Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Geen idee dat ik een oeuvre had

Home

Sofie Cerutti

Dichteres en vertaalster Anneke Brassinga ontvangt binnenkort de Constantijn Huygensprijs, de eerste onderscheiding voor haar hele oeuvre. „Dichten heeft een ander soort zwarigheid dan vertalen.”

Veel van haar dichtbundels werden bekroond, maar een oeuvreprijs had de dichteres helemaal niet verwacht. „Ik had geen vermoeden. Welnee. Ik had geen idee dat ik een oeuvre had. Dat heb ik – denk ik – ook niet, want ik ben nog lang niet klaar met dichten. Maar blijkbaar zien de mensen er wat in, en dat doet mij heel veel genoegen. Blijkbaar is mijn bestaan toch acceptabel.”

Anneke Brassinga ontvangt bezoek op haar etage aan een klein Amsterdams stadspark, waar aan de ene kant overdonderend licht binnenvalt en aan de andere kant de hagel tegen de ramen slaat. „Heb je bezwaar tegen koffie van twee uur oud?”

Zestig jaar is ze; langer dan één meter zestig is ze niet en meer dan vijftig kilo zal ze zeker niet wegen. Ze zit kaarsrecht op een houten stoel, praat met zachte, maar besliste stem. Een stem die verleidt, vermaant, doceert, twijfelt. Een stem die je gemakkelijk op het verkeerde been zet, net als haar poëzie. Drama genoeg, maar het staat er vaak of het allemaal ontzettend grappig is.

„Dat hoort geloof ik wel bij elkaar. Hoe hoger de nood, hoe meer grappen. Met humor kun je veel ergere dingen zeggen dan zonder. Dat helpt een gedicht het hoofd boven water te houden.”

Al te direct moeten de emoties naar haar smaak niet verwoord worden, al kan een gevoel of gebeurtenis best uitgangspunt zijn voor een gedicht. „Zoveel emoties zijn er ook weer niet. Er zijn er maar een paar, en iedereen heeft dezelfde. Als een gedicht te universeel is, is het misschien wel herkenbaar, maar wat heb je daaraan. Dan kan ik net zo goed een potje gaan huilen, of hier het servies kapotgooien. Dat doe ik allemaal ook, natuurlijk. Maar een gedicht is iets anders. Een gedicht is een bezwering, een eenmalige formule.”

Vertalen is een heel ander vak. „Vertalingen zijn tijdrovender. Het gaat ook steeds moeizamer: hoe langer je het doet, hoe langzamer het gaat. Je wordt gewetensvoller, nauwkeuriger. En ik hoop dat ik inmiddels een wat scherpere blik heb. Een grotere woordenschat. Als de boeken die ik vertaald heb, herdrukt worden, ga ik er liefst opnieuw helemaal doorheen.

„Dichten heeft een ander soort zwarigheid dan vertalen. Het gaat iets meer buiten jezelf om. Ik begin geloof ik betrekkelijk associatief aan een gedicht. Gewoon wat raaskallen tot er iets komt. Een regel, bijvoorbeeld. En daar klonteren zich andere regels aan vast. En dan ga ik zitten mompelen, luisteren of het goed klinkt.

„Soms staat een gedicht er in één keer: je wordt wakker en je ziet het staan. Dan schrijf ik het domweg op. Maar soms.. ik ga door tot het af is. Een gedicht wegleggen doe ik nooit. Nou, héél soms misschien, maar dat vind ik dan wel héél erg. Ik heb laatst drie weken op een gedicht zitten ploeteren.”

Waar dat mee te maken heeft, of een gedicht er in één keer staat of dat het weken duurt, kan ze eigenlijk niet goed uitleggen. „Het hangt misschien af van hoe diffuus het is, wat je wilt verwoorden. Als het een gedachte is die je al had voor je het gedicht begon, is het moeilijker dan als de gedachte zich pas vormt als je aan het schrijven bent. Met het gedicht ’Zeemeeuw in boomvork’ ben ik nog steeds erg content. Dat heb ik half slapend geschreven, en het was in één keer goed. Dat voelt alsof het je gedicteerd wordt. Door je betere ik. Of zoiets.”

Ze draait nog een shagje – Brassinga is een van de weinige zestigjarige dames die Javaanse jongens roken en dat nog elegant weten te doen ook.

Proza is wéér heel anders. „In proza kun je echt je gang gaan. Je kunt doen of het eind nog lang niet in zicht is. Maar een roman... ik ben er wel eens aan begonnen, maar het werd een soort encyclopedie, met losse lemma’s. (’Hapschaar’ – red.) Een roman in de traditionele betekenis van het woord zou ik niet willen schrijven. Ik probeer nu wel een roman te maken, maar dat wordt een non-fictieroman. Waarover? Dat zeg ik niet.”

Soms zijn Brassinga’s teksten compact en sober, soms uitgesproken exuberant. „Roomsoezend rozenvingerig in bovenkelder / spoot nageboorte uitspondig om zeug te bewaren voor beer. / Het onwelluidend craquelé van vallende satori was / kortstondig. Goudgetande kraaien speurden zich / naderbeen ongans naar ’t hardplastieken schuifétui.”

In beide vormen kunnen heftige emoties en humor samengaan, wat de auteur des te ongrijpbaarder maakt. „Die bestaat natuurlijk uit meerdere personen”, grijnst Brassinga. „Maar de prozaschrijfster is het aardigst.”

Die dubbelheid is er ook op het podium. Brassinga amuseert en schertst, maar treft ook en legt desnoods genadeloos bloot. „Ik vind het wel leuk, optreden. Het is natuurlijk een vorm van ijdelheid. Als ik optreed en de zaal reageert goed, heb ik het gevoel dat mijn creatieve afzondering getolereerd wordt. Dat ik niet helemaal buiten het maatschappelijk bereik sta, maar toch een beetje bij de familie hoor.”

Deel dit artikel