Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Frankrijk

Home

Marijn Kruk

In Frankrijk nam de aanleg van groene fietspaden de afgelopen jaren een hoge vlucht. Oude spoorlijnen en jaagpaden worden begaanbaar gemaakt. Groot voordeel: de routes zijn veelal vlak.

Het fietspad eindigt abrupt bij de oever van een kanaal. Aan de overkant gaat het verder, maar van het zelf te bedienen veerbootje dat de fietser in het vooruitzicht is gesteld, ontbreekt ieder spoor. ’Wegens werkzaamheden buiten dienst’, vermeldt een bordje. Wat nu? Vijftien kilometer door de tegenwind terugfietsten naar de Loire en daar de hoofdweg naar Angers oppikken is geen erg aanlokkelijke optie.

De tocht begon drie dagen eerder bij het standbeeld van Jeanne d’Arc in Orléans – in de merovingische tijd de hoofdstad van het Orléanistische vorstendom. Dat de bewoners een standbeeld voor de mythische legeraanvoerster oprichtten, valt wel te begrijpen. Zij was het die de stad in 1429 behoedde voor een inname door de Engelsen tijdens de Honderdjarige Oorlog.

Orléans is niet alleen een kruispunt van de geschiedenis; het is tevens de toegangspoort tot de Loirevallei, beroemd vanwege haar frisfruitige wijnen (Sancerre, Touraine, Chinon), maar ook vanwege haar talrijke kastelen. Ruim veertig zijn er daarvan, met Chenonceau en Chambord als de beroemdste. Sinds 2000 staan ze op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Fietsen langs de majestueuze rivier is er bepaald makkelijker geworden sinds de aanleg van ’La Loire en vélo’, een fietsroute die Orléans met het stroomafwaarts gelegen Angers verbindt. In de nabije toekomst zal de route bijna de hele bedding van de Loire – 1013 kilometer – flankeren. (zie www.loire-a-velo.fr)

De fietsroute loopt hoofdzakelijk over autoluwe weggetjes in het stroomgebied. Waar hij de hoofdweg volgt is steeds een aparte fietsstrook gereserveerd, en hier en daar werden oude karrenpaden geasfalteerd. Vooral de talrijke dijkweggetjes zijn schitterend, want ze bieden een weids uitzicht over de wijnvelden en de steeds maar uitdijende rivier. Door Blois gaat het, de stad waar generaties Franse koningen resideerden. En door de stad Tours, beroemd vanwege zijn kathedraal, die op zijn beurt een onvermijdelijke rite de passage is voor pelgrims op de St. Jacques route.

Het fietspad langs de Loire is wat in Frankrijk een voie verte heet, een ’groene weg’, bedoeld voor wandelaars, rolschaatsers en fietsers. De aanleg van voies vertes nam de afgelopen jaren een hoge vlucht. Zo blijkt wel uit de overzichtskaart, zoals die te raadplegen valt op www.voiesvertes.com. Een hecht netwerk van fietspaden strekt zich inmiddels over het land uit. Vaak volgen ze het spoor van voormalige jaagpaden, dijkweggetjes en spoorwegen.

Dat heeft belangrijke voordelen, want niet alleen kom je zo op plaatsen waar je met de auto nooit zou kunnen komen, ook zijn de fietspaden in veel gevallen vlak. Dat is geen vanzelfsprekendheid in het doorgaans heuvelachtige, zo niet bergachtige Frankrijk. De voies vertes zijn dan ook een uitkomst voor wie geen zin heeft de Col de la Bonette in de Franse Alpen te bedwingen, of niet zonodig het Centraal Massief hoeft te doorkruisen.

Na een overnachting in Amboise, de stad waar Leonardo Da Vinci stierf, is het langs de Loire inmiddels tijd voor de lunch. Een goed Frans gebruik. Even opletten dus waar busjes van werklui langs de kant van weg staan, een indicatie voor een goed en lekker maal.

Het menu van de dag? Koolsalade met gember en rozijnen en zelfgemaakte paté vooraf. Dan rundertong met in peterselie gebakken aardappeltjes, uiteraard met een paar glazen Chinon. Aansluitend kaas en tot slot een schaaltje appelcompôte en een kop koffie. Voor nog geen twaalf euro kun je weer uren verder.

Het project van de voies vertes wijst erop dat Frankrijk de fiets in hoog tempo aan het herontdekken is. Dat zie je ook in de grote steden waar de witte fietssystemen als paddestoelen uit de grond schieten (met de succesvolle Vélib’ in Parijs als bekendste voorbeeld).

Tegelijk ontstaat soms de indruk dat de ingenieurs die de fietspaden ontwerpen, zelf nog nooit op een fiets gezeten hebben. Zo is de bewegwijzering langs de Loire niet altijd even consequent. Met name in en rond de grotere steden hapert het. Het verdient dan ook aanbeveling niet blindelings op de bordjes te vertrouwen en steeds ook een departementskaart van Michelin onder de snelbinder te hebben.

Ter hoogte van Candes-St.-Martin verbreedt de rivier zich substantieel. Eerder zijn de Cher en de Indre er al in uitgekomen, maar nu komt daar ook de Vienne bij. Wel een kilometer breed is de Loire nu. Geen rivier die traag door oneindig laagland gaat, maar een snelstromende watermassa tot zover het oog reikt. Na het stadje St. Mathurin belooft ’La Loire en vélo’ een doorsteek naar de stad Angers, een pad dat uiteindelijk dood lijkt te lopen op de veerpont die er niet blijkt te zijn. ’In geval van ontbrekende veerboot omfietsen over de dijk’, zo zegt een tweede bordje. Vooruit dan, maar twee kilometer voort ploegen op een onverhard pad op een drassige dijk blijkt geen sinecure.

Tegen vieren eindigt de tocht definitief voor het station in Angers. Snel de fiets demonteren en in een meegebrachte plastic hoes stoppen (op die voorwaarde mag een fiets mee). Anderhalf uur later rijdt de trein de 300 kilometer verderop gelegen hoofdstad binnen.

Fietspaden laten hier en daar nog te wensen over, maar hogesnelheidslijnen aanleggen kunnen de Fransen nog steeds als de besten.

Deel dit artikel