Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fietsen maakt het denken lichtvoetiger

Home

door Peter Henk Steenhuis

Jan Bor en Marc van den Bossche willen doordringen tot onze ervaringen. De een zoekt in kloosters, en kunst. De ander neemt de fiets. De een wil het ondenkbare denken, de ander denkt met zijn lijf.

Op het omslag van Jan Bors nieuwe boek staat een gevangen boom. Het is een triest beeld, een groot net onttrekt de bladerrijke reus aan de werkelijkheid. Eronder de woorden: ’Op de grens van het denken’ – de titel van Bors boek. Wat wil dit beeld zeggen? Is dat net de taal, die ons denken vangt? Of is het net ons denken dat onze ervaring intoomt en op afstand stelt?

In de inleiding van zijn boek zegt Jan Bor, bekend van de bestseller ’25 eeuwen filosofie’, dat hij een filosofie van het onzegbare of ondenkbare probeert te ontwerpen. Een verschrikkelijke opgave, want denkend kun je geen vat krijgen op het ondenkbare. Of zoals de filosoof Ludwig Wittgenstein zegt: ’Om de grens van het denken te markeren, zouden we beide kanten van deze grens moeten kunnen denken (we zouden dus moeten kunnen denken wat niet gedacht kan worden.)’

Na deze woorden, die Bor aan het begin van zijn boek aanhaalt, duizelde het me onmiddellijk. Wittgenstein formuleert hier een stopbord: ’Ga terug, u heeft een grens bereikt, daarachter en daarvoor valt niet te denken’.

Bor laat zich de wet niet voorschrijven, en balanceert een boek lang op die grens: hij probeert het ondenkbare toch te denken. ,,Hoe? Niet anders dan door me óp de grens van het denken te begeven, met steeds weer in mijn achterhoofd die even raadselachtige als precieze omschrijving door de Japanse zenmeester en filosoof Dogen van wat zazen behelst: ’Denk aan niet denken.’ ’Hoe doe je dat?’ vraagt hij. En hij antwoordt: ’Zonder te denken,’ ’before thinking’.

Om vat te krijgen op deze woorden klopt Bor na een studie filosofie in 1976 aan bij de poort van een zentempel in Kyoto. Tien jaar lang beoefent Bor zazen, denkt hij na, probeert hij binnen te dringen in het Japanse rijk van de stilte. Totdat de sfeer van volgzaamheid en onderworpenheid hem te zeer gaat tegenstaan en hij in 1986 zijn lerares schrijft dat hij ermee stopt. Haar antwoord: ’When the stomach is full, one stops eating.’

Bor pakt zijn persoonlijke zoektocht weer op en stort zich op de filosofie om te reflecteren op de onmiddellijkheid. Duidelijk is dat filosofie geen platoonse bezigheid is: er bestaat geen hogere ideeënwereld, die we al denkend zouden kunnen benaderen. Als filosofie in onze tijd nog bestaansrecht heeft – Bor betwijfelt dit geregeld – dan alleen omdat ze onze beperkte kijk op de werkelijkheid verruimt. En dan heeft Bor het niet over analytische filosofie – zij beperkt onze blik juist. Bor zoekt zijn heil eerder bij de intuïtieve filosofie van Henri Bergson (1859-1941); die zou een toegangspoort kunnen zijn tot de onmiddellijke ervaring. Intuïtieve kennis, zegt Bergson, is iets heel anders dan natuurkundige kennis. ,,Intuïtie noemen we hier de sympathie waardoor men zich verplaatst in het innerlijk van een voorwerp om samen te vallen met wat het aan unieks en onuitdrukbaars bezit.”

Toch zijn ’uniek’ en ’onuitdrukbaar’ geen sterke termen. Hoe kun je samenvallen met het unieke van een voorwerp? In welke taal kun je over zo’n ervaring spreken? Het wekt bewondering dat Bor dergelijke vragen telkens opnieuw stelt. Gaandeweg zijn boek ruilt Bor de metafysica – het denken over het zijn, of over datgene wat er meer is dan alleen de dagelijkse werkelijkheid – in voor denken over niets, voor een filosofie zonder object.

Hulpmiddel daarbij is de kunst, de non-figuratieve kunst van onder anderen zijn vriend Wim de Haan. Waar denkers faalden, zo zegt Bor, hebben kunstenaars het onzichtbare zichtbaar gemaakt. Want aan het werk van veel kunstenaars ligt een ervaring ten grondslag die niet rationeel kan worden weergegeven. ,,Wij stuiten ermee op de grenzen van het denken.”

En toen was plotseling mijn maag vol. Hoe bewonderenswaardig Bors zoektocht ook is, ik stopte met lezen. Bors verhaal leek te zeer op de klaagzang van de slapeloze, die zich telkens bewust is van het moment dat hij in slaap valt – en dus net niet valt. Zijn enige redding is, deze gedachte niet meer te denken. Hoe? Zo ook ontvlucht de ervaring Bor elke keer als de filosoof haar denkend te dicht op de huid komt te zitten. Maar de wereld staat bol van ervaringen, die we dagelijks kunnen ondergaan. Als we ze tenminste niet stukdenken, als we er tenminste geen net overheen gooien. Luister naar het gezang van een merel, drink een glas wijn, ga fietsen. Maar denk vooral niet na, want filosofie maakt meer kapot dan je lief is.

Dit zijn geen gedachten om op te schrijven. Dat deed ik ook niet. Ik legde ’Op de grens van het denken’ weg. En zou het ook niet meer hebben opgepakt als ik niet op een dag ’Wielrennen’ van de Belgische hoogleraar filosofie Marc Van den Bossche in handen had gekregen. Weer een boek dat wil doordringen tot onze ervaringen. Alleen niet via het denken, maar via het wielrennen. ,,Als filosoof en als humanist”, schrijft Van den Bossche, ,,zou ik voortaan graag de stelling willen uitdragen dat sportbeoefening leidt tot een geïntensiveerde vorm van de ervaring van eigen individualiteit, dat zelfontplooiing begint bij de eigen lichamelijkheid.”

De studies van Bor en Van den Bossche laten zich allebei lezen als biografische zoektochten. Zocht Bor het antwoord in kloosters, stilte, boeken en kunstwerken, Van den Bossche vertelt het verhaal van een sporter, die waarschijnlijk topsporter had kunnen worden, zich ontpopte als sportjournalist, pijp begon te roken, zich over de kop werkte, gediplomeerd filosoof werd, en ten langen leste weer begon te trainen: ,,Terugblikkend stel ik vast dat mijn filosofische stellingname doorheen het verloop van mijn carrière overduidelijk gekleurd werd door mijn lichamelijke conditie. Ruwweg zie ik een evolutie van een wat duister en gelaten denken ten tijde van een gebrek aan sport, in de jaren tachtig en negentig, naar een lichtvoetiger, hoopvol gestemd en hoopvol stemmend denken, sedert ik na mijn veertigste opnieuw naar hartelust fietsbandjes verslijt.”

’Wielrennen,’ dat deel uitmaakt van een reeks die Lemniscaat uitgeeft over de passie van filosofen, is een jubelend boek, een grote lofzang op het leven. Niet op de modieuze lichamelijkheid die je in lifestyle magazines tegenkomt. Die presenteren een technisch beeld: ,,de lijfelijkheid staat er niet centraal als een doel op zich. Eerder lijkt het een middel om zich te conformeren aan bepaalde maatschappelijke vereisten. Een beeld wordt ons voorgeschoteld dat kan worden nagemaakt.”

Om dat beeld is het Van den Bossche niet te doen. Het gaat hem om de ervaring, die wil hij dicht op de huid zitten en daarom houdt hij een pleidooi voor ’denken met het lijf’. ,,Als het er in de filosofie op aankomt de aisthesis, ons vermogen om waar te nemen en te ervaren aan te scherpen, dan kan de filosoof ook niet blind blijven voor wat lijfelijke ervaringen ons leren.”

Dus stapt Van den Bossche op de fiets, niet om zich uit te leven, maar om zich ’uit te lijven’: ,,Een in ijskoude wind en striemende regen verzopen februaridag. Geen weer om een hond door te jagen. Het eerste halfuur vraag ik mij af wat hier nu de zin van is. Geloof me: na een halfuur voel je dat niet meer. Mijn lichaam schijnt zichzelf een soort onverschilligheid te hebben aangepraat.”

Dit boek legde ik niet weg. In dit boek begon ik verwoed te strepen. Niet omdat ’Wielrennen’ zoveel beter was dan ’op de grens van het denken’ maar omdat ik me herkende in Van den Bossche. Ook mij gaat het tijdens het fietsen, hardlopen of skeeleren om ’een vorm van verdiepte waarneming’. ’Fietsen’, zo schrijft Van den Bossche, ’lokt een roes uit die onze gewone ervaringen intenser maakt. Fietsen maakt mijn denken vrij.”

Nog even terug naar zenmeester Dogen: ’Denk niet aan denken.’ Het is waardevol advies, maar hoe doe je dat? ’Zonder te denken,’ adviseerde de zenmeester. Maar hoe doe je dat? Hoe bereik je het stadium ’before thinking’? Door te fietsen, door ons te ontlijven, antwoordt de Belgische filosoof, want ,,het lichaam maakt ons ontvankelijk voor wat op ons afkomt, nog voordat wij daar op een bewuste manier over hebben kunnen nadenken”.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie