Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Foie gras

Home

Ger Groot

Zondigen tegen grammatica en protocol doet iedereen die zich in een vreemde cultuur begeeft. En juist als je denkt dat je inmiddels voorbeeldig bent geïntegreerd, kun je plotseling door de mand vallen. Filosoof Ger Groot weet er alles van. „Pas na afloop vond mijn vrouw de gelegenheid om me duidelijk te maken dat je een onbekende, oudere man in zijn eigen huis zó niet bejegent.”

Wie het prachtige boek ’Ardor guerrero’ van Antonio Muñoz Molina leest in de Nederlandse vertaling (’Strijdlust’), stuit daarbij helemaal op het eind op iets raars. Driehonderd bladzijden lang heeft hij de schrijver gevolgd tijdens zijn diensttijd, in een van de laatste jaren van het franquisme. Dat was geen pretje, maar op de laatste bladzijden van het boek zit Antonio in de trein op weg naar huis, samen met nog wat afzwaaiende vrienden. „Samengeklonterd in een tweedeklascoupé, [...] dronken we liters bier, klapten mee op het ritme van Los Chichos, rookten duizend-pesetablokjes hasj en aten onze laatste gigantische soldatenbroodjes foie gras met ansjovis en champignontortilla.”

Gigantische soldatenbroodjes foie gras? Voor zo’n diensttijd, denkt de lezer, zou ik het ook wel doen. Onwillekeurig zie je uitgestrekte eenden- en ganzenboerderijen aan je oog voorbijtrekken, tegen hoge kosten door het leger onderhouden om de troepen jaar in, jaar uit, te kunnen blijven voorzien van foie gras – en dan kennelijk ook nog eens in gigantische hoeveelheden.

Het is uiteraard een misverstand. Foie gras betekent in het Spanje van alledag gewoon leverpastei. Het wordt dan ook niet op z’n Frans uitgesproken, maar op z’n Spaans, dus mét een flinke slot-s.

Om zo’n vergissing zal ik de vertaalster niet hard vallen. Zoiets kan de beste overkomen – ook in een vertaling die verder nu juist getuigt van grote kunde en levendigheid. (Daardoor valt zo’n vergissing juist des te meer op.) Als een vertaler zo’n steek laat vallen, dan past iedereen bescheidenheid. Maar vreemd en komisch blijft het. En het is veelzeggend voor de complexiteit en verstrekkendheid van linguale en culturele codes.

Het contact met andere culturen speelt zich af in een mijnenveld van meer of minder explosieve ’onhandigheden’. Meestal zijn die tamelijk zichtbaar en doet een licht ontploffinkje er niet zo toe. Het behoort zelfs tot de charmes van de vreemdeling dat hij hier en daar wat zondigt tegen de grammatica of tegen het protocol. Het leidt tot kluchtige verhaspelingen en een soms komische inventiviteit.

Voor de autochtonen haalt de vreemdeling plots onvermoede vertakkingen in hun taal of gewoonterepertoire naar boven. Inderdaad, nu je het zegt: het is vreemd dat in het Nederlands het voornaamwoord ’zij’ het possesief ’haar’ of (in het meervoud) ’hun’ heeft, maar ’hij’ ’zijn’. De taal speelt daar een vreemd stuivertjewisselen tussen de ’h’ en de ’z’. En voor een buitenlander is dat hoogst verwarrend.

Voor ons is zo’n vergissing leerzaam en vermakelijk tegelijk, maar voor de buitenlander ligt dat anders. Hij zou een foutloze taal willen spreken, waarin hij niet de vreemdeling is die hij door een klein foutje toch weer onderstreept te zijn. Slechts één keer in een conversatie van een hele middag hoeft iemand bij een substantief een verkeerd lidwoord te kiezen (’Ik ga straks naar de feest’ ) of je weet onmiddellijk dat hier geen geboren Nederlander zit.

Met deze hachelijkheid krijgt iedere ontmoeting over taal- en landsgrenzen heen te maken. Het zijn deze breuklijntjes die het kosmopolitische gesprek blijven plagen, juist omdat die voor de ’gevorderde’ vreemdetaalsprekers consequenties hebben die meestal minder gemakkelijk worden onderkend – en juist daarmee des te catastrofaler gevolgen kunnen hebben.

Ik herinner me een wat pijnlijke scène uit mijn leven. Ze speelt zich een kleine dertig jaar geleden af, in het minuscule Amsterdamse appartement dat ik toen bewoonde en waar ik een bevriend Australisch paar op bezoek had. Zij waren voor een paar dagen gekomen en hun aanwezigheid was mij een waar genoegen. Dáár zat – speciaal voor de freudianen onder u – in ieder geval geen adder onder het gras. Omdat de daaropvolgende dagen een beetje moesten worden gepland – bloembollen Aalsmeer, kaasmarkt Alkmaar – vroeg ik hun op een achteloos moment, misschien een beetje verstrooid: „When do you go away?”

Dat bleek plots héél snel te zijn, zeer tot mijn verbazing. Pas jaren later begreep ik wat er eigenlijk was fout gegaan. Toch was mijn Engels in die tijd al (of nog) alleszins passabel. Onze conversatie was wat in Nederland in alle opzichten voor ’vloeiend’ doorgaat. Maar een tijdlang waren de betrekkingen toch lichtelijk bekoeld. En pas veel later kwam het besef. En het schaamrood.

Waarom was dat nu zo catastrofaal? Niet vanwege mijn falende kennis van het Engels in het algemeen. Het was niet dat ik te weinig competentie bezat om een conversatie vlotjes te kunnen voeren. Het was in zekere zin omdat ik daarvan te veel bezat.

Een andere scène – nu in Spanje. Ik woonde al een jaar of twee in Madrid, met vallen en opstaan had ik mij het Spaans eigengemaakt in de harde leerschool van de ’wooncommune’ waarin ik terecht was gekomen. Eerst begonnen zich patronen af te tekenen in het stemmengezoem dat ik over tafel hoorde gaan, dat ik leerde imiteren nog zonder precies te weten wat ik zei. Mijn spreken was eerder het nadoen van geluiden. En gaandeweg kwam ook het begrip.

Ergens tijdens dat proces bezochten wij het ouderlijk huis van vage vrienden – met als openingsrite de vriendelijke vraag van de vader in kwestie wat ik wilde drinken. Mijn tegenvraag luidde: „¿Qué hay?” (’Wat is er [in huis]?’)

Misschien was er op zijn gezicht een verbaasde frons te zien – mij is die hoe dan ook ontgaan. Ik was mij van geen kwaad bewust, voelde mij deksels geïntegreerd, in het mengsel van trots en dankbaarheid dat meestal met zo’n gevoel gepaard gaat. Pas na afloop vond mijn (wél autochtone) vrouw de gelegenheid om me duidelijk te maken dat je een onbekende, oudere man in zijn eigen huis zó niet bejegent.

Toch was ik toen misschien wel vloeiender in het Spaans dan ik ooit geweest ben – en leek mijn acculturatie totaal en één groot succesnummer. Deze pijnlijke incidenten waren dan ook de directe gevolgen van dat succes. De miscommunicatie ontstond doordat elke betrokkene in de veronderstelling leefde dat ze eigenlijk niet mogelijk was. En precies daarom werd ze zo verwoestend.

Voor wie zich interesseert in de ontmoeting met andere culturen is het van groot belang oog te hebben voor deze vreemde wetmatigheid. Met de toenemende vertrouwdheid neemt de kans op misverstanden niet in rechte lijn af: zeg maar even van 100 procent (bij totaal onbegrip) tot bijna 0 (het native speaker-stadium). Er zit ergens halverwege een vreemde knik in de grafiek.

Die ligt daar waar de vreemdeling zich zo ver heeft ingeburgerd dat hij in taal en gewoonten niet meer als een vreemdeling wordt gezien.

In een jegens buitenlanders complimenteus ingesteld land als Spanje kun je dat merken aan de lof die je wordt toegezwaaid. In het eerste stadium (tussen 0 en de knik) ligt het criterium bij het punt van uitgang. De nulgraad is als het ware de ’natuurtoestand’ en de pluimpjes die je ontvangt hebben betrekking op de weg die intussen is afgelegd.

„Het gaat al goed vooruit met uw Spaans”, hoorde ik bijna dagelijks op de Madrileense markt waar ik mijn boodschappen deed. En: „Ongelooflijk hoe snel dat gaat” – want ze waren in Madrid toen nog niet zoveel buitenlanders gewend.

De knik wordt gepasseerd wanneer het criterium verschuift van de nulgraad maar de 100-procentsnorm: „Ik hoor werkelijk niet dat je niet uit Spanje komt.” Dat heb ik vaak mogen vernemen, en het was een buitengewoon prettige ervaring. Het doel lijkt in zicht, zo niet reeds behaald – ook al werd mij gaandeweg duidelijk dat Spanjaarden nogal vlot klaarstaan met een dergelijke streling van het gemoed. Het vaakst hoorde ik dat aan de telefoon, als ik na het opnemen van de hoorn alleen nog maar ¿Sí? had gezegd

Echt gepasseerd is de knik wanneer je zelfs dat soort opmerkingen niet meer hoort. De vreemdeling is dan als het ware ’geslaagd’ voor zijn inburgering en opgenomen als gelijkwaardig in een gemeenschap van taal, cultuur en gewoonten. En dus wordt ook verondersteld dat hij daarin volledig, moeiteloos en feilloos meedraait. Het criterium, de natuurlijke toestand is nu niet langer 0. Die is doorgeslagen naar de andere kant van het spectrum, de 100-procentsnorm. Ieder zal dat ervaren als een groot compliment en er een diepe opluchting bij voelen.

Maar daarin schuilt een gevaarlijke zelfmisleiding, die pijnlijk aan het licht komt wanneer die 100-procentsnorm op enig moment niet gehaald wordt. Hoe goed je de andere cultuur en taal ook kent, een werkelijke moedertaal of –cultuur worden ze nooit. En dus wordt het vreemdelingschap onvermijdelijk af en toe toch weer zichtbaar, maar nu onder een heel ander licht dan voorheen. Want terwijl dat eerst gold als een verdienste (afgemeten aan de weg die je al had afgelegd), geldt het nu plots als een tekortkoming (afgemeten aan de weg die je, ondanks de verwachtingen van het tegendeel, nog altijd niet blijkt te hebben afgelegd).

Dat is een krenkende teleurstelling – eerst en vooral voor de vreemdeling die er zo graag bij wil horen, en meende dat hij dat al bijna deed. Zo dicht is hij zijn doel genaderd en toch blijkt steeds weer dat hij er nog niet is. Is dat op zichzelf al tamelijk wanhoopverwekkend, erger nog zijn de verborgen implicaties van die afstand die er nog altijd tot het eindpunt bestaat (ook al is die er volgens alle betrokkenen dus helemaal niet).

Want hoe kleiner het verschil, des te groter de gevolgen. En hoe beter de kennis van een taal en cultuur, des te dramatischer de misverstanden. Minder en minder realiseren de betrokkenen zich nog welke graad van onwetend- of onhandigheid de vreemdeling nog altijd scheidt van zijn nieuwe taal en cultuur. In de aanvaarding van hem als volwaardig medeburger, wreekt deze voltooide 100-procentsnorm zich onwillekeurig in wat je een impliciete en onbedoelde zero tolerance zou kunnen noemen. Er ís geen verschil meer met de ander. En dus kan alles wat hij zegt serieus worden genomen als zijn bedoeling – en hem ook als zodanig worden aangerekend. Niemand komt meer op de gedachte dat een onhandige uitspraak of ongelukkige handeling simpelweg een kwestie van onvermogen is, van iemand die geacht wordt intussen alles in dit nieuwe vaderland juist wel te vermogen.

Het catastrofaalst zijn deze ontsporingen wanneer niemand zich meer realiseert wat er gebeurt. Dan gaat het misverstand zijn eigen leven leiden, niet meer gecorrigeerd door de herinnering aan de banale, betekenisloze oorzaken daarvan. Die dubbele deceptie behoort tot mijn smartelijkste ervaringen met een vreemde cultuur. Ik gebruik dit wat statige woord met opzet, want er kan daarbij een diep, wanhopig verdriet toeslaan.

Die smart is niemands schuld. Niet van de vreemde of van de eigen cultuur (het fenomeen is, denk ik, universeel). Niet van de autochtonen die mij zo hartelijk, gastvrij en oprecht in hun midden hebben opgenomen. En niet van mij, die alle moeite heeft gedaan om dat alles waardig te zijn. Het is veeleer juist het gevolg van die volstrekte schuldeloosheid, van de ondubbelzinnige goede wil van iedereen.

Precies daarom kun je die catastrofe tragisch noemen, in de volle zin van het woord. Ze voltrekt zich omdat ieder zich zo voorbeeldig gedraagt. En ze doet dat bovendien met een ijzeren wetmatigheid. Of, zoals de oude tragediedichters het noemden, noodlottigheid.

Schrale troost: deze noodlottigheid ontrolt zich pas aan het eind van een ontmoetingsgang die ongelooflijk opwindend, verrijkend en verbredend is, en ze neemt de schatten daarvan niet weg.

Maar juist wanneer de voltooiing van dat proces zich aandient, gaat het erom spannen. Pas dáár kunnen de dingen ontsporen zonder dat je het weet, wilt of verwacht. Daar kan een ongelukkig woord pas werkelijk verwoestend worden en een ongemerkt gebaar catastrofaal. Onder die welwillende zero tolerance – die niemand bewust uitoefent – kan een terloopse vraag veranderen in een halve belediging. En een broodje leverpastei in een boterham foie gras.

Deel dit artikel