Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Flodderdiva uit de jaren zestig

Home

Rob Schouten

Twee dichtbundels publiceerde ze, daarna zweeg F. Harmsen van Beek. Ze kraakte het landgoed Jagtlust, dat uitgroeide tot een kunstenaarskolonie. Zoete inval, vrije seks, heel het ongebonden bestaan. Vorige week overleed de vrouw van de vele ’verloofden’.

Fritzi ten Harmsen van der Beek, die afgelopen zaterdag 4 april op eenentachtigjarige leeftijd overleed, was ongetwijfeld de dichteres met de slechtst onthoudbare naam van Nederland. Daarom noemde ze zich eenvoudiger F. Harmsen van Beek. In de jaren zestig en zeventig schreef ze een tweetal dichtbundels, ’Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten’ (1965) en ’Kus of ik schrijf’ (1975) die tot de de beste en origineelste naoorlogse poëzie van Nederland worden gerekend. Na nog een laatste boekje, ’Het kroost van Aagt Morsebel’ (1981), zweeg ze en bracht het tot levende legende.

Frederike Martine ten Harmsen van der Beek werd in 1927 geboren in een artistiek gezin, haar vader was de illustrator Eelco ten Harmsen van der Beek, tekenaar onder meer van de befaamde strips van Flipje van Tiel, haar moeder was de illustratrice Freddie Langeler.

Fritzi en haar broer Hein groeiden ’sjiek’ op in Blaricum, Fritzi trouwde op jeugdige leeftijd zelfs met een Franse edelman (van wie ze een zoontje Gilles kreeg), maar toen haar huwelijk al snel op de klippen liep en haar ouders op tamelijk jeugdige leeftijd overleden, joegen de twee wezen in rap tempo het familiekapitaal erdoorheen.

In 1954 ontmoette de toekomstige dichteres op het Boekenbal de jonge Remco Campert, met wie ze in datzelfde jaar trouwde. Ze woonden in het door haar gekraakte landgoed Jagtlust in Eemnes, waar zich gaandeweg een kunstenaarskolonie vormde, enig in zijn soort in naoorlogs Nederland, een soort hippiecentrum avant la lettre. Over Jagtlust en de cercle die zich rond Fritzi vormde, die overigens in 1958 alweer van Remco Campert was gescheiden, schreef Annejet van der Zijl in 1998 een monografie Jagtlust, waarin ze de plek omschreef als ’een buitenplaats in alle betekenissen van het woord, een vrijstaatje waar Luceberts „ruimte van het volledig leven” tot in de uiterste hoeken werd verkend.’

Ook in ander werk uit die tijd kan men haar als vrijgevochten gastvrouw aantreffen, bijvoorbeeld onder haar bijnaam ’mevrouw Oofi’ in Brief uit Amsterdam in Gerard van het Reve’s brievenboek Op weg naar het einde: ’Met een zekere weemoed denk ik aan andere feesten die hier eens gehouden zijn: dat van denkelijk wel een jaar of drie geleden, toen Oofi, op het feest van haar jaardag, hartje zomer, omtrent drie uur smorgens, midden in het feestgedruis, in een hoogst patetiese geste (...) een fraaie, roze hemdjurk van voren, als de voorhang van een tempel, integraal in tweeën scheurde, waarna haar schaamte slechts verhuld kon worden door twee vriendinnen, die haar snel met mantels bedekten en afvoerden’

Naast de vele ’verloofden’ die de vrijgevochten Fritzi er in de loop der jaren op nahield, zoals de tekenaar Peter Vos, de aanstormende Hugo Brandt Corstius en zelfs de oude Prins der Dichters Adriaan Roland Holst, bleef een kleurrijke menigte van schrijvers en kunstenaars op Jagtlust plakken, die later het cultureel establishment zouden vormen: Gerard Reve, Remco Campert, Judith Herzberg, Cees Nooteboom, Jan Eijkelboom, Jan Sierhuis, Frank Lodeizen, Frits Müller, Jan-Pieter Guépin, Rinus Ferdinandusse, Yoka Berretty, Rijk de Gooyer, Ramses Shaffy, Robert Jasper Grootveld, Theo Sontrop, Oscar Timmers, Hans Keller, Louis van Gassteren, Eddy Posthuma de Boer, al hun namen staan samen met die van haar talloze katten in de annalen van Jagtlust.

In 1965 publiceerde Fritzi bij de Bezige Bij de dichtbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten. Het werd een literaire sensatie; ’overrompelend goed’, schreven de recensenten, ’beste poëzie van na de oorlog’ ’Het kan nog wel jaren voordat iets dergelijks weer gebeurt.’ Wat de persoon van Fritzi Harmsen van Beek zelf overkwam, overkwam ook de bundel: iedereen liep er mee weg maar niemand kon precies zeggen waarom. De namen van Vroman en Lucebert vielen in de buurt van haar werk, Kees Fens liet ook nog de naam van de schilder Ensor vallen; het was in elk geval volstrekt oorspronkelijke, onconventionele, groteske poëzie. Een niet al te zeer stukgeciteerd gedicht (zie hiernaast) uit het pierdunne bundeltje laat zien welke kant het opgaat.

Eind jaren zestig verwaterde de kunstkolonie in Eemnes, het was allemaal een beetje vieux jeu geworden, de zoete inval, de vrije seks, heel het ongebonden bestaan. In 1971 werd de koningin van Jagtlust haar huis uitgezet, iets wat ze altijd gevreesd had, en trok ze zich terug in het Groningse dorp Garnwerd.

Uitgevers probeerden ook in die tijd nog werk uit haar handen te krijgen, de meesten slaagden daar niet in, alleen Sontrop wist een bundeling van in Maatstaf gepubliceerde gedichten uit te geven: Kus of ik schrijf (1975) ontving prompt de Van der Hoogtprijs, met in het juryrapport de uitgesproken hoop dat het ’een stimulans zal zijn om haar hernomen dichterschap te continueren’. Opnieuw was de ontvangst bijzonder positief, al zagen de critici wel dat het vrolijke schuim eraf was, net zoals van Jagtlust en allicht van haar eigen leven (haar zoon Gilles, aan wie de bundel was opgedragen, zat ten tijde van het verschijnen in de gevangenis). Dit keer sprak men van ’geresigneerde wanhoop’.

De hoop van de Van der Hoogtprijs-jury bleek ijdel. Van een maar al te toegankelijke flodderdiva veranderde Fritzi Harmsen van Beek allengs in een ontoegankelijke kluizenares. Een van de weinige oude vrienden die haar nog wel eens opzocht beschreef niettemin haar opgewekte staat: ’ze is levendig en gaat springend en dansend door de wereld. De rafels die overal omheen hangen, heeft ze langgeleden al afgeknipt.’

De laatste twee jaar woonde ze in een verzorgingstehuis, waar ze ook is overleden.

Lees verder na de advertentie
Fritzi leest in maart 1985 voor tijdens de Nacht van de Poëzie in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht. (FOTO WIM OSKAM, HH)

Deel dit artikel