulling. “Het is aanvullend. Ik heb in 1988 met Willem Nijholt zo'n 100 keer gespeeld in 'De verbroken code' naar het boek 'Alan Turing - The enigma of intelligence' van Andrew Hodges. Toen wist ik het zeker: dit wil ik nooit meer.” Woudenberg studeerde letteren, stond jaren voor de klas 'tot het niet meer leuk was' en werd na een studie sociale pedagogie psychotherapeut.

Maar ook als hobby moet je toneelspelen serieus nemen. Woudenberg: “Het is geen lichtvaardige hobby. Je moet inleveren - soms drie avonden per week - en je moet ter beschikking zijn. Het is fijn als anderen het ook zo serieus opvatten.” Westerbeek vult aan: “Het is een veeleisende hobby. Je verwacht dat mensen het beste geven wat ze in huis hebben.”

Wat hen bij het beroepstoneel vooral aansprak was de repetitieperiode. Westerbeek: “Elke dag was je van elf tot vijf bezig met tekst, met improvisaties. Ik heb toen ontzettend veel geleerd.” Woudenberg: “Ik chargeer, maar de beroepsmensen beginnen daar waar de amateur ophoudt. Bij de tweede repetitie kende men zijn tekst en in de tiende ging het over heel andere dingen. Die vlucht, het uitstijgen boven de materie, vind ik uitermate boeiend.”

“Een première is nooit de beste voorstelling. Na vier, vijf keer ga je pas echt spelen. Bij de Plankeniers hebben we het voordeel dat er meerdere voorstellingen worden gespeeld. Dat is wel nodig.” Westerbeek: “Als je maar twee keer speelt, is het niet meer leuk.”

Voor zover zij tijd hebben, gaan Westerbeek en Woudenberg ook naar het beroepstoneel. Westerbeek: “We zijn liefhebbers van toneel en gaan dus ook graag kijken.” Dat geldt overigens voor alle geïnterviewde Plankeniers. Een twaalftal medewerkers gaat zelfs ieder jaar naar Londen en ziet dan in drie dagen vijf of zes stukken. Westerbeek benadrukt dat ze ook naar voorstellingen van andere amateurgezelschappen gaat. “We zijn het een beetje aan elkaar verplicht om elkaars publiek te zijn.”

Deel dit artikel