Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gedichten in beweging

Cultuur

T. van Deel

Review

Vanaf zijn debuut 'Boerentijger' in 1990 heeft Tonnus Oosterhoff zich laten kennen als een schrijver, die met opzet niet de gemakkelijkste weg kiest. Zijn gedichten, essays, verhalen en roman - die laatste, 'Het dikke hart', is zojuist herdrukt - lijken op weinig anders in die genres. Het is alsof hij de gewaande regels voor het schrijven niet wil accepteren en telkens opnieuw zoekt naar de juiste, altijd afwijkende uitdrukkingswijze. Elk automatisme is hem vreemd en dat maakt zijn werk zo eigenzinnig, spannend en raadselachtig.

Zijn nieuwe dichtbundel, 'Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen', heeft op de omslag een schitterende mescaline-tekening van Henri Michaux, bestaande uit vele honderden kleine, rode en zwarte krabbeltjes, die tezamen een oneindige wereld vertegenwoordigen van onbestemdheid en beweging. Precies zo zou Oosterhoff met taal in poëzie willen werken, niet in gesloten, figuratieve vormen, maar in open, verglijdende. Vandaar dat hij nu, voor het eerst, gedichten publiceert die nog in wording zijn, althans dat wil hij suggereren met de zelfs vaak over de gedrukte tekst heen geschreven varianten in handschrift.

Het slotgedicht is daarvan een helder voorbeeld. Het begint in de gedrukte tekst met twee open plekken die met de pen worden ingevuld: 'Toe breek dit huis af / Gebruik mijn pneumatische hamer'. Zoals in veel gedichten het geval is, speelt dit gedicht in op een andere tekst, namelijk 'Herbsttag' (Herfstdag) van Rilke, met die gedenkwaardige regel ,,Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr' (Wie nu geen huis heeft, bouwt er geen meer). Ook in Oosterhoffs gedicht is het najaar en er komt zelfs een Duits klinkend woord in voor: 'windspiel' in de betekenis van 'storm'. Bovendien is de zesde versregel open gelaten en is daar in handschrift ingevuld: ,,Ach wie nichtig, ach wie flüchtig' (Ach hoe nietig, ach hoe vluchtig), een regel waarvan ik de herkomst niet ken. Het gedrukte gedicht eindigt met de strofe:

'Toe breek mijn huis af,

ik ben ten dode. Wereld!

Langsgeworpen modderkluit

Dan houdt dit huis het langer uit'

In handschrift, schuin aan het einde van de pagina, wordt de Duitse verzuchting over het nietige en vluchtige (van het bestaan) nog drie keer herhaald. Niet altijd zijn de geschreven toevoegingen zo duidelijk, bij voorbeeld levert de invulling van de open plek voor het woorddeel 'ades' de volgende mogelijkheden op: gallopades, brookades, Hades, drie open varianten dus.

Wie nu denkt, dat het lezen van deze poëzie neerkomt op lastig puzzelwerk, vergist zich. In het interview met deze krant van vorige week vrijdag zei Oosterhoff heel terecht: ,,Ik wil het mijzelf moeilijk maken.' Daarmee bedoelde hij dat hij de gebaande schrijfpaden per se wil vermijden. Dat levert vanzelfsprekend ook voor de lezer ongebruikelijke tekst op, die moeilijkheden kan veroorzaken. Maar daar staat weer tegenover dat de formuleringen in deze poëzie zo treffend zijn en vaak zo geestig, dat ze genomen worden precies voor wat ze zijn en zeggen. ,,Een goed mens is iets heel eenvoudigs, / maar laat je hem vallen, dan kun je hem weggooien. / Als het verband eruit is, krijgen / de knapste vaklui dat er nooit meer in.' Zo klaar als een klontje.

Alles is in principe voor Oosterhoff bruikbaar: een BNN-verslag van Bart de Graaff uit Los Angeles, een krantenbericht over een insect met ogen die uit vijftig lenzen bestaan die elk apart een beeld van de wereld aan het insect doorgeven, de ruiming van koeien, de poëzie van Lucebert, woorden die rondlopen (in elkaars staart bijten), een inventio van Bach. Op BWV 773 is zelfs een driedelig gedicht geïnspireerd, de partituur gaat eraan vooraf met de opdracht: ,,(hoor dit eerst)'. Dat kan, want aan de bundel is een cd-rom toegevoegd en het eerste dat je kunt aanklikken is deze inventio.

Meer nog dan in de bundel mogelijk is, laat deze cd-rom gedichten in beweging zien (zo heet hij dan ook). Wat dat betekent, kan ik alleen maar omschrijven in beeldende termen. Het schijfje bevat twaalf gedichten, waarvan er slechts een enkele in de bundel staat, het meeste is nieuw en extra. Soms verschijnt er op het scherm een stuk tekst waar na verloop van tijd allerlei veranderingen in optreden, alsof iemand bezig is varianten aan te brengen. Soms ook begint het met een woord dat aangevuld wordt en uitgroeit tot een tekstgedeelte, dat vervolgens weer verdwijnt en later, gewijzigd weer opdoemt. Het is een muzikaal, en ook beeldend, te noemen procédé, dat ongelooflijk sterk werkt, vanwege de ritmiek van opkomen en verdwijnen en vanwege de overvloed aan betekenissen die erdoor ontstaat.

Uit dit schijfje blijkt pas echt hoe woord- en zingevoelig het in deze bundel toegaat en wat het betekent als je naar een beweeglijk gedicht streeft, een gedicht dat geen betekenis insluit, maar tal van betekenissen ontsluit. Een gedicht ook dat talloze gedichten genereert - het is een opgetogen makende ervaring. Met een bundel als deze staat de poëzie in directe verbinding met de zusterkunsten, de muziek en de beeldende kunst. En wie heeft ooit zo luchtig en ironisch het aldoor maar verglijden van de tijd, dit onvermijdelijk poëtisch cliché, onder woorden gebracht als Oosterhoff in deze strofe?

'Wat hebben de vlijtige breisters de roze strikgodinnen

losgemaakt uitgehaald maar doen voortglijden?

Het volle maantje wordt werd wordt.

De zonnevlecht ligt lag ligt op rusteloos de baren.'

Deel dit artikel