Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Filosofie en dood

Home

Hans Driessen

'De dood betekent niets voor ons, gezien het feit dat zolang wij er zijn, de dood er niet is, en dat als de dood gekomen is, wij er niet meer zijn.'' Dit zijn de woorden die uit de mond van Epicurus (341-270 v. Chr.) zijn opgetekend. Daarmee verklaart de stichter van het epicurisme de dood tot een non-item, althans voor iemand die zijn verstand gebruikt. Zich bezighouden met de dood heeft geen enkele zin. De evangelist Mattheüs zei het al 'laat de doden hun doden begraven'. De levenden doen er beter aan het leven zoveel mogelijk te veraangenamen; voor zichzelf en voor de medemens.

Het is een van die wijze lessen die gebaseerd zijn op het al te nuchtere verstand, waar vooral de filosofen van de Romeinse oudheid bedreven in waren. Ze zijn tegelijk onweerlegbaar en van nul en generlei praktische waarde. Hoewel er geen speld tussen te krijgen is, schieten we er geen steek mee op. Ze getuigen van een grenzeloos vertrouwen in het verstand en in de macht van dat verstand over de emoties. Voor degene die weet hoe de dingen in elkaar zitten, verdwijnen de problemen als sneeuw voor de zon. Levenskunst staat gelijk aan wijsheid. Zo simpel is dat, of beter gezegd: was dat.

Het advies van Epicurus is door weinigen ter harte genomen -en gelukkig maar. Wat zou er zijn overgebleven van de literatuur indien de dood als thema weggevallen was? De literatuur kent immers slechts twee thema's: liefde en dood (en misschien slechts één: want wat is de liefde als de dood niet op de loer lag?) De dood is de hoofdsponsor van de schone letteren, en trouwens ook van de 'triviale' letteren -op dit punt onderscheidt een prachtroman van de wereldliteratuur zich in niets van de allerplatste soap.

Evenals de literatuur wordt ook de filosofie gevoed door de dood, sterker nog: de dood is, naar het zich laat aanzien, de bestaansvoorwaarde van de filosofie. Zonder de dood zou de filosofie niet kunnen leven. In zijn beroemde opstel 'Over de metafysische behoefte van de mens' heeft Schopenhauer het verband tussen de dood en de filosofie, tussen de sterfelijkheid van de mens en zijn behoefte aan metafysische bespiegeling en troost, op welsprekende en overtuigende wijze uit de doeken gedaan. Hij redeneert als volgt. Alle filosofie komt voort uit verwondering; de verwondering is de moeder van de filosofie (Aristoteles had dat al in de inleiding tot zijn 'Metafysica' vastgesteld: 'Want het is uit verwondering dat mensen gaan filosoferen...') Pas als het bestaan vragen oproept gaat de mens nadenken over de wereld: waarom ze er is en waarom ze is zoals ze is.

Maar waar komt die verwondering vandaan? Op welk moment slaat het vanzelfsprekende van het bestaan om in het problematische; wanneer verandert zekerheid in onzekerheid? Welnu, het bestaan wordt problematisch vanaf het moment waarop de mens voor het eerst bewust geconfronteerd wordt met de dood. De dood doordringt ons van het besef van de eindigheid van alle bestaan en de vergeefsheid van alle streven. En dat besef roept twee fundamentele zinvragen op: 1. Wat is de zin van mijn leven als het gedoemd is na een korte periode (want wat is de duur van het leven afgemeten aan de eeuwigheid?) op te houden? 2. Wat is de zin van mijn streven als het op elk moment door de dood kan worden afgebroken?

De filosofie kan worden beschouwd als de som van alle antwoorden op deze twee vragen. Steeds opnieuw dringen ze zich aan de mensen op en steeds opnieuw moeten de mensen er een antwoord op vinden. De meesten vinden het in een of andere godsdienst, waar de antwoorden meestal kant-en-klaar voor het oprapen liggen, gratis en voor niets. Het enige dat ze ervoor moeten doen is geloof hechten aan wat hun als Gods Woord geopenbaard is; de beloning vindt meestal plaats in de vorm van aanspraak op een bestaan na de dood, een pleister op de wond van de sterfelijkheid. De godsdienst is dus de filosofie voor de gemakzuchtigen en de teleurgestelden, of voor degenen bij wie de verwondering is omgeslagen in ongeduld of vertwijfeling.

Maar wie de levensvragen tot op de bodem wil uitzoeken, die is aangewezen op de filosofie. En hij weet -dat wordt hem al meteen ingeprent- dat hij geen definitieve en pasklare antwoorden hoeft te verwachten. Toch wordt hij gedreven door de hoop het antwoord ooit te vinden. Michel de Montaigne heeft een van zijn essays als titel meegegeven: 'Filosoferen is leren hoe je moet sterven'. Daarmee heeft hij de uiteindelijke drijfveer achter de filosofie kernachtig onder woorden gebracht. Het is een leerproces dat een heel leven vult en dat pas beeindigd wordt door... de dood. Ook hier is een mens nooit uitgeleerd en komt de dood altijd te vroeg. En ook hier is de weg het doel.

Deel dit artikel