Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gauguin in Staphorst

Home

COLET VAN DER VEN

Van zijn vijfde tot zijn zestiende woonde Koos Geerds in Staphorst en in die ruim tien jaar werd zijn liefde voor dit 'dorp onder de dorpen' gewekt. Zijn - zesde - dichtbundel 'Staphorst' is de neerslag van die liefde. In veertig gedichten schetst Geerds het dagelijkse leven, de grootsheid en kleinheid van deze, van traditie, nuchterheid en geloof doortrokken gemeenschap, en brengt hij kleurrijke personages uit het verleden tot leven. Staphorst: een dichtbundel als een monument.

God woont niet op het dorp in kamerhoeken, zoals de spotter denkt, maar overal.

Ik heb deze zin van Joseph Brodsky gekozen als motto voor het boek. Het is bedoeld als een milde waarschuwing aan de lezer. Een knipoog met een serieuze ondertoon. Ik heb me altijd wild geërgerd aan mensen die meenden alle clichés over Staphorst te moeten uitstorten zonder het dorp en zijn bewoners te kennen, en ik vond daarin steun bij Brodsky. Ik heb een andere ervaring van Staphorst. Mijn Staphorst is een veelvormige, veelkleurige gemeenschap en die probeer ik in de bundel tot leven te wekken. Een gemeenschap die opereert als een collectief, met alle zorgzaamheid en hardheid van dien.

'En toen was daar het volksgericht:

een man en een vrouw op een kar,

met touw aan elkaar gebonden,

betrapt op overspelige zonde.

Jongens schreeuwden en zongen,

door de ouden opgehitst.

Daar, op de dijk, botste het individuele recht van de burgelijke cultuur op de eeuwenoude normen en waarden van de dorpscultuur. Die avond kraakte het dorp in zijn voegen.

In Staphorst golden drie zonden als hoofdzonden, omdat ze tegen de gemeenschap waren gericht. Een meisje zwanger maken en vervolgens laten zitten, diefstal en overspel. Wanneer een getrouwde man het aanlegde met een andere vrouw dan kreeg hij allereerst een waarschuwing dat hij de relatie moest verbreken. Sloeg hij die waarschuwing in de wind dan werden de oude vrome wijze vrouwen 'aan de dijk' geraadpleegd. Als die vonden dat het genoeg was geweest gaven ze de padjongens (de benaming voor de groep jongens vanaf een jaar of zestien die samen in het weekend op pad gingen) toestemming om hun maatregelen te treffen. Die jongens hebben de man en vrouw van huis gehaald, op een kar gezet, aan elkaar vastgebonden en over de dijk gereden. Een variant op de middeleeuwse schandpaal. Vervolgens werd hun beiden in het openbaar gevraagd of het nu afgelopen was. Zeiden ze 'ja', dan was het : zand erover en deed het dorp er verder het zwijgen toe. Je kreeg nooit meer te horen wie het had betroffen en wat er gebeurd was. Er kwam dus ook geen rechtszaak van want er waren geen getuigen. De gemeenschap sloot zich als een oester en de volgende dag bestelden de mensen gewoon weer werk bij de man, zonder nog een woord vuil te maken aan de zaak.

Het dorp was gemakkelijk te doorgronden:

je woonde Oost of West, Boven of Buiten;

de dijk fungeerde als beslissend meetlint.

(...)

Vetes behoorden tot het erfrecht van families

als ongetelde schatten in een zwarte kous,

maar niemand kon je ooit iets wijzer maken:

je had volk dat deugde en volk dat niet

deugen wou

en je woonde Oost of West, Boven of Buiten.

Punt uit.

Er liepen geografische grenzen door het dorp maar ook emotionele scheidslijnen die het gevolg waren van oude vetes. Die vetes konden veroorzaakt zijn door een ruzie over een vrachtje zand, of iemand die geweigerd had te groeten of om een erfeniskwestie. Zo wist iedereen dat bepaalde families niet deugden al was ook iedereen vergeten waarom. Dat was de minder leuke, kleingeestige kant van het dorp. De mensen hadden er zelf ook last van, vonden dat het anders moest, maar dat kon je niet zeggen want dan was je 'wies'. Vaak werd de oplossing aangedragen door iemand van buiten, zoals de dominee of mijn vader die schoolmeester was. Want als 'de Meister' het wilde, kon het probleem worden opgelost zonder gezichtsverlies voor een van de betrokken partijen. Verder was er het onderscheid tussen hervormden en gereformeerden. Als gereformeerde jongens leverden we hele veldslagen met de hervormde jongens, compleet met bakstenen, knuppels en ijsballen. Maar erg diep ging het allemaal niet want de volgende dag speelden we gewoon weer samen. Groter was het verschil tussen boer en burger. De burgers kwamen van buiten, waren wereldwijzer, mondialer, zaten niet zo vast aan de traditie, normen en waarden van het dorp. Daar werden ze door de boeren niet op aan gekeken want als 'import' wisten ze nu eenmaal niet beter. De keerzijde was wel dat je er als burger ook nooit echt bijhoorde.

Doodzelden stopte bij het dorp de trein-

dat was als iemand uit dit leven wilde

en zo de rails was opgestapt.

Dan werd het overblijfsel weggehaald,

waar kracht en vorm uit was geweken.

En heel het dorp verlamde in de strop

die deze man of vrouw fataal geworden was.

Zelfmoord legde een doem over het dorp. Als kind merkte je dat er iets aan de hand was. Het werd niet met zoveel woorden gezegd maar langzaam werd duidelijk dat iemand zichzelf het leven had benomen. Het dorp wist daar absoluut geen raad mee. Zo'n gebeurtenis greep diep in in het dagelijks leven. Raakte aan de kern van religieuze begrippen als zaligheid en verdoemenis. Kon een gelovige op die manier afscheid nemen van het leven? Wat gebeurde er met iemand die zo de eeuwigheid instapte? De mensen stonden met lege handen tegenover dergelijke vragen. De twijfel over het lot van de zelfmoordenaar confronteerde hen met de twijfel over hun eigen lot. Ze zweefden onzeker tussen hemel en hel. Dit zag je vooral terug bij bevindelijk ge"riënteerde hervormden in Staphorst. De gereformeerden-vrijgemaakten waar ik toe behoorde, waren minder zwaar in hun geloofsbeleving. Hadden een positiever godsbeeld. God was een verbond aangegaan met de mensen en van die God kon je op aan. Je hoorde bij Hem, wie of wat je ook was.

Stien Elsingh zag in Staphorst

wat Gauguin in Polynesië zag:

de levens met hun ingekeerde kracht,

de grenzeloze eenvoud van hun kleuren,

van hun gebaren, houdingen.

(...)

Ze werd begraven met de brik;

wit staat haar zerk in het gelid.

Jan Sluyters heeft voor de oorlog vooral de donkere kant van Staphorst geschilderd - knoestige mensen, producten van inteelt -, maar Stien Elsingh heeft het innerlijk van de Staphorsters geschetst. Ze was een potige vrouw die, wanneer de boeren om 's ochtends vroeg naar het hooiland gingen, hen op het erf stond op te wachten. Dan vroegen de boeren: 'Wat meuj?' 'Mit' zei ze en stapte op de wagen. Zij wist dat ze nooit toegang zou krijgen tot de gemeenschap, nooit het wezen van de dorpelingen zou kunnen schilderen als ze niet een met de Staphorsters werd. Daarom hooide ze mee en rooide ze aardappels. Op een gegeven moment kwam er dan een schetsboekje uit haar schort en begon ze tekenen. Het is haar inderdaad gelukt om Staphorster met de Staphorsters te worden. Als enige burger ooit, is ze met de brik begraven. Boerenbegrafenissen waren een belevenis. Wij woonden vlakbij de begraafplaats en ik stond altijd 'an de diek' te kijken wanneer er een uitvaart was. Dan zag je die kar aankomen: een brik met een huif erover, achterin de brik de kist en onder de huif een bankje met daarop de zogenaamde huilebalken, twee vrouwen met een donkere cape over hun hoofd getrokken. De mensen liepen zwijgend achter de wagen terwijl de klokken luidden. Aan dat klokgelui kon je horen of er een vrouw, man of kind was overleden en hoe oud hij of zij was geworden. Heel indrukwekkend.

Het Kind rechtvaardigde hun onbespraaktheid

ze hielden van de kanseltaal als van hun dia lect.

Voor de Staphorsters was het ingewikkeld om over hun geloof te praten. Allereerst werd dat bemoeilijkt door hun volksaard, ze waren geen praters, hun cultuur geen vertelcultuur, daarnaast was de officiële geloofstaal, 'de kanseltaal': Nederlands. De boeren droomden, dachten, spraken in het dialect en moesten bidden en bijbellezen in een voor hen vreemde taal. Het Nederlands hoorde bij het Heilige. Het dialect bij het aardse. In het dialect praten over het Heilige ging eenvoudigweg niet.

Ochtend haalde ik bij de boerin de melk.

Soms zaten ze nog aan het maal;

in de warme lucht van beesten

luisterde ik aan de deur

of de boer al op verhoogde toon de Bijbel las

of het gebed opzei.

De veertig gedichten vormen maar een selectie uit de vele herinneringen die ik met me meedraag maar hopelijk schetsen ze samen het beeld van een ander Staphorst. Geen naargeestig, vreugdeloos, in zwarte somberheid gedompeld dorp, maar een dorp om van te houden.

De burger kent hen niet, de wereld lacht hen uit,

ieder denkt van het dorp het zijne.

Maar elke dag doet God alleen de zon weer schijnen

omdat nooit in het dorp Zijn licht ontbreken mag.

Deel dit artikel