Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fulco en de norbertijnen

Home

LEON VAN LIEBERGEN

Leon van Liebergen, conservator van het Museum voor religieuze kunst in Uden, bespreekt drie favoriete objecten uit zijn eigen museum. Aflevering 4.

Ten eerste omdat norbertijnen niet mogen liegen; ten tweede omdat zij zich kunnen beroepen op een indrukwekkend, met een episcopaal zegel beslagen middeleeuws perkament. Het is hun stichtingsoorkonde, uitgevaardigd in 1134 door Andreas van Cuyck, bisschop van Utrecht. Deze oorkonde is min of meer de schriftelijke samenvatting, de conclusie van het overleg dat eerder in dat jaar tijdens de Rijksdag te Aken had plaatsgevonden. Aan dit overleg hadden naast de keizer, de bovengenoemde bisschop van Utrecht ook Norbertus van Gennep, stichter van de naar hem genoemde orde, en Fulco, heer van Berne deelgenomen. De laatste zat met een groot probleem. Daar zijn huwelijk kinderloos was gebleven had hij enkele jaren eerder tezamen met zijn vrouw besloten zijn huis en hof ter beschikking te stellen van de augustijnen van Rolduc. Deze augustijnse koorheren evenwel kenden nog maar weinig momenten van monastieke bezinning. Zij waren verslingerd aan oeverloos theologisch geredetwist. En dat was niet de bedoeling van Fulco.

In Aken werden dan ook forse besluiten genomen en de bisschop van Utrecht bezegelde die. De augustijnen dienden te vertrekken en Berne zou opnieuw bevolkt worden met kloosterlingen, met norbertijnen uit de abdij Mariënweerd in de Betuwe. Voortaan zou in Berne het purper der beschouwing moeten glanzen. De abt van Mariënweerd en de bisschop zouden hierop toezien. Maar van bidden alleen kan een abdij niet leven, dus schonken Fulco en zijn vrouw Bessela ook landerijen aan de nog jonge abdij. In het begin zal het dan ook wel een echt plattelandskloostertje zijn geweest waarvan de bewoners zich naast het dagelijks koorgebed vooral met dijkenbouw en landontginning zullen hebben beziggehouden. En dat eerder volgens de leer van Bernardus, met zijn praktische cisterciënzer levenswijze, dan volgens de regel van Augustinus. Die kwam later meer bovendrijven toen de abdij na een eeuw de bediening van de eerste parochies kreeg toegewezen. Het is een ambivalent trekje eigen aan alle vroege stichtingen van Norbertus. Hij was dan ook eerder een reizende hervormer van ontspoorde kapittels dan een monnik. Norbertus was als Dietse kanunnik gepokt en gemazeld volgens de regel van Augustinus maar herkende de praktische kloosterdiscipline van Bernardus als reinigend instrumentarium voor zijn hervormingsbeweging.

De abdij van Berne zou in de loop der eeuwen nog heel wat mogen beleven maar de meest ingrijpende gebeurtenissen in haar bestaan vonden plaats tijdens de Tachtigjarige Oorlog, door sommige historici ook wel De Opstand genoemd. Tijdens deze tumultueuze periode werden de gebouwen van de abdij en haar goederen door de Staten in beslag genomen. Het abdijbestuur deed er van alles aan om hier onderuit te komen en schroomde daarbij een leugentje om bestwil niet. Men wilde vooral aantonen dat de abdij van huis uit een buitenlandse, Kleefse, stichting was. Men beriep zich op twee kronieken, de Kroniek van Berne, een Latijns handschrift van omstreeks 1500 en de Kleefsche Kroniek, een kopie uit 1628 van een codex uit de veertiende eeuw. De gedeeltelijke inhoud van beide kronieken ligt ten grondslag aan dit paneel, het meest merkwaardige schilderij van onze collectie. In een historiserende stijl wordt de stichtingslegende van de abdij weergegeven. Alle registers zijn opengetrokken om te bewijzen dat Berne teruggaat op Kleefse rechten.

Centraal wordt een geharnaste ridder te paard weergegeven. Het is Fulco, die om aan zijn belagers te ontkomen met paard en al de Maas is in gesprongen. Alvorens tot deze wanhoopsdaad over te gaan beloofde hij God een abdij te zullen stichten als hij veilig de overkant van de Maas zou bereiken. Zijn gebed werd verhoord. Tijdens zijn risikante tocht over de rivier verscheen er een erg mooi en lief meisje achter op zijn paard. Maria schoot de notoire vechtjas te hulp. Fulco begreep dat hij zijn gelofte gestand moest doen en overlegde later met zijn vrouw Bessela wat te doen. Zij was staande onder de veilige poort van het kasteel getuige geweest van de wonderbaarlijke gebeurtenis. Het echtelijk overleg, dat resulteerde in de stichting van de abdij Berne wordt rechts uitgebeeld. Tot zover de legende, het vroegst neergeschreven in de Kroniek van Berne. Daar werden nadrukkelijk enkele elementen aan toegevoegd. Zeer opvallend is het overal terugkerende wapen, op een veld van zes blauwe en rode banen, acht stergewijs geplaatste leliescepters; het wapen van Fulco, later van de abdij, maar tevens een wapen nauw gerelateerd aan dat van Kleef. En wat te denken van het gezicht van Fulco. Het is een dubbelportret van Adolf II van Kleef, die 300 jaar later dan Fulco leefde. Om de banden van Fulco en dus van Berne met Kleef nogmaals te benadrukken draagt Fulco hier het prestigieuze collier van de Kleefse Ridderorde van St. Antonius. En ook deze zou pas veel en veel later worden opgericht.

De vervaardiging van dit paneel, dit in elkaar schuiven van legendarische en historische gegevens heeft de norbertijnen destijds niet gebaat. De abdij werd niet als een buitenlandse, Kleefse stichting erkend. De goederen werden in beslag genomen en de abdijgebouwen werden tot de grond toe afgebroken. Maar het abdijleven bleef administratief bestaan. Gestuurd vanuit Vilvoorde bleven de norbertijnen hun parochies bedienen en in de negentiende eeuw bouwden zij bij hun slotje in Heeswijk een nieuwe abdij. Een nieuwe bernardijnse uitvalsbasis voor augustijnse witheren. Norbertijnen kunnen niet liegen, maar hun poging daartoe heeft dit merkwaardige schilderij opgeleverd met daarop de weergave van een van onze oudste Maria-legendes.

Deel dit artikel