Flexwerk nekt de geleerde

home

Martijntje Smits

© Kwennie Cheng
Essay

Op universiteiten wemelt het van de flexwerkers. Ze moeten scoren om het hoofd boven water te houden. Dat is slecht voor de wetenschap, legt flexwerker Martijntje Smits uit.

Qua opleiding, ervaring, specialisme en takenpakket doet deze flex­we­ten­schap­per niet onder voor ander academisch personeel

In 1938 verklaarde de Duitse filosoof Martin Heidegger de traditionele studeerkamergeleerde voor passé: "Het nieuwe bedrijfskarakter van het wetenschappelijk onderzoek vergt een ander slag mensen. De geleerde verdwijnt en wordt afgelost door de onderzoeker die zich in onderzoeksprogramma's engageert. De onderzoeker is voortdurend onderweg. Hij laat zich bijscholen op conferenties. Hij bindt zich aan uitgevers die uitmaken welke boeken hij moet schrijven."

De geleerde belichaamde eruditie, brede kennis en langdurige, toegewijde studie. Hij werd ingeruild voor een ander type werknemer aan de academie: de researcher, die niet zo breed ontwikkeld was als de geleerde. Hij - het was doorgaans een hij - voerde specialistisch onderzoek uit binnen onderzoeksprogramma's in grootschalige researchinstellingen.

Kerntaken
In de twintigste eeuw was wetenschap een industrie geworden. Heidegger kon niet vermoeden dat deze nieuwe researcher zo'n zeventig jaar later achterhaald zou zijn, ingehaald door de flexwetenschapper (zie kader).

Qua opleiding, ervaring, specialisme en takenpakket doet deze flexwetenschapper niet onder voor ander academisch personeel. Zij - het is meestal een zij - houdt zich bezig met kerntaken van de universiteit. Het belangrijkste verschil met haar collega's is dat ze in tijdelijke dienst is, vaak jaren achtereen met wisselende contracten aan wisselende instituten, soms gedetacheerd en zonder secundaire arbeidsvoorwaarden en pensioenregeling - en dat ze gemiddeld minder verdient. Het aantal gepromoveerde flexwerkers groeit gestadig door en hun contracten worden gemiddeld steeds korter, zonder dat zij noemenswaardig uitzicht hebben op verbetering van hun arbeidspositie. Volgens een steekproef van Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten (H.NU) waren er in 2014 gepromoveerde onderzoekers die onvrijwillig al 25 jaar op losse contracten van universiteit naar universiteit zwerven, ook over de grenzen.

Nu hoort reizen bij wetenschap, maar dit is ongekend. Het begon in de jaren negentig van de vorige eeuw, in het kielzog van een nieuwe wet door onderwijsminister Ritzen. Deze wet MUB voorzag in een grotere prestatiedruk voor werknemers en in minder zeggenschap op de werkvloer van de universitaire 'vakgroepen', ten gunste van een grotere invloed van het universiteitsbestuur. De universiteit stond daarin niet alleen: ook in andere niet-commerciële sectoren van de samenleving zoals de zorg en het onderwijs werd vanaf de jaren negentig een nieuwe organisatiefilosofie doorgevoerd.

Lees verder na de advertentie
© Kwennie Cheng
Flexen is geen avontuur waarin de extra risico's beloond worden: je hebt eenvoudigweg minder rechten dan collega's met een vast contract

Toen steeg het aantal flexwerkers razendsnel. Nederlandse universiteiten spannen nu de kroon: eerst waren het alleen promovendi, later werden ook postdoc-onderzoekers en docenten tijdelijk aangesteld. Aan de universiteit is het aantal tijdelijke contracten extreem, maar geen enkele sector ontkomt aan de trend. De flexwerker is niet alleen in het bedrijfsleven en de handel maar ook in de dienstverlening, de media en de kunst de norm geworden.

Weinig invloed
Op veel manieren zijn flexwerkers in het nadeel. Flexen is geen avontuur waarin de extra risico's beloond worden: je hebt eenvoudigweg minder rechten dan collega's met een vast contract. Flexwerkers leven in voortdurende onzekerheid over baan, inkomsten en toekomst. Geen omstandigheden voor een rustig gezinsbestaan. Ze hebben weinig invloed op de condities van hun eigen werk; groeien in hun specialisatie is er nauwelijks bij, omdat zij steeds van rol wisselen. In hun zwakke onderhandelingspositie met hun werkgevers zijn ze gemakkelijk vatbaar voor onredelijke eisen. Hun werkend bestaan leidt tot stress, hoge kans op burn-out, cynisme en demotivatie.

Ze hebben veel weg van 'de flexibele mens' die de socioloog Richard Sennett in 1998 beschreef in 'The Corrosion of Character': een ongebonden wezen dat niet meer het gevoel heeft echt nodig te zijn, als persoon en als vakman, en die weinig opheeft met zijn - per definitie tijdelijke - werkgever.

Ook de happy few met een vast contract ondervinden de nadelen van de flextrend. Bijvoorbeeld op de universiteit: de academie is niet langer een veilig walhalla waar kennis langzaam kan rijpen, met tijd om te denken, te lezen, te experimenteren en te falen.

Zo dit archetype ooit bestond (het klimaat op universiteiten kon ook tamelijk verstikkend zijn), niemand zal dit plaatje nog herkennen. Hoogleraren en universitair docenten in vaste dienst draaien haastig hun publicaties in elkaar, regelmatig langs het randje van wetenschappelijke integriteit scherend en ondertussen rusteloos jagend op nieuwe financiering voor hun onderzoek, terwijl ze hun kerntaken zoveel mogelijk uitbesteden aan flexwerkers.

Wedstrijdkarakter
Het fenomeen flexwerker is een gevolg van een nieuw, competitief systeem waarin continu winnaars en verliezers worden gecreëerd, en waarin ieder zich permanent bewust is te kunnen verliezen op basis van zijn prestaties. En niet alleen aan de poort, zoals voorheen, maar bij elke van bovenaf opgelegde evaluatieronde. Dit wedstrijdkarakter met zijn inherente concurrentie verandert het werkklimaat voor álle werknemers, vast of tijdelijk.

Veel werkgevers vinden flexi­bi­li­se­ring een noodzakelijk aspect van het huidige systeem

Hoe erg is de flexibilisering van de arbeid? En hoe voorbijgaand? Is de flexwerker een onrechtvaardige, ondermijnende, maar repareerbare uitwas, zoals de vakbonden stellen? Of is het een noodzakelijk en blijvend kenmerk van een vernieuwde, efficiëntere aanpak van instellingen?

Veel werkgevers denken het laatste: zij vinden flexibilisering een noodzakelijk aspect van het huidige systeem. Vakbonden en andere critici vinden flexibilisering slecht voor de flexwerker en desastreus voor de kwaliteit van het geleverde werk - de kwaliteit van het onderwijs, de gezondheidszorg, de wetenschap.

Noodzakelijk
De top (die de nieuwe kwaliteitscriteria bepaalt) is er juist van overtuigd dat een ruime 'flexibele schil' nodig is.

Zo ook op de universiteit: "Het huidige model is gericht op talentselectie", zegt een woordvoerder van werkgeversorganisatie VSNU (Volkskrant, 2/9/2014). "Onderzoek is veel competitiever dan vroeger. Dat is uitdagend, maar betekent ook onzekerheid over een aanstelling of over het voortbestaan van een vakgroep." Ook minister Bussemaker vindt competitie en flexibiliteit juist nodig voor wetenschap: zo komen de beste onderzoekers boven.

Het streven van de vakbonden om de kwetsbaarheid van flexwerkers met scherpere arbeidswetten een halt toe te roepen, zou wel eens een achterhoedegevecht kunnen zijn. Want de werkgevers hebben een punt.

De flexibilisering is geen onbedoeld bijverschijnsel, maar een regelrecht en logisch gevolg van de tamelijk consistente managementformule. Die formule is de afgelopen jaren de dienstverlenende instellingen zoals de universiteiten zonder al te veel protest diep binnengedrongen en heeft deze vrij dramatisch hervormd.

Kern van deze formule: het beste resultaat en de hoogste efficiency worden behaald door werknemers in competitie met elkaar te plaatsen en hun prestaties voortdurend te meten en objectiveren. Ook niet-commerciële organisaties moeten als een bedrijf gerund worden, met een meetbare 'output', 'procesbeheersing', 'performance indicators'.

Dit stelt de Belgische psycholoog Paul Verhaeghe in zijn populaire boek 'Identiteit' (2012), waarin hij voortborduurt op het werk van Sennett. De nieuwe bedrijfsfilosofie verraadt een mensbeeld waarin mensen in de eerste plaats competitieve wezens zijn die externe prikkels nodig hebben om te presteren. In een competitieve omgeving zouden we ons uiterste best gaan doen om bij de top te horen.

© Kwennie Cheng
Wanneer de top kwa­li­teits­cri­te­ria oplegt, staan trots, loyaliteit, identificatie, motivatie en expertise van werknemers op de tocht

Flexcontracten zijn een van de middelen om de concurrentie te bevorderen. Hopend op verlenging zal de tijdelijke medewerker beter presteren, zo is de verwachting.

Verhaeghe duidt deze neoliberale logica als religie: een dominant en dwingend verhaal, een belofte van verlossing. Het verhaal vormt onze vanzelfsprekende culturele identiteit en het wordt zelden als ideologie ontmaskerd.

Leiding geven
Centralisering van macht is een ander cruciaal aspect van de veranderingen. Zo was voorheen de rol van het universiteitsbestuur om de relatief zelfstandige onderzoeksgroepen te dienen, maar nu ziet het als hoofdtaak voor zichzelf om een topuniversiteit te leiden, hoog in de rankings, met excellent onderwijs en onderzoek. De universiteit is, net als andere non-profitinstellingen, een merk geworden dat met andere merken concurreert. Onderzoeksgroepen worden in deze omgekeerde logica een instrument voor dit hogere doel.

De spirit op de werkvloer blijft niet onberoerd onder dit alles. Wanneer de top doelen en kwaliteitscriteria oplegt die voorheen door professionals zelf werden bepaald, staan trots, loyaliteit, identificatie, motivatie en expertise van werknemers op de tocht. Sennett laat zien dat motivatie om te presteren, trots op het eigen vakmanschap en loyaliteit aan de werkgever samengaan met een aangenaam gevoel van autonomie en controle. Fraude - zoals wetenschappelijke fraude - zou in zo'n context onbegrijpelijk geweest zijn, terwijl het huidige systeem er juist toe verleidt.

Nog onbegrijpelijker lijkt dat uitgerekend de academie het wedstrijdmodel omhelsde. Met het streven naar 'topuniversiteiten' en 'topwetenschappers' dwaalden we ver af van de oorsprong van de academie, waar competitie juist inherent vreemd was aan het zoeken naar kennis. Die oorsprong ligt bij de school die in Athene werd gesticht door Socrates' leerling Plato. Socrates verfoeide de debatcultuur van de retorici. Zij maakten van elk gesprek een wedstrijd en probeerden met retorische trucs hun tegenstanders te verslaan. In de dialoog 'Meno' heeft Socrates een ander voorstel om tot kennis te komen: "Als we een vraag goed willen onderzoeken, moeten we elkaar bejegenen op een wijze die een aangenaam, open gesprek toelaat." De deelnemers aan zo'n gesprek zouden volgens Socrates zich juist als vrienden, en niet als concurrenten, moeten gedragen: meelevend en met ruimte voor twijfel.

De trend van het flexwerken is geen tijdelijke uitwas van de arbeidsmarkt, maar een hardnekkige ontwikkeling

Onze generatie
Het wedstrijdformat was ook ondenkbaar geweest voor de geleerde van weleer. Hij had de bestuurder die hem wilde opstuwen tot hogere publicatiequota glazig aangestaard.

Maar hoe zit dat voor onze generatie? En voor de andere maatschappelijke domeinen die in de ban zijn geraakt van het concurrentiemodel? Hebben de flexwerkers van vandaag, en hun collega's, zich niet allang ingevoegd in de nieuwe context en het bijbehorende mensbeeld verinnerlijkt? We gebruiken dezelfde woorden - 'onderzoek', 'kennis', 'onderwijs', 'zorg', 'kwaliteit' - maar kregen al die begrippen voor ons niet geruisloos een nieuwe, gekwantificeerde, opgelegde betekenis?

De trend van het flexwerken is geen tijdelijke uitwas van de arbeidsmarkt, maar een hardnekkige ontwikkeling, verbonden met het dominante mensbeeld in de neoliberale economie. Ook de Wet Werk en Zekerheid die minister Asscher net heeft ingevoerd om de positie van flexwerkers te versterken en draaideurconstructies tegen te gaan, zal die trend niet stuiten, aangezien de wet de diep ingebakken vooronderstellingen van economie en management niet aanpakt.

Rijker mensbeeld
De balans is doorgeslagen naar een eenzijdig, armoedig mensbeeld dat in zijn uitwerking iedereen raakt, niet alleen de flexkrachten. Het klopt dat we gevoelig zijn voor competitie, maar het miskent dat wij óók sociale en solidaire wezens zijn, die elkaar nodig hebben om greep te houden op onze levens en ons werk.

Het wordt dus geen sinecure zo'n rijker mensbeeld en een rijker begrip van professionele kwaliteit op de werkplek te heroveren op de dominante beelden. Dit model kan niet lang standhouden, schreef Sennett al: "Een bestel dat mensen geen goede redenen verschaft om te geven om elkaar, kan niet lang zijn legitimiteit bewaren."

Martijntje Smits (1966), techniek-filosoof, is als flexonderzoeker verbonden aan de Universiteit van Bergen (Noorwegen) en als flexdocent wetenschapsfilosofie aan de Universiteit Utrecht.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie
Qua opleiding, ervaring, specialisme en takenpakket doet deze flex­we­ten­schap­per niet onder voor ander academisch personeel

Flexen is geen avontuur waarin de extra risico's beloond worden: je hebt eenvoudigweg minder rechten dan collega's met een vast contract

Veel werkgevers vinden flexi­bi­li­se­ring een noodzakelijk aspect van het huidige systeem

Wanneer de top kwa­li­teits­cri­te­ria oplegt, staan trots, loyaliteit, identificatie, motivatie en expertise van werknemers op de tocht

De trend van het flexwerken is geen tijdelijke uitwas van de arbeidsmarkt, maar een hardnekkige ontwikkeling